Bach-pagina van Dick Wursten:
dick@wursten.be
www.dick.wursten.be
 

Gravure (Lichting) naar een origineel schilderij van E. Hausmann

Johann Sebastian Bach  
21 maart 1685 - 28 juli 1750

Als u links geen navigatievenster ziet, klik dan hier


inleiding

'Bach' is de naam van een Thüringse muzikantenfamilie (actief van de 16de tot 19de eeuw). Met de moedermelk (of de paplepel) is Sebastian de muziek dus ingegoten. Zoals wij leren gaan, spreken en vervolgens lezen en schrijven, zo heeft hij leren musiceren en componeren. Hele bibliotheken zijn vol geschreven over deze ene Bach en als je daarin gaat grasduinen ontdek je al snel, dat iedereen zijn eigen Bach 'creëert', niet helemaal uit het niets maar toch wel op grond van bijzonder weinig (en allemaal 'uitwendige') gegevens. Hieronder volgen de gegevens, af en toe voorzien van wat interpretaties (feiten zonder interpretatie zeggen niets). Discussies heb ik zoveel mogelijk verbannen naar de voetnoten. In een nabeschouwing zal ik enige opvallende trekken eruit proberen te lichten.

I. leven en werk

1685 

21 maart: Johann Sebastian wordt te Eisenach geboren als 8ste kind van Johann Ambrosius Bach (stadsmuzikant) en Elisabeth Lämmerhirt. Vanaf de leeftijd van 8 gaat hij naar school (Lateinschule) om te leren lezen en schrijven (Latijn, Duits en Catechismus)(1), toevallig of niet dezelfde school waar Martin Luther 2 eeuwen eerder ook naar toe is geweest. Als hij 9 is overlijdt zijn moeder, het jaar daarna zijn vader. Sebastian trekt in bij zijn oudste broer, organist in Ohrdruf (leerling van J. Pachelbel). Hij vervolgt zijn opleiding aan het plaatselijke gymnasium, sluit vriendschap met Georg Erdmann en zingt in het koor. In 1700 treffen we beide jongens - enkele 100-en kilometers noordelijker - aan op de Michaelisschool in Lüneburg, waar muzikaal begaafde jongens uit arme gezinnen gratis mochten studeren op voorwaarde dat ze gingen zingen in het St. Michaelis-koor. Als elitekoor (het zgn Mettenchor) vormden deze (12 à 15) jongens de muzikale basis van het grotere academiekoor. Als Bach's stem breekt, gaat hij bijverdienen als organist. Verder blijkt hij multi-inzetbaar als muzikant (o.a. klavecimbel en viool)(2).

1703 

Als 18-jarige komt hij voor op de loonlijst (lakei-violist) van het hof van Sachsen-Weimar, maar vertrekt reeds na enkele maanden naar Arnstadt, waar hij het nieuwe kerkorgel (Bonifatiuskerk) mag inspelen en later de vacante post van organist krijgt aangeboden. Bach begeleidt de gemeentezang en poogt de vocaal-instrumentale kerkmuziek van de grond te krijgen. De samenwerking emt de instrumentisten en zangers (meest studenten) is bepaald niet optimaal. Met de fagotspeler van het orkest heeft hij zelfs slaande ruzie gekregen, omdat die zich door Bach beledigd voelde(3). Bach schijnt zich in deze periode vooral met het orgel te hebben bezig gehouden en veel te hebben gecomponeerd. In de winter van 1705-1706 maakt hij zijn beroemde voetreis naar Lübeck (ruim 250 km noordelijk gelegen) om Dietrich Buxtehude te ontmoeten(4). Vier weken was afgesproken, ruim drie maanden blijft hij weg. Hij komt eraf met een reprimande, maar krijgt tegelijk te horen da men zijn orgelspel niet erg apprecieert: De koraalvoorspelen brengen de parochianen in verwarring, omdat zijn variationes nogal curieus zijn en hij er "vele vreemde tonen bijmengt". Tevens zijn de voorspelen nu eens te lang, dan weer te kort.(5). Als hij er tenslotte van wordt beschuldigd een vrouwspersoon (frembde Jungfer) op het orgel te hebben toegelaten tijdens de dienst, wordt het tijd om te verhuizen.

1707 

Bach wordt organist in Mühlhausen, waar hij in dienst is van een kerk met een piëtistische predikant (tamelijk anti-kerkmuziek) en bevriend met diens orthodoxe collega (meer pro-kerkmuziek), zij het dat deze controverse in de vroegere biografie onredelijk is opgeklopt. Andachtsmusik en reguliere kerkmuziek hoeven elkaar niet te bijten. Bachs cantates zijn hiervan zelf het bewijs. Hij huwt op 17 oktober 1707 met zijn nicht Maria Barbara. De 22-jarige orgelvirtuoos lijkt een grote carrière voor zich te hebben. De beroemde Toccata en Fuga in d (BWV 565) wordt meestal in deze periode gedateerd(6). De cantate "Gott ist mein König" (BWV 71), geschreven voor de installatie van de gemeenteraad verschijnt zelfs in druk. Het dienstverband duurt echter maar kort. In zijn opzegbrief (1708) meldt hij als reden dat zijn wedde niet toereikend is om zijn gezin te onderhouden en dat hij ook niet 'in staat is om reguliere kerkmuziek te schrijven tot Gods eer'(7)

Deze formulering is aanleiding tot een verhit debat bij de Bach-exegeten: Laat Bach zich hier uit over zijn diepste drijfveer als componist: Ik wil eigenlijk kerkmuziek tot Gods eer schrijven (zo de oude opvatting) of wil Bach gewoon zeggen, dat het allemaal niet zo wou lukken met de organisatie en regeling van de kerkmuziekpraktijk(8).  De relatie was in elk geval niet zó slecht dat de banden verbroken zijn. In 1709 komt Bach bijv. nog even terug om het nieuwe orgel in zijn voormalige kerk in te wijden met een concert en nog tweemaal mag hij de cantate voor de installatie van de gemeenteraad schrijven. Als decennia later een zoon van Bach organist wordt in Mühlhausen worden er plechtige festiviteiten in de stad georganiseerd en inspecteert de oude Bach nog eventjes gratis het orgel. Doorslaggevend zullen dus toch wel het (in Bachs ogen) duizelingwekkend hoge tractement en de muzikale ontplooiingsmogelijkheden (werken met  professionele musici) zijn geweest.  

1708  

Inmiddels is Bach echter aan het hof van Sachsen-Weimar aangesteld als hoforganist en 'Cammermusicus' (klavecinist en violist. Deze laatste titel wijst vooral op de wat hogere 'rang' van Bach vergeleken met de 'gewone' uitvoerende musici. Hij staat boven hen en net onder de kapelmeester). Weimar werd bestuurd door twee hertogen uit dezelfde familie, elk met een eigen hof (met de bijbehorende competitie, afgunst en intriges, die in de tijd dat Bach er werkte soms absurde proporties hebben aangenomen). Bach was in dienst van de één (Wilhelm Ernst), bevriend met de ander (Ernst August) en gaf les aan diens zeer muzikale jongere halfbroer (Johann Ernst)(9). Bach verdient nu al meer dan ooit iemand van zijn familie voor hem heeft verdiend. Hij is in binnen- en buitenland beroemd als organist en klavierspeler(10). In 1714 wordt hij door de hertog ook nog benoemd tot 'concertmeester' (verantwoordelijke voor de kerkmuziek).

 

Maandelijks moet hij nu een cantate afleveren. De grote tweedelige cantate Ich hatte viel Bekümmernis (BWV 21) is hiervan één van de eerste en meteen al een hoogtepunt. Duidelijk is zijn keuze voor de nieuwe stijl. Niet meer slechts bijbelverzen met een koraal, maar 'met alles er op en er aan': recitatieven en da-capo-aria's(11). Zijn gezin groeit gestaag en een ongehuwde schoonzus trekt bij de familie Bach in. Als hij in 1716 (na de dood van de 'kapelmeester' (verantwoordelijke voor de wereldlijke muziek) niet wordt aangesteld als diens opvolger, tekent hij - zonder voorafgaandelijk ontslag te vragen - een contract met het hof van Köthen(12). Deze subversieve daad werd beboet met één maand effectieve gevangenisstraf en oneervol ontslag. Bach was inmiddels begonnen met één van zijn eerste grote projecten, het Orgelbüchlein. Volgens de bewaard gebleven index wilde hij 164' voorbeeldige' koraalbewerkingen maken voor alle zondagen van het kerkelijk jaar en de feestdagen. Verder dan 46 is hij uiteindelijk niet geraakt. Zijn leven lang is hij zowel nieuwe blijven componeren als oude herwerken.


 1717 

Aan het calvinistische hof van Köthen wordt hij 'hofkapelmeester'. De 23-jarige vorst Leopold von Anhalt-Köthen was een groot muziekminnaar en zelf ook veelzijdig muzikant(13). Een kwart van zijn jaarinkomen besteedde hij aan zijn hobby: muziek. Muzikanten en zangers voor de hofkapel werden overal vandaan gehaald, desnoods weggekocht uit Berlijn. Ook Bach kreeg een royaal salaris. Toppunt waren wel de reizen van deze vorst naar Karlsbad in de zomers van 1718-1720, waar hij ging 'kuren'. Hij nam dan op zijn kosten de hele 'band' mee (uit muzikale behoefte, ongetwijfeld, maar ook om mee te pronken natuurlijk). F rst Leopold von Anhalt-K then

In deze periode kan Bach naar hartelust componeren en musiceren. Hij heeft een uitstekend orkest ter beschikking en hij schrijft bijna uitsluitend wereldse muziek (Köthen was calvinistisch, dus géén muziek in de kerk). De muziek is soms zelfs 'trendy' te noemen en hij experimenteert met klankkleuren(14). Als Bach in 1720 terugkeert (van Karlsbad) blijkt zijn vrouw te zijn overleden en reeds begraven. Anderhalf jaar later huwt hij de dochter van de hoftrompettist uit Weißenfels Anna Magdalena Wülken (of Wilcken)(15). Bach gaat op zoek naar ander werk. Dat hij dat is gaan doen omdat hij ernaar verlangde om eindelijk eens religieuze muziek (u weet wel: de reguliere kerkmuziek tot Gods eer) te kunnen schrijven vindt in de feiten die we hebben geen stevige grond(16). Er zijn twee openlijke sollicitaties van Bach bekend en die hebben dit gemeen dat ze alle drie naar een aanzienlijke post in een grote stad zijn gericht(17). Het werd tenslotte Leipzig. Daar had na het overlijden van Johann Kuhnau (juni 1722) het stadsbestuur van Leipzig de alom geprezen G.Ph. Telemann benaderd. Die bedankte voor de eer, nadat Hamburg zijn loon aanzienlijk had verhoogd. Vervolgens werd Christoph Graupner (een aan de Thomasschool opgeleide musicus, als kapelmeester werkzaam in Darmstadt) benaderd, maar die kon niet ingaan op het aanbod omdat zijn werkgever hem niet wilde laten gaan. Johann Sebastian had zèlf gesolliciteerd. Op 7 februari verzorgde hij op proef een complete dienst (incl. één of misschien zelfs wel twee cantates (BWV 22 en 23). De commissie bleef aarzelen, want ze was bij Bach (die vooral als toetsenist en componist van wereldse muziek bekendheid genoot) vooral bang voor te veel 'operatoestanden' in de kerk(18). Maar minstens zo belangrijk is geweest, dat Bach geen universitaire opleiding had genoten. [algemeen: daar zit wat in: een leidinggevende musicus moet een brede kennis en universele belangstelling hebben en geen eng notenmannetje zijn]. Vele raadsleden vonden dat een noodzakelijke voorwaarde, temeer daar de 'cantor' vooral ook één van de 'hoofden' van de Thomasschool was en daar vele lessen (en echt niet alleen de muzieklessen) moest geven(18a). Ook na zijn vertrek uit Köthen bleef Bach trouwens goed bevriend met Leopold. Hij kreeg de titel 'ere-kapelmeester' mee. Bij diens overlijden in november 1728 schreef Bach de treurmuziek (uitgevoerd eind maart 1729), deels ontleend aan de eerste versie van de Mattheüspassie.

1723  

Bach wordt op 1 juni 1723 te Leipzig officieel aangesteld als Cantor van de Thomasschool en Director Musices van Leipzig (stedelijk muziekdirecteur). Naast zijn muzikaal werk voor de 4 stadskerken en bij speciale gelegenheden moest hij toezicht houden op en (Latijnse) les geven aan de jongens van de Thomasschool, waaruit hij zijn koorleden (en uit zuinigheidsoverwegingen liefst ook zoveel mogelijk instrumentisten) moest recruteren (eerst opleiden natuurlijk middels het systeem 'leren door doen'). De Latijnse les heeft hij al vrij snel uitbesteed aan oudere student-assistenten, de zogeheten prefekten

Thomaskirche te LeipzigNa zijn vrij luxueuze leventje in Köthen moet Bach dus hard aan de slag om te zorgen dat er elke zondag reguliere kerkmuziek klinkt in alle 4 stadskerken. De meest begaafde knapen van de Thomasschool, begeleid door stads-muzikanten en studenten moesten elke zondag een cantate brengen, (bij toerbeurt in de Nikolai- en Thomas-kerk); de overige knapen moesten (via een beurtrol) in de Pieterskerk en de Nieuwe Kerk choraliter de eredienst opluisteren(19). Bach leidde zèlf alleen de cantates in de hoofdkerk. Doordeweeks werd er drie keer gerepeteerd, op zaterdag één keer met de instrumentisten. Bach had natuurlijk al een klein voorraadje cantates liggen uit Weimar en Mühlhausen, maar toch weet men inmiddels zeker, dat hij in die eerste jaren in totaal 5 complete cycli (alle zon- en feestdagen, uitgenomen de vasten) moet hebben geschreven, dat is dus 5 x 59 cantates, bijna 300, waarvan er minder dan 200 overgeleverd zijn. Dit was dus seriewerk, componeren volgens sjablonen onder enorme tijdsdruk. Componist zijn in de 18de eeuw was een 'vak' en zeker in de familie Bach een traditioneel ambachtelijke bezigheid(20). De cantate had een vaste plaats na de evangelielezing en vóór de preek. Bij lange cantates volgde ook nog een deel na de preek. Zij zijn dus in de Lutherse traditie integraal onderdeel van de verkondiging en bereiden de toepassing al voor. Het bijzondere (het wonder, zo u wilt) is dit, dat wanneer Bach op routine drijft hij nog geregeld meesterwerken componeert. Vooral de openingskoren (die de toon van de zondagslezing moet 'vatten' in muziek) zijn vaak bijzonder goed verzorgd en de afwisseling in stijl en vorm is verbazingwekkend. Naast deze wekelijkse cantates heeft hij in diezelfde eerste jaren in Leipzig het Magnificat (geschikt voor de vesperdiensten) gecomponeerd, de Johannespassie (1724) en de Mattheüspassie (1727/1729(21)), geschreven en gerealiseerd (d.w.z. dus in het kader van zijn cantate-reeksen). Sinds 1726 probeert Bach ook geregeld werk gepubliceerd te krijgen(22).

zicht op Leipzig (grote markt met raadhuis)

Over Leipzig als stad moeten we trouwens niet te klein denken. Het was de tweede stad van Sachsen, telde 30.000 inwoners, had al eeuwen een eigen universiteit en kende een bloeiend sociaal-economisch leven (o.a. centrum van boek- en muziekdrukkunst, instrumentenbouw), vooral tijdens de grote beurs de Leipziger Messe, die 3x per jaar plaatsvond. Ook de cultuur bloeide volop. Er waren maar liefst 8 gerenommeerde koffiehuizen (dat waren toen 'the places to be'), de beroemdste die van Gottfried Zimmermann

Om nog wat politieke achtergrond te geven: Dresden was in de jaren '30 het politieke machtscentrum (cultureel trouwens op Italië georiënteerd, vooral met zijn operagebouw) maar werd (niet zonder strijd, letterlijk !) in de jaren '40 overvleugeld door Berlijn. Frederik de Grote was begonnen het Pruisische rijk op te bouwen. Van december 1745 tot kerst 1746 had hij notabene Leipzig bezet gehouden (wat een bijzonder licht werpt op Bachs bezoek aan Frederik de Grote in 1747!). Politiek stelde de stad niet veel voor. Wel lukte het het stadsbestuur samen met de universiteit en de kooplieden om een zeker zelfstandig sociaal-cultureel leven op te bouwen. De mercantiele burgercultuur komt hier tot grote bloei èn Bach zit hier niet voor niets tussen !

 

1730

Onderwijl zijn er verschillende botsingen met het stadsbestuur omtrent de omkadering van zijn 'job'. Bach klaagt geregeld over het gebrek aan niveau van zijn 'Sängerknaben'(23).[klik hier voor het memorandum] Ook is er een langaanslepend conflict met de universiteit. Het rectoraat wilde de muzikale activiteiten niet aan Bach toevertrouwen, maar hield die liever in eigen beheer en zette vanuit de universiteitskerk (Paulinerkirche) een concurrerend muziekcircuit op. Rond 1730 is Bach het zo moe, dat hij zijn jeugdvriend Georg Erdmann (inmiddels diplomaat in Dantzig) vraagt om te bemiddelen voor een job(24). De komst van een nieuwe rector (Gesner), die Bach reeds kende uit zijn Weimarer tijd en die Bach goed gezind was, zorgde op dit front voor een 'staakt het vuren'. Het conflict flakkerde echter halfweg de jaren '30 weer op, toen Gesner professor werd in Berlijn en opgevolgd werd door een jonge moderne rector (Ernesti) die zich vragen begon te stellen bij het enorme aandeel van muziek en in het curriculum. Hij vond dat de Thomasschool zich moest aanpassen aan de moderne tijd (Aufklärung) en de noden van de samenleving (sic!)(25). Bach vocht voor het behoud van de muziek als hoofdvak en toelatingscriterium. Dit conflict bloedde dood eind jaren '30, waarschijnlijk door interventie van hogerhand. De relatie bleeft tot vlak voor Bachs dood gespannen. De geringste aanval op Bachs muziek, of muziek in het algemeen vanuit de hoek der geleerden, kon Bach doen ontploffen.

NB: Met de kerkelijke overheid zijn er geen problemen bekend. Tussen de predikant (Superintendent Salomon Deyling) en de Cantor heeft blijkbaar wederzijds respect en vertrouwen bestaan. Bach heeft de ‘reguliere kerkmuziek’ mogen vormgeven zoals hij dat wenste. De annalen vermelden zelfs dat Bachs eerste cantate-uitvoering in de Nikolaikerk (30 mei 1723)  ‘mit gutem applausu’ is ontvangen.. 

Bach is inmiddels ook leider geworden van het Leipzigse collegium musicum, een orkest samengesteld uit professionele stadsmuzikanten en enthousiaste burgers en studenten. Dit ensemble gaf concerten in Gottfried Zimmermann's 'Koffiehuis'. ('s werelds eerste en meteen muzikaal superieure commercial, de Koffiecantate (BWV 211), hebben we hieraan te danken). Bij mooi weer werd er ook buiten gemusiceerd(26). Of Bach's orkestmuziek toen is gecomponeerd of al eerder is omstreden. In elk geval heeft Bach veel vroegere stukken bewerkt voor klavecimbel en orkest en heeft daarmee dit instrument als solo-instrument z'n doorbraak bezorgd. Ook de concerten voor meer dan één klavecimbel (2, 3 en zelfs 4) moeten hier geklonken hebben (Bach met enkele van zijn zoons achter de klavieren !). Bach musiceert veel, componeert op bestelling, laat zich inhurenKoffiehuis van Zimmermann aan de Katharinenstrasse als orgel-adviseur, en handelt zelfs een beetje in klavierinstrumenten. Met de orgelbouwer (later ook piano-forte) Gottfried Silbermann onderhoudt hij goede contacten. Onderwijl verzamelt hij titels:

Zijn poging om als musicus semi-zelfstandig te worden (en daarin geslaagd te zijn !) is misschien wel het meest opmerkelijke feit uit zijn sociale leven. De momenteel zeer gezaghebbende Amerikaanse biograaf Christoph Wolff spreekt van een 'selfstyled retirement'.

Opvallend is, dat als Bach zijn cycli met kerkelijke cantaten heeft voltooid zijn passies heeft geschreven en uitgevoerd (waarschijnlijk alle in de jaren '20 of vroege jaren '30), dat er daarna op kerkelijk terrein van zijn hand geen grote nieuwe werken meer verschijnen. Voor speciale religieuze gelegenheden 'herneemt' hij reeds bestaand werelds werk: Recyclage dus (wat toentertijd trouwens een zeer gebruikelijk en volkomen geaccepteerd procédé was). Zijn (en andermans) cantates dienen om zijn zondagsplichten te vervullen(28). Rond zijn 55ste is Bach een bekend, gerespecteerd en gevestigd musicus met een niet onbelangrijke leerlingenkring. Hij heeft de naam van wat 'ouderwets' te zijn en vooral: 'te moeilijk', maar dit bezwaar is relatief en bij nader inzien oppervlakkig(29). Passerende musici van internationale faam vereren huize Bach altijd met een bezoek als ze in de buurt zijn. In de jaren '40 brengt hij zelf ook nog enkele bezoeken aan zijn zoons (die actief zijn op het hoogste niveau: Hamburg, Berlijn), reizen die je ook als 'concertreizen' zou kunnen betitelen, want overal waar hij komt, treedt hij op.

Bekend is vooral het bezoek dat hij in 1747 brengt aan zijn zoon Carl Philipp Emanuel (die kapelmeester is bij Frederik de Grote) ter gelegenheid van de geboorte zijn eerste kleinzoon. Als hij op Sans Souci aankomt is Frederik de Grote van Pruisen (zelf verdienstelijk fluitist) net met zijn hofkapel bezig en zegt: 'Mijne heren, de oude Bach is gearriveerd'. Alle activiteiten worden stilgelegd, Bach wordt ontvangen en moet op alle toetsinstrumenten die de vorst bezit (waaronder enkele hypermoderne piano-fortes van Silbermann) spelen. De vorst geeft hem een thema om ter plekke op te improviseren. De indruk die hij maakt is overweldigend. Na afloop en bij thuiskomst laat Bach al zijn fantasie nog eens los op dit thema en biedt de vorst een 'muzikaal geschenk' aan met alle mogelijk en onmogelijke variaties op het koninklijk thema: Das musicalische Opfer (1747), een geniaal werk dat het muziek- en begripsvermogen van de vorst toch wel zwaar op de proef moet hebben gesteld. Omdat dit werk vlak na de tweede Silezische oorlog is geschreven lijkt het mij legitiem om in de opdracht van dit werk (en in het bezoek zelf) ook een kleine vredesmissie te zien. De verwijzing naar de grootheid van de vorst zowel in 'zaken van oorlog en vrede'  in het voorwoord bij de publicatie suggereren een verband. Bach wordt uitgenodigd toe te treden tot de Societät der musikalischen Wissenschaften, één van de eerste muziektheoretische instituten in de wereld(30)..

Het bekende portret van Bach (door Elias Hausmann) is geschilderd voor deze opname in de galerij der groten (1747)(31). De laatste jaren van zijn leven wijdt Bach zich (naast zijn plichten als cantor) aan het verzamelen en redigeren van zijn grote werken. In het Wohltemperierte Klavier (1722) had hij reeds alle mogelijkheden van de nieuwe 'gelijkzwevende stemming' van toetsinstrumenten verkend door in elk van de 24 toonsoorten een preludium en fuga te schrijven. In de jaren '40 volgt nog een tweede soortgelijke verzameling. 

In de 'Aria met variaties', die als Clavierübung IV verschijnt, beter bekend als de  Goldbergvariaties(32)  (1741) geeft hij middels 30 variaties op één thema een complete staalkaart van variatietechnieken. En passant laat de oude meester hier ook nog even zien, dat hij ook best wel in de 'galante nieuwe stijl' kan componeren als hij wil... In de Kunst der Fuge laat hij zien hoe je (1, 2, 3... 4) thema's fugatisch kunt bewerken en vervlechten en toch binnen het tonale systeem kunt blijven (begonnen 1740, postuum gepubliceerd in 1751). In das musicalische Opfer (1747) en in Einige canonische Veränderungen über das Weynacht-Lied: Vom Himmel hoch (1746/7) drijft hij de canonische variatiesvorm tot aan of tot over zijn grens. Terzelfdertijd moet hij ook de laatste hand gelegd hebben aan de h-moll Messe (of Hohe Messe, waarvan het eerste deel (Sanctus) al uit de jaren '20 stamt). Voortschrijdende blindheid belemmert het werk. De rondtrekkende zelfbewuste oogmeester (John Taylor), charlatan of niet,  verergert enkel de zaak. Vanaf december 1749 moet Bach zo goed als volkomen blind zijn geweest. Ouderdomssuiker is de vermoedelijke bron van alle problemen en verklaart ook de opflakkeringen die Bach (ook wat gezichtsvermogen betreft) af en toe heeft gehad.

1750 

In 1750 laat hij een groot gedeelte van de fuga's en canons uit de Kunst der Fuge graveren en redigeert hij nog een keer de (reeds bestaande) zetting van het koraal Wenn wir in höchsten Nöten sein. (BWV 668 > BWV 668a) met in zijn hoofd niet de tekst van dat gezang, maar van een ander: Vor deinen Thron tret ich hiermit. Tekst en melodie worden via enkele laatste wijzigingen (in ritme, contrapunt) nog preciezer op punt gesteld. Of hij ook nog effectief gewerkt heeft aan de laatste (?) fuga van de Kunst der Fuge wordt tegenwoordig betwijfeld(33). Tien dagen voor hij sterft, worden zijn ogen plots beter en kan hij zelfs weer licht verdragen. Vlak daarop echter wordt hij getroffen door een zware beroerte. Ondanks goede (ook medische) zorgen blijkt het hopeloos. Op 22 juli ontvangt hij de laatste communie en op dinsdag 28 juli 1750  even na kwart over acht 's avonds sterft hij in de leeftijd van 65 jaar (rustig en vredig door de genade van zijn Verlosser, aldus de necrologie). Op 31 juli vindt de uitvaart plaats. Het zal 50 jaar duren voor de biografie van Forkel hem de plaats in de muziekgeschiedenis geeft die hem toekomt. Het grote publiek moet wachten tot Mendelssohn in 1829 het eeuwfeest van de Mattheüspassie aangrijpt om dit werk te doen herleven(34). Daarna is Bach niet meer weg te denken uit de geschiedenis van de westerse muziek.

II nabeschouwing


Bach, een allround muzikant

Wie de bovenstaande levensloop overziet kan niet anders dan vaststellen, dat Bach een redelijk geslaagde en veelzijdige muzikale carrière achter de rug heeft. 15 jaar heeft hij aan de hoven van Weimar en Köthen naar hartelust kunnen musiceren en componeren. 27 jaar heeft hij in Leipzig gewerkt, waarbij hij zowel de reguliere kerkmuziek verzorgde als op hoogdagen met iets bijzonders bijzonders voor de dag kon komen. Zijn ervaring in de wereldlijke muziek kon hij tegelijk verder uitleven tijdens de 'koffieconcerten' met zijn collegium musicum (1729-1741(35)). Als organist en klavecinist kende hij zijn weerga niet. Hij was kortom een allround muzikant geweest, die in functie daarvan ook componeerde en die zich zeker in de tweede helft van zijn leven er ook mee heeft beziggehouden zijn 'ambachtelijk kunnen' ten dienste te stellen van latere generaties middels grote composities.

 

Bach, een bruut ? Neen: een noeste werker

Bach was een harde werker. Hij verwachtte die inzet ook van zijn mede-werkers. Dat hij wel eens kon uitvliegen tegen zijn 'leerlingen' (die tegelijk zijn medewerkers waren!) en enkele stevige aanvaringen had met zijn superieuren in Leipzig, is genoegzaam bekend. Om uit die paar berichten, die wij daaromtrent hebben (samen met dat reeds gemelde verslag van een schermutseling in zijn jonge jaren in Arnstadt, z.b.) af te leiden dat Bach een opvliegend karakter had en een bullebak was, lijkt mij een voorbeeld van 'jumping to conclusions'. De getuigenissen van de familie en de kennisenkring roepen niet het beeld op van een cholerisch temperament. De sfeer in huis lijkt meestal goed. Het is druk, er wordt - inderdaad - keihard gewerkt en veel gemusiceerd. Bach loopt zich voor twee dingen het vuur uit de sloffen: de muziek (=zijn werk) en zijn gezin. Bach, een hardwerkende pater familias.

Verder suggereren noch zijn muziekhandschrift, noch zijn muziek een opvliegend, driftig en ongeduldig temperament. Integendeel: Als er één ding opvallend is aan de muziek van Bach, dan is het wel de totale beheersing van de stof, wat natuurlijk niet wegneemt, dat hij zich bij tijden vreselijk heeft kunnen opwinden over muzikaal onbegrip(36) en manifeste tegenwerking.

Geweldige en overrompelende stukken' van Bach zijn er wel, zeker uit zijn jongere jaren (vooral in zijn vrije orgelwerken) Ook een bekend stuk als 'Sind Blitze und Donner' uit de Matheüspassion grijpt je bij de keel, maar opvallend is toch vooral de volledige muzikale beheersing óók van het 'woedende Affekt'. Compositorisch zit het knap in elkaar, wat zo overweldigend opborrelend klinkt. "Als bij hem de vulkaan in zijn binnenste tot uitbarsting komt, stroomt de gloeiende lava toch altijd ordelijk omlaag." ('t Hart, 53). Dat hij - eens een bepaalde weg ingeslagen - zeer vasthoudend, om niet te zeggen: koppig kon zijn, dat is wat anders.


Bach en de dood (hierover heb ik ook een aparter diepergravend artikel geschreven; klik hier)

Bachs eerste vrouw overleed terwijl hij op reis was met zijn werkgever (1720). Van haar acht kinderen waren er vier jong gestorven. In de zeven jaar tussen 1726 en 1733 krijgt Bach maar liefst negen sterfgevallen in zijn naaste familie te verwerken, waaronder drie van zijn eigen kinderen die de peuterleeftijd al bereikt hadden en die dus al konden lachen, praten en gaan. Dit sterftecijfer was op zich niet ongewoon in die tijd, maar dat wil niet zeggen dat ouders toen nìet onder het verlies van hun kinderen gebukt gingen, zeker als het toch al enkele jaren deel had uitgemaakt van hun/het leven. De bestaande 'troostliteratuur', die op ons soms heel hard overkomt moet nodig zijn geweest, omdat men er blijkbaar ook toen niet zomaar 'overheen' kon komen.

Of Bachs persoonlijke levensomstandigheden (of juister: stervenservaringen) een rol hebben gespeeld bij Bachs muzikale ontwikkeling, is echter een andere zaak. Bach was een componist uit de 'barok' en niet uit de tijd van de 'romantiek', d.w.z. dat hij er beslist niet mee bezig was om persoonlijke emoties in muziek om te zetten. Barokmuziek is nl. gericht op het bewerken en beheersen van Affekten. (gemoedsaandoeningen). Volgens bepaalde muzikale conventies diende je bepaalde gevoelens bij de hoorders op te roepen (chromatische dalende reeksen = smart, re-groot is vreugde; de noten worden heel precies in functie van dat beoogde 'Affekt' geschreven, de instrumenten met het oog daarop geselecteerd, de vorm doelbewust gekozen).

klik om de muzieknoten te horen

klik om de muzieknoten te horen

klik om de muzieknoten te horen

klik om de muzieknoten te horen

Anderzijds waren barokmusici ook 'gewone mensen' met een eigen karakter en gevoeligheid. Niemand zal dan ook ontkennen dat Bach zeer geïnspireerd overkomt als hij teksten toonzet die handelen over 'de laatste stonde'. Maar we moeten voorzichtig zijn. De dood hoorde toen veel meer bij het leven dan nu en was zeker in de kerk een hoofdthema. De meditatie van de dood (d.w.z. het eigen stervensuur) en het daarop volgend oordeel en de innige eenheid met Christus die dan eindelijk verwezenlijkt kan worden (een verademing na dit aardse tranendal) is een algemeen christelijke oefening al sinds de oudheid. De Lutherse orthodoxie (waartoe Bach zich officieel rekende) kende deze gewoonte ook. Dat dit soms de vorm kon krijgen van een bijna mystiek doodsverlangen is niet uitzonderlijk. Het is in Bachs tijd vooral het 'pietisme' dat deze stervensmeditatie dik in de verf heeft gezet. Blijkbaar is Bach daar niet ongevoelig voor geweest.

 Het 'Affekt' waar Bach zijn absolute meesterschap het vaakst bewijst zou je het 'Affekt' kunnen noemen van de: 'niet sentimentele erkenning en aanvaarding van de eindigheid van dit leven': Ruhe sanfte! 

Natuurlijk ligt aan dit Affekt bij Bach het christelijk geloof ten grondslag. Daardoor wordt de meditatie van de dood innig verbonden met de meditatie van Christus'sterven. Het is ook enkel vanwege de verbinding van het menselijk lijden en Christus' lijden, dat de troost kan klinken. Die ondergrond verklaart waarom de wanhoop altijd getemperd is en de dood zelfs dichterbij gewenst worden. De gelovige zegt dan met Paulus: "Het leven is mij Christus, sterven een gewin" (Fil. 1:21). Bach kan (muzikaal in ieder geval) den Kreuzstab gerne tragen (BWV 56) omdat het verzoenend kruislijden van Christus hem daarbij perspectief geeft. Tenslotte: Omdat muziek op zich neutraal is en 'Affekten' (gemoedstoestanden) niet exclusief religieus (of exclusief christelijk zijn), zelfs als de woorden waarop de muziek gezet is wèl expliciet religieus of christelijk zijn, is het te verstaan dat niet-expliciet gelovige mensen toch het beoogde 'Affekt' beleven als zij Bachs religieuze muziek ondergaan. Dat wil zeggen dat zij door de muziek van Bach ook tijdelijk 'to terms' komen met hun eigen eindigheid, de contingentie van alle dingen, de onverklaarbaarheid van het lijden en de bittere dood.


Bach, de gelovige

Bach zette bijna altijd SDG (Soli Deo Gloria) op een partituur of soms J.J. (Jesu juva: Help mij toch, Jezus!), o.a. op de Mattheüspassie(37), maar ook wel boven gewoon wereldlijke muziek(38) en dat meende hij. Bach was een gelovig man, gepokt en gemazeld in de Lutherse kerk en spiritualiteit. Orthodox, maar met een mystiek trekje (Zijn moeders familie had banden met de mystiek-doperse kringen). Hij bezat een aanzienlijke theologische bibliotheek (veel geërfd) en ook als student had hij behoorlijk wat theologie moeten verteren. Soms schreef hij zelf de teksten voor cantates (en die zijn dan in kwaliteit en strekking niet te onderscheiden van die van zijn vaste leveranciers, maar dit terzijde). Toch zegt dat allemaal nog niet veel meer, dan dat hij zijn werk serieus opvatte, een ambachtelijke ethiek had, geen 'brol' wou afleveren. Over zijn persoonlijk geloofsleven heeft Bach zich nooit expliciet uitgelaten. Hij heeft gewoon zo goed mogelijk muziek gemaakt. Dat was het talent dat hij van God gekregen had en zijn christenplicht wasdat talent optimaal te benutten. Het is immers typisch Luthers om je beroep als roeping op te vatten en door daarin zo goed mogelijk te arbeiden Gods eer te vergroten(39): kerkelijke muziek moet dus tot meerdere eer en glorie van God zijn en wereldlijke muziek moet het 'gemoed verkwikken'(40). De hoge inschatting van de kracht en de waarde van de muziek is geheel in de geest van Martin Luther, die ook zelf de muziek prijst als Gods hoogste gave (op de Zoon na natuurlijk)(41). Wat het voor Bachs persoonlijke geloofsbeleving heeft betekend om zulke kerkmuziek te schrijven als hij geschreven heeft is een geheim tussen Bach en God. 'Waarover wij niets kunnen weten, daarover moeten wij zwijgen'. Zijn geloof zit m.a.w. in zijn muziek. Daarbuiten is zij voor ons een verborgenheid; daarin is zij (m.i.) glashelder tot klinken gebracht(42).

 

Bach zingt (het woord)

Ik heb even geaarzeld om dit stukje te noemen: Bach swingt. Niet alleen omdat de grondpatronen en ritmen van de dans in al zijn werken, tot in de meest religieuze, voorkomen (de beroemde aria Erbarme dich heeft bijv. de cadans van een siciliano), maar ook omdat de ‘drive’ in al Bachs’ muziek voor mij één van de meest opvallende kenmerken is. Ik heb het niet gedaan omdat Bach toch vooral ‘zingt’ (en anderen al meer dan genoeg op het aambeeld van ‘swinging Bach’ hebben geslagen).

Bach wil in zijn vocale muziek de tekst dienen door alle muzikale middelen (z.b.) optimaal te gebruiken. Natuurlijk ‘zingt’ Bach in zijn vocale muziek (cantates en passies), maar ook in zijn instrumentale muziek is hij vooreerst een ‘zanger’. In zijn Clavierübung uit 1722 geeft hij zelf aan dat ook zijn instrumentale muziek ‘cantabile’ moet worden gespeeld(43)..  Bachs favoriete instrument was niet voor niets de clavichord, die in tegenstelling tot de klavecimbel expressief was en kon ‘zingen’ (maar zo zacht dat het alleen voor solospel geschikt was). En al zingend weet Bach precies wat hij zingt. In de cantates en passies, maar ook in zijn kerkelijke orgelwerken dient Bach de tekst met gebruik van alle muzikale middelen, van zeer geraffineerde symboliek (onhoorbaar) tot zeer naïeve klankuitbeelding (van een kraaiende haan, van een slang etc..). Meestal echter kiest hij per stuk of per onderdeel een bepaalde ‘sfeer’, die is afgeleid uit de tekst. Soms is één woord uit de tekst de ‘trigger’ voor de muzikale inventie (‘Schritte’ is één van Bachs favoriete woorden). Zo probeert hij ‘de gemoedsaandoening’ èn de ‘boodschap’ van een tekst met muzikale middelen te versterken.  


Bach, de componist

Volgens mijn bescheiden mening moeten wij het genie van Johann Sebastian Bach geheel tegen de romantische opvatting over wat een 'genie' is, niet zoeken in zijn originaliteit maar in zijn gave om de bestaande muzikale cultuur geheel in zich op te nemen, te doorgronden, te verwerken en vervolgens 'te voltooien'. Ik bedoel dit. Hij heeft alle groten van zijn tijd (en van voor zijn tijd) bestudeerd. Stap voor stap heeft hij zich hun muzikale taal eigen gemaakt. Kosten of moeite heeft hij hierin niet gespaard. Buxtehude bezoeken, Vivaldi en de andere Italianen overschrijven en bewerken en nog eens bewerken tot het een nieuw stuk wordt. Wàt heeft die Vivaldi ? Wat is zijn kracht ? En eens gevonden, maakt hij die zich eigen. Middenduitse, Noordduitse (kleurrijke en versierde stijl), Italiaanse en Franse invloeden (exotisch, galant): Hij heeft ze niet zozeer ondergaan, als wel bewust gezocht en in dat alles gestreefd naar verdieping en voltooiing. Het resultaat is niet iets 'nieuws' in de zin van 'novum' (dat wat nog nooit geweest is), maar wel nieuw in de zin, dat men het oude toch ook nog nooit zó heeft samengesteld (ge-componeerd) gehoord. Daarbij is Bachs vormkracht verbluffend, ook voor zijn tijdgenoten. Hoe strikter de voorschriften hoe rijker zijn fantasie begint te vloeien, lijkt het wel. De strengste vormen gaan onder zijn handen leven alsof ze het meest natuurlijk van alle zijn: de fuga bijvoorbeeld. Complexiteit klinkt bij hem altijd vanzelfsprekend en een gevoel blijkt altijd middels heel subtiele structuren te worden gecreëerd. Bij Bach concurreert de gevoeligheid (het 'Affekt') de zuivere muzikale orde niet, maar onderstreept die en wordt er ook zelf door versterkt. De architectonische constructie geeft de emotie (het 'Affekt') zijn diepte. Daarom overtreft Bach juist veel anderen die aan de oppervlakte van het gevoel blijven steken. Het hoofd en het hart worden tegelijk geraakt.

Dat Bach ouderwets is en ingewikkeld is wel zo, maar dat is expres. Bach kàn perfect in de nieuwe ‘galante stijl’ schrijven, maar vindt die niet ‘rijk’ genoeg. Als hij bijv. in zijn danssuites ‘galante melodieën’ gebruikt, dan zorgt hij er bijna altijd voor dat die melodische lijn gedragen wordt door een degelijk (en niet zelden polyfoon uitgewerkte) onderbouw. De zeer modieuze en glansrijke operaproducties in Dresden, die hij af en toe voor zijn plezier bezocht noemde hij humorvol-respectloos: Dresdner Liedergens (Dresdense deuntjes), aldus het getuigenis van zijn oudste zoon, die mee mocht. Wezenlijk is dat Bach de muziek altijd meer-stemmig is blijven denken en de vereenvoudiging tot melodie met begeleiding wel attractief vond, maar een verarming. Overeenkomsten in waardering en waarschuwende kritiek met H. Schütz (in het voorwoord bij diens Geistliche Chormusik 1648) een eeuw eerder zijn opvallend. Melodie en ritme worden bij Bach altijd ondergebracht in een complex harmonisch (samenklank) , contrapuntisch (noten tegenover elkaar) en polyfoon (meerdere melodische lijnen) kader. Juist hierdoor worden het nooit ‘deuntjes’, en blijft zijn muziek meestal interessant ook na vele keren luisteren. Er zit zoveel meer in dan alleen maar een lekker muziekje. 

Voor niet muziektheoretisch onderlegde lezers: Het verschil tussen Bachs muziek en veel (toen veel populairdere, maar nu vergeten) muziekstukken van andere musici is te vergelijken met het verschil tussen: (Bach) een historisch gebouw dat met zorg van binnen en buiten is ontworpen, waarin de verhoudingen en lijnen en kleuren kloppen en dat je toch telkens weer verrast als je het vanuit een andere hoek bekijkt  en (in het slechtste geval) een toneelfaçade van datzelfde gebouw: alleen een voorzijde, een buitenkant, eventjes leuk, maar het dient verder tot niets.

 


uitvoeringen

Tenslotte: Bij zekere drogisterij-keten is een Bach-integrale te koop tegen ongelooflijk lage prijzen. Hier zit veel rommel tussen. In deze integrale is geïntegreerd een nieuwe opname van alle cantates van Bach (in een supersnelle opnamecyclus met het Bach Collegium en het Holland Boys Choir o.l.v. Pieter Jan Leusink) die alle subtiliteit en verfijning mist en waar de moeilijkere koorpartijen erg op een worsteling lijken, maar die natuurlijk wel ongelooflijk goedkoop is. Een kans dus om de sfeer van de cantates van Bach eens te proeven (schreef ik in het Bach-jaar toen er nog geen youtube was... Nu zeg ik, Niet doen, weggegooid geld, surf dan liever een poosje op youtube). Philippe Herreweghe (ongelooflijk verleidelijk en esthetiserend) kun je altijd nog kopen; of Ton Koopman (tsja, wat moet ik daar van zeggen, je kunt in elk geval altijd snel naar huis) ... of misschien dan toch Johan Eliot Gardiner (met zijn pelgrimage) of Leonhardt/Harnoncourt... (grote jongens!) of Suzuki (die musiceert echt!)

hoofdwerk: juni/juli 2000, laatst bijgewerkt: 17/10/14

 ds. Dick Wursten, amateur

Geraadpleegde bronnen:

boeken en artikelen

internet (geen garantie dat de links nog werken...)

 


Voetnoten

(1) Naast de bijbel werd er les gegeven uit het Compendium locorum theologicorum van Hutter, een Luthers ABC in vraag en antwoord. Ook werd er Latijn, retorica, logica en muziek gegeven.
(2) Factoren die van invloed kunnen zijn geweest op de muzikale ontwikkeling van de jonge Bach: de grote internationale muziekbibliotheek van de school (uitgebouwd door E.F. Praetorius; inventaris uit 1695: 1102 titels van 175 verschillende componisten); Georg Böhm, plaatselijk organist (versierde muziekstijl). Gedocumenteerd zijn bezoeken aan het kasteel van Celle ('klein Versailles', cultureel op Frankrijk georiënteerd: Lully) en Hamburg: organist Johann Adam Reincken (Nederlandse en Noordduitse orgelschool (<J.P. Sweelinck) zijn gedocumenteerd.
(3) Voor een onthutsend en leerrijk overzicht hoe deze vechtpartij (waarvan wij enkel de notulen van het consistorie hebben, waarin klacht en verweer zijn opgenomen) in verschillende Bach-biografieën wordt opgesmukt, geïnterpreteerd en steeds verder ingevuld: 't Hart, 16-33.
(4) Buxtehude stond bekend om zijn virtuoze orgelmuziek (stylus phantasticus) en over zijn 'extra-ordinäre Abendmusiken' (soort bijbelse oratoria met koor en orgel: toeristisch, cultureel en missionair (?) inititiatief in de Advent) sprak toen 'tout le monde'. Ze hadden hoge spektakelwaarde (ordehandhavers waren nodig om de rust te bewaren) en waren vrij toegankelijk (ze werden gesponsord door de kooplieden, die dan een ereplaats kregen). De muziek is niet bewaard, enkel een tekstboekje of een flard. Er zijn misschien invloeden hoorbaar in Bach's eerste cantates: deze overstijgen de 'gewone' doorsnee Lutherse cantates van zijn tijdgenoten. N.B. de abendmusiken waren niet-kerkelijk en zeker niet-liturgisch.
(5) Zijn koraalvoorspelen zijn inderdaad veel fantasierijker (fantasia-achtiger) dan de gangbare "regel-voor-regel" variatietechniek van bijv. Joh. Pachelbel. Het citaat spreekt van viele frembde Thone mit eingemischt, daß die Gemeinde drüber confundiret worden.
(6) Er heeft begin jaren '80 een hele controverse gewoed of dit stuk eigenlijk wel van Bach is, omdat het zo a-typisch is. De meest bevredigende oplossing is, dat het wel degelijk een stuk van Bach is, maar niet in eerste instantie bedoeld voor orgel. Veel muzikale figuren (zeker in de fuga) wijzen op een stuk voor... viool. Overigens kan het ook als orgelstuk, bedoeld om te 'imponeren' bij zijn openbare uitvoeringen of sollicitaties gediend hebben.
(7) in het Duits: 'Wenn auch ich stets den Endzweck, nemlich eine regulirte kirchen music zu Gottes Ehren und Ihren Willen nach, gerne aufführen mogen...' De discussie over de precieze betekenis van deze uitspraak is trouwens jarenlang vertroebeld omdat het officiële oostduitse Bach-beeld (Leipzig lag in de DDR) de religieuze dimensie van Bachs muziek systematisch probeerde te minimaliseren.
(8) Bach had deels op eigen kosten een verzameling had aangelegd met geschikte kerkmuziek (incl. eigen werk) aangelegd, een koor en een orkest opgericht en het dossier voor de restauratie van het orgel opgesteld. 
(9) Deze laatste wist in 1713 in Amsterdam een partij Italiaanse muziek op de kop te tikken, waaronder L'Estro Armonico van Vivaldi, die Bach intens heeft bestudeerd, bewerkt (en verwerkt) samen met zijn neef (stadsorganist te Weimar): J.G. Walther.
(10) Hij wordt uitgenodigd Fr. Zachow (Zachau) in Halle op te volgen (1713), maar laat deze jobaanbieding schieten als zijn huidige werkgever zijn salaris gevoelig verhoogt. Enkele jaren later is hij weer in Halle voor de inspectie van een nieuw groot orgel. Mattheson noemt hem in zijn boek: Das Beschützte Orchestre uit 1717 Bach "de beroemde organist van Weimar".
(11) Het nog redelijk eenvoudige Geestelijke concert, zoals we dat bijv. kennen van H. Schütz werd vervangen door vrije parafreserende verzen, vaak genoemd naar de Hamburgse predikant E. Neumeister, die dit model min of meer in Duitsland heeft ingevoerd. Bach experimenteert uitgebreid met deze nieuwe vorm, maar geeft uiteindelijk de bijbeltekst en de Lutherse koralen toch weer een grote plaats in zijn latere cantates.
(12) Bach was in aanraking met dit hof gekomen door het huwelijk van de zus van Leopold von Anhalt-Köthen met hertog Ernst August. Voor dit huwelijk had Bach een cantate geschreven.
(13) "..hatte einen gnädigen und Music so wohl liebenden als kennende Fürsten; bey welchem auch vermeinete, meine Lebenszeit zu beschließen.", brief 1730
(14) Werk uit deze periode vinden we in het Clavierbüchlein (voor zijn oudste zoon Wilhelm Friedemann) het Notenbüchlein für Anna Magdalena Bach en vooral in Das Wohltemperierte Klavier. Verder veel wereldlijke (concertante, maar ook dansante) muziek, waaronder de reeds genoemde Brandenburgse concerten; Ook een 40-tal wereldse cantates (in moderne stijl, d.w.z. zoals in de opera: met "da capo aria's" en recitatieven.)
(15) De traditionele biografie zegt: om voor zijn kinderen te zorgen. De moderne biografie zegt: Dat kon zijn schoonzus (die waarschijnlijk al sinds 1709 in huis was) toch ook doen ! Wat weten wij over Bach en Anna's motieven ? Niets. Er zijn m.a.w. legio andere dan huishoudelijke redenen te bedenken waarom deze twee zouden wensen te trouwen, die allemaal even goed/slecht zijn als de traditionele, omdat we gewoon niet weten waarom ze zijn getrouwd. Wat we wel weten is a. dat zij een professionele zangeres was; b. ten tijde van het huwelijk financieel onafhankelijk was; c. dat zij hem 13 kinderen heeft gebaard, waarvan 7 het niet hebben overleefd èn d. dat de kinderen uit Bachs eerste huwelijk haar na Bachs dood niet voor armoe hebben behoed. Waarom ? Als u 't weet, mag u 't zeggen.
(16) Deze opvatting van Bach als 'aarts-cantor' is in ons collectief geheugen ingebrand door de biografiën van Ph. Spitta, 1873-1880 en A. Schweitzer, 1905 (overigens van beiden niets dan goeds !), maar wordt tegenwoordig als achterhaald beschouwd. Bach zelf geeft 2 argumenten voor zijn vertrekt (brief aan Erdmann 1730): (1) Het muzikale klimaat verslechterde omdat Leopold huwde met een a-muzikale vrouw. (2)  Zijn kinderen moesten naar de hogere school en dan zit je beter in een grote stad (haal het kasteel uit Köthen en je houdt niets over)  Echter: Wie zegt a. dat Bach ècht zijn diepste reden om te vertrekken in die brief meldt en wie zegt dat b. Bach exact doorhad wat de reden was voor Leopolds verminderde ondersteuning van zijn muzikale praktijk, bijv. dat Anhalt-Köthen in de invloedsfeer van Pruisen lag, dat in volle expansie was, en dat dus ook Leopold zijn steentje moest bijdragen aan de opbouw van het leger (hij heeft er rond diezelfde periode aardig wat geld in gestoken. c. En wat vindt u van deze: Bach zocht een nieuwe uitdaging. Köthen is maar een klein en onbeduidend hof (een 'boerengat', zouden wij zeggen) en zijn kinderen werden groot... en zijn vrouw wilde ook wel weer eens wat van de wereld zien... Die Gedanken sind frei.
(17) In Hamburg werd hij niet aangesteld als organist, omdat hij een donatie (steekpenningen) weigerde te storten in de kerkelijke kas, wat Pastor Neumeister in de kerstpreek van 1720 deed opmerken, "er glaube ganz gewiß, wenn auch einer von den bethlehemitischen Engeln vom Himmel käme, der göttlich spielte und wollte Organist zu St. Jakobi werden, hätte aber kein Geld, so möc hte er nur wieder davonfliegen". De vorst van Brandenburg vond de 6 concerti grossi die Bach opgestuurd had blijkbaar niet bijzonder genoeg want hij liet niets van zich weten zodat het tenslotte Leipzig werd.
(18) Bach moest bij zijn contract verschillende bijkomende clausules accepteren, o.a. dat hij de reguliere kerkmuziek zo zou uitwerken dat ze niet te lang duurt en dat ze also beschaffen seyn möge, damit sie nicht opernhafftig herauskommen, maar veeleer de luisteraars tot devotie zou aanmanen (zur Andacht aufmuntere).
(18a) Deze spanning tussen 'school-cantor' en 'muziekdirecteur van de stad' blijft heel het leven van Bach voelbaar. Omtrent zijn opvolging is in 1749 genotuleerd dat 'de Thomasschool een cantor en geen kapelmeester nodig had'. 
(19) Bij de grote feestdagen werden deze verschillende koren samengevoegd om een groter stuk te kunnen brengen. Dan werd de cantate 's ochtends in de ene kerk uitgevoerd en 's avonds (=aan het eind van de middag tijdens de vesper) in de andere kerk. Soms deed ook de universiteits kerk (Paulinerkirche) nog mee. Dan haastten de musici zich na de ochtendmis (7-10 uur) naar de universteitskerk om daar nog net op tijd te arriveren om er na de preek hun ding te kunnen doen.
(20) Bachs productiviteit was niet gering, maar ook niet uitzonderlijk: Telemann heeft 12 cycli gecomponeerd, Bachs voorganger Kuhnau 14 cycli, maar absolute barokke topscorer is J.Ph. Krieger met bijna 2000 cantates. De korte periode waarin Bach dit alles componeerde is wèl tot nadenken stemmend. Vroegere biografen meenden altijd dat Bach vanaf 1723 tot ver in de jaren '40 cantates had geschreven. Alfred Dürr heeft echter kunnen aantonen dat bijna alle kerkelijke cantates al uit de jaren '20 stammen.
(21) Traditioneel wordt de eerste uitvoering van de Mattheüspassie gedateerd op 15 april 1729 (latere bewerkingen: 1736, 1739, 1745). Over de afhankelijkheid van de Mattheüspassie van de Köthener Trauermusik (ter gedachtenis aan Leopold, overleden November 1728) wordt dan veel gediscussieerd. De begrafeniscantate voor Bachs geliefde vorst en voormalig werkgever (Klagt, Kinder, klagt es aller Welt (BWV 244a) heeft in elk geval 10 delen muziek gemeen met de Mattheüspassie (BWV 244). Vast staat dat de Köthener Trauermusik eind maar 1729 is uitgevoerd. Veel moderne wetenschappers dateren de Mattheüspassie echter reeds in 1727, d.w.z. vóór de Trauermusik, waardoor de afhankelijkheidsverhouding wordt omgedraaid. 
(22) Vanaf 1726 jaarlijks ter gelegenheid van de Jaarbeurs een Partita (danssuite). Later wordt de klaviermuziek gebundeld in 4 delen Clavierübung (1731 deel I 6 partita's; 1735 deel II o.a. Italiaans en Frans concert; 1739: deel III o.a. koraalvoorspelen en duetten; 1742 deel IV Goldbergvariaties) 1746: de 6 'Schübler' Choräle (gebaseerd op aria's of koraalbewerkingen uit vroegere cantates; Schübler is de graveur/drukker); 1747: Das musicalische Opfer en postuum: Achtzehn Choräle von verschiedner Art en de Kunst der Fuge.
(23) in een memorandum aan de raad van 1730 beschrijft hij de situatie: Van de 54 knapen zijn er 17 bruikbaar, 20 nog niet rijp en 17 onmogelijk. De instrumentisten zijn met z'n achten, voor de helft gepensioneerden en voor de andere helft in opleiding. Hier kunt u een Nederlandse vertaling van dit memorandum lezen.
(24) Leipzig stelde Bach teleur: Da aber nun (1) finde, daß dieser Dienst bey weitem nicht so erklecklich (aantrekkelijk), als man mir ihn beschrieben, (2) viele accidentia (bijkomende inkomsten) dieser Station entgangen, (3) ein sehr theurer Ort und (4) eine wunderliche und der Music wenig ergebene Obrigkeit ist, mithin fast in stetem Verdruß (ergernis) , Neid und Verfolgung leben muß, als werde genöthiget werden miet des Höchsten Beystand meine Fortun anderweitig zu suchen..."volledige brief in vertaling bij 't Hart, p 60v
(25) Dit conflict heeft alles te maken met het feit dat de Thomasschool, zoals bijna alle scholen, oorspronkelijk een kloosterschool was waar jongens werden opgeleid om te dienen in de liturgie. Met de Lutherse reformatie was de doelstelling wel verbreed tot algemeen voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, maar daarmee niet duidelijker geworden. De aspirant studenten werden bijv. getoetst op muzikale mogelijkheden (door de cantor) en op wetenschappelijke kwaliteiten (door de rector). De aanleiding voor Bachs memorandum van augustus 1730 aan de stadsraad was dat voor het schooljaar 1729 de raad 10 nieuwe jongens had toegelaten, waarvan er 5 geheel niet muzikaal waren. Bach wilde een herhaling voorkomen. Hij kreeg echter nul op het rekesten werd zelfs nog gekort. Zie hierover: Van der Linde, p. 137v.
(26) Hier zien we het onstaan van het burgerlijke publieke 'concert' . Gedurende de winter was er elke vrijdag van 6-8 ('s zomers ook 's woensdags van 4-6) een concert. Bach componeerde er zelf voor, bewerkte allerhand eigen werken voor dit orkest, maar speelde ook eigentijdse muziek: Vivaldi, Locatelli, Telemann, Handel en Albinoni. Bij feestelijke gelegenheden werd er een 'extra-ordinär Konzert' ingericht. Als er een beroemde muzikant in de stad was, werd hij uitgenodigd een 'Sonder-konzert' te geven. Die laatste twee soorten concerten kon je enkel tegen betaling bijwonen. Dit collegium musicum was begin van de 18de eeuw gesticht door Telemann opgericht en wordt later samengevoegd met het universitaire (concurrende) collegium musicum en evolueert dan tot het nog steeds bestaande Gewandhausorchester Leipzig.
(27) J.S. Bach, hofleverancier sinds 1736: Hij kreeg deze titel trouwens door aanbieding - met alleronderdanigste opdracht - van het Kyrie en Gloria van de latere h-moll Messe. Graaf Keyserlingk (één van zijn andere adellijke beschermheren) uit Dresden bemiddelde nadat de eerste poging (1634) gefaald had.  Deze graaf Keyserlingk was Russisch gezant in Dresden (jaren '30) en in Berlijn (eind jaren '40). Ongetwijfeld  was hij één van Bachs voornaamste beschermheren. Ookal zijn de Goldbergvariaties misschien niet letterlijk voor hem (d.w.z. zijn klavecinist Johann Goldberg) geschreven, figuurlijk komen ze hem wel toe. Hij zal ook wel bemiddeld hebben bij het beroemde bezoek van Bach aan Frederik de Grote in 1747. 
(28) Het Weihnachtsoratorium (1733/1734) bestaat uit 6 cantates (van 1ste kerstdag tot epifanie) die grotendeels gebseerd zijn op wereldse cantates. Ook het Paasoratorium is een opgepoetste versie van een oudere cantate, die een bewerking is van een verjaardagscantate. Zelfs de Hohe Messe (1747) is voor een aanzienlijk deel een (zij het zeer intelligente en zorgvuldige) compilatie van reeds eerder gecomponeerde werken.
(29) Dat Bach ouderwets is en zijn stijl te ingewikkeld, is erg kortzichtig. Bach kan perfect in de nieuwe 'galante stijl' schrijven, maar vindt die niet 'rijk' genoeg. Als hij bijv. in zijn danssuites 'galante melodieën' vindt, dan zorgt hij er bijna altijd voor dat die melodische lijn gedragen wordt door een degelijk (en niet zelden polyfoon uitgewerkte) onderbouw. De zeer modieuze en glansrijke operaproducties in Dresden, die hij af en toe voor zijn plezier bezocht noemde hij humorvol-respectloos, maar precies: Dresdner Liedergens (Dresdense liedjes) aldus het getuigenis van zijn oudste zoon, die hij dan mee nam. Wezenlijk is dat Bach de muziek altijd lineair en polyfoon is blijven denken en de vereenvoudiging tot melodie met begeleiding wel attractief vond, maar een verarming. Overeenkomsten in waardering en waarschuwende kritiek met H. Schütz (in het voorwoord bij diens Geistliche Chormusik 1648) een eeuw eerder zijn opvallend.
(30) Deze sociëteit is gesticht door één van Bachs leerlingen: Lorenz Christoph Mizler, die ook het standaardwerk over de polyfone componeerkunst van Fux, Gradus ad Parnassum (1725) had vertaald. Bach bezat de Latijnse versie. Zijn canonische variaties op 'Vom Himmel hoch da komm ich her' diende als proefstuk.
(31) Dit schilderij heeft altijd in de Thomasschool gehangen en is door de leerlingen in de loop van de tijd zozeer beschadigd (en daarna weer gerestaureerd), dat het twijfelachtig is of dit portret nog wel voldoende gelijkenis met het originieel vertoont om gezaghebbend te zijn. het standbeeld uit 1894 (o.a. gebaseerd op de bij verbouwingswerken opgegraven schedel van Bach) en de kopie van het portret van Hausmann uit 1749 lijken betrouwbaarder. (onderzoek H.O.R. Tuyll van Seroorskerken uit 1956)... zie verder: http://www.npj.com/thefaceofbach/ mirrored and edited based on the waybacksite: http://bach.wursten.be/portraits/
(32) Genoemd naar de jeugdige harpsichordspeler Johann Goldberg van graaf Carl Hermann von Keyserlingk (Dresden), één van Bachs beschermheren, volgens de overlevering bedoeld om de aan slapeloosheid lijdende vorst 's nachts te pleizieren. De publicatie in 1741 heeft als titel echter heel ‘sec’: Clavierübung IV, Aria mit verschiedenen Veränderungen’. De naam Bach - met alle titels - staat er uitgebreid op; een grafelijke opdracht is nergens te bespeuren.  Omdat Bach er juist altijd enorm op gespitst was zoveel mogelijk titels en 'hoogwaardigheidsbekleders'  op zijn partituren te vermelden, mogen we aannemen dat er tijdens de publicatie nog geen sprake was van een dedicatie.  Waarschijnlijk is oorzaak en gevolg in de legende omgedraaid en heeft de graaf deze variaties na publicatie zo vaak door Goldberg laten spelen, dat hij ze ‘zijn variaties’ is gaan noemen.  Er wordt tegenwoordig ook wel eens gesuggereerd, dat deze 'Aria met variaties'  Bachs afscheidsgeschenk (en concert) is geweest voor het collegium musicum, dat in 1741 tijdelijk ophield te bestaan.  [zie hiervoor noot 26 en 35]
(33) Rond dit koraal en de laatste fuga is altijd al veel te doen geweest, omdat in 1751 dit koraal posthuum gepubliceerd werd als 'Anhang' direct volgend op een Fuga die afbreekt op het moment dat het thema B.A.C.H. geïntroduceerd zou worden.  De legende (ontstaan uit een notitie op de titelpagina en een aantekening bij die fuga) wil, dat het dicteren van dit koraalvoorspel Bachs laatste muzikale daad op aarde is geweest. Tegenwoordig ziet men het meestal zo: De blinde Bach laat zich door iemand het koraal Wenn wir in höchsten Nöten sein (BWV 668) voorspelen met in zijn hoofd de tekst van het koraal Vor deinen Thron tret ich hiermit. Hij geeft opdracht tot enkele kleine verbeteringen in de muziekpartituur en verandering van de titel van het koraal. Waardoor Vor deinen Thron tret ich hiermit (BWV 668a) inderdaad één van de laatste werken is geweest waarmee Bach zich vlak voor zijn dood al redigerend heeft beziggehouden). Ook de Kunst der Fuge was Bach niet aan het componeren in 1749, maar aan het 'drukklaar' maken en bewerken, zoals hij voortdurend deed met al zijn grote werken. Misschien was ze wel gewoon af en is het handschrift waarop de onvoltooide fuga staat een niet voltooid afschrift (in het net) van een (wel voltooid) origineel. Na zijn overlijden heeft men dan de losse bladen verzameld en zo kan de verbeterde versie van het koraal en de niet voltooide partituur van de Kunst der Fuge  tot één geheel zijn samengesmolten.
(34) Felix Mendelssohn-Bartholdy doet dat samen met zijn leraar de Berlijnse Karl Friedrich Zelter, die in Berlijn met de Berliner Singakademie altijd Bach is blijven zingen. De Bach-Gesellschaft wordt opgericht (1850) om zoveel mogeljk rondzwervend materiaal (manuscripten) te verzamelen en uit te geven: de Bach-Gesamtausgabe, afgerond in 1900. Vanaf 1873 verschijnt de biografie van Ph. Spitta (Bach als Lutherse aartscantor) en daarop voortbouwend in 1908 de Duitse uitgave van de biografie van dr. Albert Schweitzer (Bach als mysticus (die het 'woord' in de muziek 'tot klinken brengt': Schilder met muziek) en die een hele periode voltooit en afsluit). Ook de Thomaskantor Karl Straube mag hier genoemd worden. Fr. Blume tenslotte riep in de jaren '50 op om het beeld van Bach als aartscantor toch ook eens wat kritischer te bekijken. Een oproep met grote gevolgen, die door de ideologische druk in de DDR tot een vertekening van het Bach-beeld heeft geleid. Tegenwoordig groeit de consensus. Typerend hiervoor de nieuwe biografie van Christoph Wolff.
(35) Dit muziekcollege heeft bestaan tot in de jaren '40. In 1743 wordt het große Concert der Kaufmannschaft in het leven geroepen, de voorloper van de latere Gewandhauskonzerte, grotendeels bestaande uit de muzikanten van Bachs muziekcollege en van het concurrerende muziekcollege van Görner. Het nog steeds bestaande Leipziger Gewandhausorchester is dus een direkte erfgenaam van Bach muziekcollege. Mendelssohn is kapelmeester van dit orkest geweest.
(36) Als de hulporganist vaak maar wat knoeit tijdens de repetitie en als de jongens van het Thomaskoor weer eens vals zingen, welke dirigent zou het dan allemaal niet eens te veel worden, zodat hij eens een keer 'zijn pruik afrukt en in woede naar de organist gooit, uitroepend, dat hij nooit organist had moeten worden, maar beter schoenmaker was gebleven' ? Dat hij de overige 99 keer de valse noten en het geknoei rustig heeft ondergaan wordt niet vermeld, maar mag wel worden verondersteld.
(37) Even voor de duidelijkheid: Dat deed hij dus niet op èlk stuk zoals de vrome legende er telkens weer van heeft gemaakt.
(38) bijv. Das Wohltemperierte Klavier
(39) (Luther vertaalde het woord vocatio niet langer met (geestelijke) roeping maar met het wereldse woord beroep en haalde zo de roeping van de mens weg uit de contemplatieve wereld en zette die midden in het gewone maatschappelijke leven. Over de gevolgen van deze 'ommerkeer' heeft Max Weber behartenswaardige dingen geschreven. Zie hierover bijv. A.L. Mok, Arbeid, bedrijf en maatschappij, Wilrijk 1999, p 8v.
(40) "... soll wie aller Musik [...], also auch des Generalbasses Finis und Endursache anders nicht, als zu Gottes Ehre und Recreation des Gemüts sein. Wo dieses nicht in acht genommen wird, da is keine eigentliche Musik, sonder ein teuflisches Geplärr and Geleier." (dictaat van Bach aan zijn leerlingen omtrent het gebruik van de generalbas).
(41) De muziek heeft niet alleen esthetische waarde, maar ook psychische en zelfs ethische kracht: Zij maakt de droeve blij, de versaagde moedig, de hovaardige deemoedig volgens Luther: "Denn nichts auff Erden krefftiger ist, die traurigen fröhlich, die fröhlichen traurig, die verzagten hertzenhaftig zu machen, die hoffertigen zur Demut zu reitzen, die hitzige und übermessige Liebe zu stillen und dempffen, den Neid und Hass zu mindern, und wer kann alle Bewegung des menschlichen Herznesn, welche die Leute regieren, und entweder zu Tugent oder zu Laster reitzen und treiben, erzehlen, dieselbige Bewegung des Gemüths, im Zaum zu halten und zu regiren, sage ich, ist nichts krefftiger, den die Musica." Bach tekent aan in zijn Calov-bijbel: "Bey einer andächtige Musig ist allezeit Gott mit seiner Gnaden Gegenwart" 
(42) Het feit dat Bach - eens hij een voldoende voorraad had opgebouwd aan kerkelijke cantates en zich onder de hoge bescherming van verschillende gekroonde hoofden (m.n. uit Dresden) had weten te plaatsen en hij zich dus kon veroorloven om zijn functie van cantor te minimaliseren - zich is gaan bezighouden met het collegium musicum (concerten bij Zimmermann) en zich vooral is gaan bezighouden met zijn grote 'conceptuele' werken (vrij abstracte muziek) moet wel voorzichtig maken om hier al te forse uitspraken over te doen.
(43) voorwoord bij het Clavierbüchlein waarin louter instrumentale Inventies en Sinfonien staan ter lering (o.a. ook voor het componeren, maar:)"..am allermeisten aber eine cantable Art im Spielen zu erlangen..."

ds. Dick Wursten, muziekamateur