BWV 170

   

Home
Up
Mattheuspassie
Bach in de Norbertus
Memorandum
BWV 42
BWV 51
BWV 56 & 57
BWV 67
BWV 61
BWV 70a
BWV 80
BWV 82
BWV 85
BWV 93
BVW 106
BWV 113
BWV 127
BWV 132
BWV 137
BWV 139
BWV 140
BWV 169
BWV 170
BWV 180
Easter Oratory
Bach en de dood
Hooglied & allegorie
mystical Bach
Bach, hofcomponist
Brandenburgse concerten

Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust (BWV 170)

 

6de zondag na Trinitatis (eerste uitvoering 28 juli 1726, hernomen 1746)

lezingen: (epistel) Romeinen 6: 3-11;  (evangelie) Mattheüs 5: 20-26

tekst: Georg Christian Lehms, Gottgefälliges Kirchen-Opffer (1711)
 

homilie en toelichting op de cantate in St. Norbertus (16/02/2014)

 

1. Aria

Aria

Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust!

Dich kann man nicht bei Höllensünden,

wohl aber Himmelseintracht finden,

du stärkst allein die schwache Brust,

vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust!

Drum sollen lauter Tugendgaben

in meinem Herzen Wohnung haben. 

Heerlijke rust, lieve lust voor de ziel !

Die vind je niet in het hels gekrakeel

maar wel in een hemelse eendracht.

jij versterkt alleen een zwakke borst,

heerlijke rust, lieve lust voor de ziel !

Daarom laat ik enkel deugdzame zaken

mijn hart tot hun woning maken.

 

 

2. Recitativo 

Recitatief

Die Welt, das Sündenhaus,

bricht nur in Höllenlieder aus

und sucht durch Haß und Neid

des Satans Bild an sich zu tragen.

Ihr Mund ist voller Ottergift,

der oft die Unschuld tödlich trifft,

und will allein von Racha, Racha sagen.

Gerechter Gott, wie weit

ist doch der Mensch von dir entfernet;

du liebst, jedoch sein Mund

macht Fluch und Feindschaft kund

und will den Nächsten nur mit Füßen treten.

Ach! diese Schuld ist schwerlich zu verbeten. 

De wereld, het huis van de zonde,
barst los in helse liederen
en tracht door haat en nijd
het beeld van Satan te incorporeren.

Haar mond is vol van slangengif,
al te vaak fataal voor de Onschuld;

ze wil alleen maar roepen 'raka' (nietsnut).   [Mt 5,22]

God, die rechtvaardig zijt, hoe ver
is toch de mens van U afgedwaald;
Gij bemint hem, maar zijn mond
verkondigt vloek en vijandschap,
en wil de naaste slechts met voeten treden.
O, aan deze schuld kun je haast niet ontkomen.

 

 

3. Aria

Aria

Wie jammern mich doch die verkehrten Herzen,

die dir, mein Gott, so sehr zuwider sein:

Ich zittre recht und fühle tausend Schmerzen,

wenn sie sich nur an Rach und Haß erfreun.

Gerechter Gott, was magst du doch gedenken,

wenn sie allein mit rechten Satansränken

dein scharfes Strafgebot so frech verlacht!

Ach! ohne Zweifel hast du so gedacht:

Wie jammern mich doch die verkehrten Herzen! 

Wat lijd ik onder de perversie van die harten

die volkomen met U, mijn God, in strijd zijn:

ik sidder ervan en voel duizend smarten,
als ik zie hoe zij enkel warmlopen voor wraak en nijd.
Rechtvaardig God, wat bent u van plan
als zij door zich in duivelse bochten te wringen
Uw scherp en straffend gebod brutaal weglacht !

Ach, ongetwijfeld hebt U ook gedacht:
Wat lijd ik onder de perversie van die harten !

 

 

4. Recitativo

Recitatief

Wer sollte sich demnach

wohl hier zu leben wünschen,

wenn man nur Haß und Ungemach

vor seine Liebe sieht?

Doch, weil ich auch den Feind

wie meinen besten Freund

nach Gottes Vorschrift lieben soll,

so flieht

mein Herze Zorn und Groll

und wünscht allein bei Gott zu leben,

der selbst die Liebe heißt.

Ach! eintrachtvoller Geist,

wenn wird er dir doch nur

sein Himmelszion geben? 

Wie zou er hier dus

nog willen leven,
als men slechts haat en ongemak

voor zijn liefde terugkrijgt?
Maar, omdat ik ook mijn vijand

net zoals mijn beste vriend,
naar Gods gebod moet liefhebben

zo wijkt

uit mijn hart toorn en bitterheid

en wenst het alleen bij God te leven,
die zelf de Liefde heet (of beveelt).

O, geest van eendracht,
wanneer zal Hij u

Zijn hemels Sion schenken?

 

 

5. Aria

Aria

Mir ekelt mehr zu leben,

drum nimm mich, Jesu, hin.

Mir graut vor allen Sünden,

laß mich dies Wohnhaus finden,

wo selbst ich ruhig bin.

Ik walg ervan nog langer te leven,
neem mij daarom, Jezus, weg!
Ik gruw van alle zonden,
laat mij die woning vinden,
waar ik zelf tot rust kan komen.

 

 

 

Evangelielezing: Mattheüs 5: 17-37

[Jezus is de berg opgegaan om samen zijn discipelen te onderwijzen. Catechisatie dus, en wel over de 10 geboden, Als een echte Joodse rabbi]

 

Jezus is een radicale rabbi, schrijft collega Frans van Looveren in de toelichting. En hij slaat daarmee de nagel op de kop. het gaat Jezus om de radix, de wortel van het menselijk gedrag. Hij is op zoek waar het vandaan komt, het menselijk handelen, want alleen als je dat weet, door hebt, kun je er misschien enige invloed op uitoefenen. Anders loop je het risico te doen aan symptoombestrijding.

Waar zit die wortel ?

“Uit het hart zijn de uitgangen des levens”, zegt de spreukendichter (Spr 4, 23).

‘Je hart bepaalt de richting van je leven.’

Daar ligt dus de wortel van het menselijk gedrag, van zijn handelen.

En daarover werd er me wat afgedebatteerd tussen de gelovigen in zijn tijd, over goed en kwaad, recht en slecht, trouwens wanneer doen gelovigen dat niet. Op zoek naar wat ‘rechtvaardig is’.

 

En vaak: hete hoofden, koude harten.

Kijk daar heb je het al… Jezus doet daar dus niet aan mee.

 

Een vrouw is betrapt op overspel: Wat zegt de algemene regel? Stenigen. En dan zijn er mannen die bereid zijn om dat uit te voeren, want dat zegt het recht, dus dat is rechtvaardig. Jezus houdt niet van zulk soort rechtvaardigheid  (casuïstich), want het hart blijft koud.

Jezus zit anders in elkaar. Hij ziet het hart aan, van de vrouw en van de aanklagers en hij probeert in zijn ‘rechtspraak’ die harten te raken.  En dus komt met een originele vorm van rechtspraak, ‘betere gerechtigheid’: melior-optima  justitia

Niemand gaat onberoerd naar huis.  Afin u kent het verhaal. De stenen blijven liggen, het schaamrood staat op de kaken, en niet alleen bij de vrouw. Het hart is geraakt. Levens zijn beïnvloed, de koers van sommiger levens is bijgestuurd..

 

Eigenlijk doet Jezus in de bergrede iets soortgelijks, maar nu in de vorm van onderricht. Hij gaat op zoek naar ‘the heart of the matter’ Moord, diefstal, overspel… [de geboden]:  dat is slecht. Dat is toch duidelijk.

En als je dat dus niet doet, je daar verre van houdt, dan zit je goed. En als je dan de misdadigers straft – bring them to justice – dan is het recht geschied en alles weer in orde…

 

Nee, zegt Jezus, dat is veel te simpel. Je vergist je… (en dat heeft zo z'n gevolgen).

Je bent niet radicaal genoeg, je hebt de ‘wortel van dit handelen’ over het hoofd gezien. Jouw rechtspraak is veel te oppervlakkig, windowdressing, symptoombestrijding…

            Snap je het niet ?

Okay: word jij nooit boos, voel jij nooit de impuls om er eens op te slaan? Of heb jij dat nooit dat je op iemand neerkijkt en denkt: wat een dwaas, wat een nietsnut. Raka, raka. [= blijkbaar zeer algemeen bekend aramees scheldwoord = nietsnut]

Wel: daar begint het, in je hart. Daar loert het kwaad en wacht op z’n kans.

Bij de moordenaar is het jammerlijk geëscaleerd, maar denk niet dat het met hem te straffen weg is uit de samenleving.

De wortel van het kwaad zit veel dieper en is ook veel breder vertakt. Pestgedrag, afgunst, haat, verachting…. Daar begint het. Dat moet je aanpakken. Jezus is radicaal.

 

Daarom Wees alert… Ken jezelf !  Durf eerlijk in te zijn. Durf in je eigen hart te kijken, en niet alleen voor t slapen gaan. Doe je het niet, dan kom je jezelf straks nog vreselijk tegen.

 

En zo geeft ie nog een paar voorbeelden. Over ruzies, diefstal, zakelijke geschillen en overspel.

Ook bij die fenomenen gaat hij op zoek waar die vandaan komen, waar dat begint.

 

Echtbreuk, overspel: ook dat is een manifestatie van iets dat veel dieper zit, en al veel eerder is begonnen en dat je dus ook enkel recht kunt doen als je ook daarin ‘naar het hart van de zaak gaat’

Jezus kent de mens, hij weet wat voor vlees hij in de kuip heeft.

Zou het niet kunnen zijn, zegt hij, dat overspel begint bij de manier waarop je naar vrouwen kijkt ! Hoe je ze ziet !

Zie je ze als lustobjecten, wel ik voorspel je dat je onderuit zult gaan, of preciezer: je bent dan eigenlijk al onderuit gegaan. Uit het hart zijn de uitgangen des levens.

 

En al dat casuïstisch gepalaver over wanneer echtscheiden nog wel geoorloofd is en niet, dat is naast de kwestie. Trouw is trouw, en ontrouw heft dat op. Punt aan de lijn.

Ja maar de wet voorziet toch dat je rechtsgeldig kunt scheiden…

Zeker, maar je kunt die uitzonderingsartikelen niet gebruiken om je eigen handen in onschuld te wassen ! Dat is pas hypocriet.

Wij voelen dat misschien niet zo direct aan, maar Jezus neemt het hier resoluut op voor de vrouw, die in de oudheid quasi rechteloos was in dit soort zaken.

Beschamend is het bijv. wat de in de liberale school van Hillel allemaal wel niet als voldoende scheidingsgrond acceptabel werd geacht, zodat een man z’n vrouw kon wegsturen en een ander nemen.

En scherp ontmaskert hij dat in a man’s World de religieuze wet maar al te vaak dient om vrouwen klein te houden en de mannen een alibi te geven om hun gang te gaan.

 

Ik stop ermee, u hebt de boodschap wel begrepen en – hopelijk – ook dat Jezus de overdrijving niet schuwt, hyperbool, om de leerlingen ‘wakker te schudden’ …

Immers: het hart van de mens staat op het spel...

Daarbij komt het aan op echtheid, integriteit, eerlijkheid.

Laat uw ja ja zijn, en uw nee neen: wees betrouwbaar.

Ik weet niet of u het weet, maar in semitische talen (arabisch, hebreeuws) zijn waarheid en betrouwbaarheid quasi synoniem.In het Nederlands is daar onder invloed van de Statenvertaling een nieuw woord voor gesmeed: waarachtigheid.

Meer moet dat niet zijn !

 

Naar de cantate nu.

Daar is een probleem.

Dat staat altijd zo mooi op kerknet: "ds. Dick Wursten zal de spiritualiteit van de cantate verbinden met de evangelielezing.

Wel er is deze keer zo goed als geen verband. "

De scenarist, Georg Christian Lehms, heeft dit stuk heel anders gelezen dan ik.

 

Hij is vooral onder de indruk geraakt van de corruptie die de menselijke natuur blijkbaar heeft aangetast volgens deze woorden. Hoe pervers het menselijk hart eigenlijk wel niet is. Jezus legt het bloot in een pedagogisch-didactisch kader, maar Lehms maakt er het hoofdonderwerp van zijn meditatie van. En de kans is groot dat ook de predikant dat gedaan heeft, want zo werd er in dit tijd gepreekt.

 Het lijkt zelfs wel alsof Jezus’ psychologisch inzicht in de dubbelheid van menselijke intenties veel 18e eeuwse gelovigen is ontgaan. De ambiguïteit waar Jezus zo gevoelig voor was wordt ontdubbeld, de zielswereld dus gesimplifieerd.

Lehms verdeelt in de cantate – geheel tegen de teneur van Jezus rede in – de mensheid weer in ‘goeden en slechten’ en – fatale fout – natuurlijk is de gelovige de goeie en zijn de slechteriken ‘de anderen.’

 

Uit de Evangelielezing heeft hij vooral onthouden hoe klein en gemeen veel mensen zijn.

Beetje begrijpelijk, want de lezing was beperkt tot de verzen 20-26, waar het gaat over moord en doodslag, en andere menselijk geruzie. Men scheldt elkaar uit, en roept ‘Raka Raka’… Een aramees scheldwoord dat het tot in de Bijbeltekst en de cantate heeft gehouden. Nietsnut betekent het. Pesten, wraaknemen, ervan genieten als je de ander kunt vernederen, een hak zetten:  jammerlijk hoezeer dit de mens van alle tijden blijft kenmerken.

 

In zulke helse omstandigheden (gekrakeel), hoe kun je dan nog tot rust komen, hemelse rust, zielerust. Komt tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, ik zal u rust geven, rust voor uwe zielen, zegt Jezus. vergnügte Ruh, liefelijke zielelust…

 

De tegenstelling tussen die zo begeerde hemelse rust en het helse gekrakeel op aarde, beheerst de hele cantate…

De ziel wil wel hemelwaarsts streven maar die opvlucht wil niet echt gelukken.

 

Over de eerste aria zal ik aan het slot iets zeggen. Kort loop ik even de andere delen langs:

In het recitatief (nr 2) wordt de dramatisch slechte stand van zaken heel sec beschreven en door Bach even sec (secco) getoonzet, waarbij hij al op zeer expressieve wijze chromatiek gebruikt om dat in de verf te zetten. Het wringt aan alle kanten, dat voelt u wel.

 

Nr. 3, de tweede aria, is een heel vreemd stuk.

Een lange tekst voor een aria, waarbij het verdriet overweegt, Schmerzen, overweegt: ‘Wie jammern mich doch die verkehrten Herzen’ (hoe lijd ik toch onder al die geperverteerde harten ). Eerst wordt die zin in de mond gelegd van de gelovige, maar aan het eind komt ze terecht in de mond van God zelf, de rechtvaardige rechter.

Het is bevreemdende muziek, bijna modern, u zult het wel horen straks.

 

Er mist iets… En dat klopt: er is geen baslijn. Aria senza Violono; Tacet staat er in de partituur. De solist moet hier zingen zonder steun (geen fond).  Onder zich heeft hij enkel een groepje strijkers, maar daar heeft hij ook niet veel aan, want de chromatische voorslagen en de ditto harmonische voortschrijdingen zijn legio. Op dat strijkersweefsel heeft Bach dan een tweestemmige orgelpartij geschreven, eveneens vol slingerende chromatische bewegingen.

Muzikaal schildert Bach hier de tekst, niet alleen door bepaalde begrippen bijna letterlijk uit te beelden (bijv. de brutale lach – 2 regels voor de slotzin), maar vooral door dat onwezenlijke bevreemdende van het geheel:

Sommigen vinden teveel symboliek bij Bach, maar hier mag het zeker:

Als Bach de ‘Basso Continuo’ of in het Duits De Generalbass weglaat, wil hij daar iets mee zeggen. De generale bas is naar zijn eigen zeggen ‘het fundament van alle muziek’. Als hij die weglaat gaat het altijd over mensen die de vaste grond onder de voeten verloren zijn, dan wel die niet nodig hebben.

Hier is de boodschap duidelijk: hoezeer de ‘Satansränke’ zich ook vermenigvuldigen en de mensen in de greep houden, en God ook bijna machteloos lijkt, uiteindelijk zal blijken dat dit zonder fundament is, ‘Niets’ is: Nichtig. En ook tot niets zal worden.

Een orkestratiekeuze als geloofsbelijdenis.

 

De godvruchtige en deugdzame houding van de gelovige, hoezeer ook bemoeilijkt door hoe het op aarde toegaat wordt in recitatief 4 omgevormd tot een kreet van verlangen om door God thuisgehaald te worden, in zijn hemels koninkrijk, in Jeruzalem: Sion.

 

En zo culmineert de cantate in een jubelzang: de laatste aria: een echt triomflied waarin de gelovige een voorschot neemt op zijn thuiskomst bij God. Dit levert een wonderlijke spanning op tussen de letterlijke tekst en de sfeer van de muziek. De zin ‘mir ekelt mehr zu leben’… Ik walg ervan om nog verder te leven, wordt vrolijk en zonder verpinken gezongen, bijna dansend laat de gelovige deze door helse dampen onleefbaar geworden wereld achter zich en richt zijn blik omhoog.

Wij horen het niet, maar Bach laat de melodie hetzelfde doen: de vrolijk melodie die steeds weerkeert (ritornello) begint voor de zanger met een vermeerderde kwart (mir ekelt) : diabolus in musica, de tritonus. Hij springt er vrolijk overheen, want hij klimt naar Jezus op… en daar vindt hij dan eindelijk de rust, de rust voor de ziel, vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust.

De cirkel is rond: de zielerust waar de gelovige zo hartstochtelijk naar verlangt (1) is gevonden in Gods huis, bij God thuis.

cid:image001.jpg@01CF2037.86C23B80

 

Tenslotte: U weet misschien dat de Nederlandse auteur, Maarten ’t Hart, een echte Bach-fan is. In zijn boekje over Bach vertelt hij hoe hij deze cantate ontdekte. Het was de derde in zijn leven..

(we schrijven de jaren 1960)

In de etalage van een platenwinkel zag ik een afgeprijsde Archiv-opname. Ik had geen geld bij me, ging desondanks de winkel binnen en vroeg of ik er een stukje van mocht beluisteren. In zo’n claustrofobisch hokje hoorde ik toen uit de luidsprekertjes die in het plafond gemonteerd zaten de openingsmaten van cantate 170. Ik zal het nooit vergeten. Alsof de muziek rechtstreeks uit de hemel kwam. Zwaar aangedaan stapte ik het hokje uit. Amper tot spreken in staat en hevig slikkend, mompelde ik: ‘Ik zou deze opname graag meenemen maar ik heb helaas geen geld.’ De winkelier keek mij vorsend aan, zei: ‘Neem maar mee’.

 

Nu is Maarten ‘t hart wat Bach betreft overgevoelig, maar deze keer overdrijft hij niet. We kunnen Bach’s glimlach bijna voelen als hij deze muzieknoten opschrijft: een muzikale verbeelding van de ‘Himmelseintracht’, de hemelse harmonie.  Het warme timbre van hobo en strijkers in dat rustig wiegende ritme roept een gevoel op van vrede en verlangen: Vergnügte Ruh, beliebte Seelenrust.

 

Als u mij belooft dat u over de catechismusles van Jezus thuis zult nadenken, dan geef ik u nu verlof om lekker weg te dromen met deze cantate.

 

 

 

 

 

 

This site was last updated
 april, 2014