Preek over de onvruchtbare vijgeboom in de wijngaard

Lukas 13:6-9 (Antwerpen, 2004)

 ‘Hak hem om !’ –  ‘Laat  hem nog dit jaar staan’ –  ‘Misschien …’

 een vijgeboom temidden van de druivelaars

Met een zekere argeloosheid beginnen we deze gelijkenis te lezen. Iemand bezat een vijgeboom, die in zijn wijngaard was geplant. Wie die ‘iemand’ is en waarom hij een vijgeboom in een wijngaard heeft geplant, wordt niet gezegd. Nu is het op zich niet zo vreemd: Vijgebo­men in wijngaarden komen wel vaker voor. Ze dienen soms ter onder­steuning van de ranken van de wijnstok of wat schaduw te geven aan de wijngaardenier als die op het heetst van de dag eens wat wil rusten. Maar dan moeten ze nauurlijk wel vrucht dragen. En dat hoeft natuurlijk niet meteen. De natuur heeft tijd nodig. Volgens Leviticus (19:23-25) moet je een pas geplante boom de eerste drie jaar met rust laten… Hij moet goed wortel schieten, stevig verankerd zijn in de grond en tegelijk bovengronds zijn eigen vorm zoeken, uitstoelen… Drie jaar mag een boom egoïstisch zijn. In het vierde jaar mag je dan voor het eerst gaan kijken of er vruchten zijn… Als ze er zijn dan moet je ze als alle eerstelingen niet – heb-heb / pak-pak – voor jezelf houden en opeten, neen: je moet ze heiligen voor de Heer, d.w.z. aparthouden voor God, opzijleggen als  eerstelingsoffers, gaven der dankzegging (eucharisteia). 

De heer van wijngaard zoekt nu echter al drie jaar tevergeefs naar vruchten aan de boom. We nemen maar aan dat de eigenaar de wet kent en de natuur respecteert. Dat wil zeggen dat we nu al in het 6de jaar van de boom zijn dus. En dan begint het wel een ergerlijke toestand te worden daar in de wijngaard, rond de vijgeboom. De druiven doen het prima, stel ik me zo voor, ze kunnen mooi geleid worden.. en alle ruimte gebruiken… maar die boom staat daar maar : al 6 scheppingsjaren lang, géén vrucht te bekennen: ‘t is een boom van niets, een nihilistische boom. Hij rechtvaardigt zijn bijzondere positie in de wijngaard in genen dele. Zijn enige werkzaamheid is: de grond nutteloos be­slaan, 6 scheppingsjaren lang, 6 jaar enkel met zichzelf bezig. En aan het eind van het 6de jaar komt de eigenaar weer langs, èn hij kijkt nog eens onder en boven, links en rechts en nog steeds geen vrucht te bekennen aan de boom. Lóóf genoeg, schaduw genoeg, maar geen vijg. Hij is het zat. Hij richt zich tot de wijngaardenier en zegt:

 Zie, het is nu al drie jaar, dat ik vrucht aan deze vijgeboom kom zoeken en ik vind ze niet. Hak hem om! Waarom zou hij de grond nutteloos beslaan?

Het werkwoord (katargeo) dat hier gebruikt wordt betekent zoiets als ‘leeg’, ‘ijdel’ nutteloos,  met als bijbetekenis: op kosten van of ten koste van anderen. uitzuigen, de aarde van haar kracht beroven. De NBV vertaalt omschrijvend: dient tot niets en put alleen de grond uit.  

Hak hem om !

Een logische conclusie. Geen speld tussen te krijgen. De passiviteit van de vijgeboom is een belediging voor de goede aarde die hij in beslag neemt, uitput enkel en alleen voor zichzelf. Al drie jaar lang stelt hij het geduld van de Heer op de proef… Hak hem om !  

Laat hem staan !
Maar dan is daar opeens een tegenstem (antifoon). De wijngaardenier, de tuinman  doet zijn mond open en spreekt de eigenaar tegen. Het gaat om de toekomst van de boom: dood of leven, alles of niets… Het lijkt wel of wijngaardenier verknocht is geraakt aan de vijgeboom in zijn wijngaar­d. Wat hij voorstelt is vol­strekt ongebruikelijk, belachelijk eigenlijk: Hij wil de vijgeboom niet alleen nog een jaartje gunnen, maar hem ook een speciale behandeling geven… Heer, laat hem nog dit jaar staan, ik zal er eerst nog eens omheen graven en er mest bij brengen....Ongehoord, dat iemand dat wil doen voor een vijgeboom in een wijngaard !

 Zie hem daar staan: die al jarenlange vruchteloos groeiende vijgeboom.
Zie hem daar staan: tussen de eigenaar en de wijngaardenier,

Hak hem om!
zegt de één,
Laat hem nog dit jaar staan!
zegt de ander,
Zie hem daar staan: tussen gericht en genade.

 

tweeërlei logica

Voor we verder gaan laten we eerst nog eens inzoomen op de beide protagonisten. Ze hebben namelijk elk hun eigen logica. En beider logica klopt.

1. De eigenaar is de bedrijfsleider, hij exploiteert de wijn­gaard met verstand, rekent en denkt vooruit. De grond moet worden benut met overleg. Hij is geen dromer, hij neemt de werkelijkheid zoals die is: er moet worden ge­leefd, kosten mogen worden gemaakt, maar moeten worden gedekt. Zijn gezin en dat van de wijngaardenier moeten er van kunnen bestaan. Dat stuk grond, dat de vijgeboom beslaat, levert al jarenlang niets op. Hak hem om !

2. De wijngaardenier is de man, die dagelijks in het bedrijf werkt, in de aarde graaft, plant, snoeit en bemest. Hij staat veel dichter bij de grond en het gewas dan de eigenaar. Hij leeft mee met het levende en heeft er zich aan ge­hecht. Wie in een hof werkt, krijgt iets van de hof in zijn ziel. Niet enkel zijn ge­zicht draagt het merk van zon en regen, hij verwortelt mee met zijn planten. En de hof krijgt ook iets van die mens. De akker, de wijngaard worden een stuk van hem, die ze bewerkt… Dat de planten om water vragen is niet zomaar een toevallige beeldspraak.

Daarom, als de eigenaar bij zijn jaarlijkse, nuchtere rondgang door de tuin heeft gedaan en gesproken heeft over het direct waarneembare “nut”, kàn de wijngaardenier zich niet terstond gewonnen geven aan het gebod: hak hem om !

Hij kan niet zeggen: okay, afgelopen met die boom! Er uit ! Hij snapt de logica van de eigenaar wel, maar hij heeft een andere in zijn hoofd, in zijn hart, in zijn handen. In zijn logica is dit vonnis tòch niet rechtvaardig. Het zou een streep halen door 6 jaar werk, 6 jaar groei. Dit verdict zou zijn investering in de vijgeboom te niet doen. Zijn aandacht, zijn en geduld, misschien zijn verknochtheid aan die boom daar in de hof..: dat is er toch ook nog. dat moet toch ook meetellen.dat zou in één klap als over­bodig, zinloos worden weggevaagd. Daarom dat hij – ook al is hij maar een knecht – niet anders kan dan pleiten voor de boom, zijn boom… pleiten bij de Heer:.Geef hem nog een kans. Om­hakken kan altijd nog, maar herplanten niet ! weg is weg.  Misschien… dat er in het komende jaar vruchten gevonden kunnen worden… Misschien .

 Wat wil dit toch beduiden ?

Beide stemmen zijn de uitdrukking van twee grondposities om naar het leven te kijken, twee gedachtengangen, die allebei kloppen en die ook allebei ergens met God te maken hebben.. èn die dus ook het optreden van Jezus be­heersen: de stem van het recht (oordeel), en de stem van de liefde (genade). En beide stemmen hebben hun eigen logica… en hun eigen gelijk. En enkel als we ze samen horen, polyfoon / tweespraak (duet, bicinium) doen ze de werkelijkheid recht. 

Vaak doet men dat niet.

Vaak worden deze stemmen namelijk gescheiden en in oppositie tegenover elkaar geplaatst: De stem van de eigenaar is dan de HEERE God, die streng is maar rechtvaardig. En de wijngaardenier belichaamt met zijn pleidooi de Zoon, die het om ons behoud te doen is en die genadig is. En dan wordt het kiezen of delen. Wie zal het halen: de strenge eigenaar of de zachtaardige wijngaardenier (waarbij als de één wint, de ander bakzeil haalt). Dat is een heldere uitleg, maar een gevaarlijke. Want voor je er op bedacht bent stel je recht en genade tegenover elkaar, zwart-wit is. Dat is echer niet erg christelijk. - lezing Deut 6: wij geloven met Israel in één zeer rijke God (Sjema Jisrael, de heer is onze God. Hij is één). niet in een gespleten godheid. Neen één God, wiens rechtvaardigheid barmhartig is en wiens genade een opperste vorm van ‘recht’ doen is. Dus niet zo van : nu eens rechtvaardig, dan weer barmhartig.  Dat zou een willekeurige God zijn.

- Daarmee speel je ook het oude testament tegen het nieuwe uit, alsof God in het oude enkel oordeel en gericht kent en als het nieuwe testament alleen maar fijn en lief is.
- Ik en de Vader zijn één, zegt Jezus Dat is ook de strekking van het dogma der kerk: Volgens de leer der drie-eenheid mag je Vader en Zoon nooìt tegen elkaar uitspelen alsof de één God is en de ander niet. Je mag ze wel onderscheiden, maar niet ‘scheiden’ …
In Gods wezen zijn eigenaar en wijngaardenier één. Het is m.a.w. God zelf in wiens hart de pleitrede van de wijngaardenier zich doet horen en het is in Gods hart dat het uitstel wordt bepleit.
De twee stemmen zijn samen de prediking aangaande God en zijn Koninkrijk.. De gelijkenis  is wat dat betreft eigenlijk zeer duidelijk. Ze kiest geen partij,  ze heeft een open einde… want het gesprek is nog niet afgelopen. Het zal volgend jaar worden voortgezet Geef de boom nog een jaar… Misschien… zal ze dan vruchtdragen.

Enkel als je de dynamiek van de gelijkenis laat staan, als ze in gesprek zijn èn blijven, een open einde, dan kun je Heer en knecht tegenover elkaar zetten (als woord en antwoord: for the sake of the argument). Dan roepen de onderscheiden namelijk een wezenlijke spanning op die ons bestaan kenmerkt, dan legt dit gesprek een eigenaardigheid bloot die ook ons bestaan doortrekt….

toegepast op God

In onze dagelijkse beleving vallen recht en genade gemakkelijk uiteen. Dan verhardt het recht tot het beeld van een toornende eigenaar, die niets doet dan vrucht zoeken, en bij ontsten­tenis daarvan veroordeelt. En tegelijk verdampt dan de genade tot een vage toegeeflijkheid die nooit-beslissend spreekt…  Recht is hard en genade is zwak. Maar zo simpel is het dus niet. Bij God niet, Bij Jezus niet, bij ons niet. Goed ‘recht’ is tegelijk ‘genadig’ en echte genade maakt niet zwak, maar sterk. Beide, zowel de eigenaar als de wijngaardenier delen dezelfde zorg: namelijk: zal de vijgeboom vruchten voortbrengen? Dat is de vraag van het recht: daarvoor is hij er immers geplant… Maar dat is ook de vraag van genade… Zal de vijgeboom tot z’n recht komen ?

De eigenaar is niet hard en gevoelloos: Hij is geduldig èn genadig àl 3 jaar lang. En de wijngaardenier is niet flauw, sentimenteel. Hij deelt de zorg. Zal de boom wel ooit vruchten dragen ?  

Er kwam een man van Godswege, Johannes was zijn naam en hij zei: (Luk 3: 9) Zie de bijl ligt aan de wortel der bomen. Iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.. En toen kwam er nog een man Godswege, Jezus was zijn naam en hij zag de bijl wel liggen aan de wortel van de boom, die Johannes de Doper daar klaargelged heeft. Hij weet ook wel dat het terecht is. De mensen blinken niet uit in het voortbrengen van goede vruchten…  Maar hij trekt zich die vruchteloosheid van het menselijk bestaan zo aan, dat hij zich het niet over z’n hart kan verkrijgen om het te doen. Hij vereenzelvigt zich met ons soms zo trieste lot… , vruchteloos leven, nutteloos…. Hij hoort het zuchten der schepping erin, om de openbaarwording van Gods kinderen, Hij ziet: alles is aan de vruchteloosheid onderworpen…. en hij lijdt eronder.

Het vergaat Jezus (God) net zo als de wijngaardenier met die onvruchtbare vijgeboom. Hoe vruchteloos ook, ondanks alles is die mensheid hem dierbaar geworden. En Hij pleit voor ons, zoals de wijngaardeier voor de onvruchtbare vijgeboom. Waarom ? Omdat hij vergroeid is met die boom, omdat God verknocht is aan ons mensen. Omdat hij – ja het grote woord moet er uit – omdat Hij ons liefheeft – zomaar, uit genade – en onze ondergang ergens óók de zijne zou zijn.

En wij ?

Als wij onze bestemming missen ziet God zijn schepping verloren gaan.  Dan zou het juk der vergeefsheid doorwegen tot in eeuwigheid en de duivel in z‘n vuistje lachen. God heeft zijn eer verpand aan onze redding. Zijn zorg is dat wij vruchten voortbrengen die bij ons passen: vijgen aan de vijgeboom, vruchten die aan de bekering beantwoorden, zoals Johannes het noemt. En over bekering had Jezus het ook voor hij aan deze gelijkenis begon… 

Bekering ? wat is dat ?

Wel dat kan ik u niet zeggen. Dat moet u zelf uitmaken. U weet waar u zich nu toe-keert, waar u zich van zou moeten af-keren en waartoe u zich zou kunnen om-keren. Dat wéét u in uw geweten, vóór en met God. Ik weet daar niets van. Ik kan vanuit deze gelijkenis slechts zeggen: De vijgeboom was geheel in zichzelf gekeerd. Bekering zijn: ophouden met groeien enkel in functie van het eigen ik.

Zou zou bekering zijn: de grond waarop je mag staan, de levenskracht die je mag putten uit Gods goede aarde, niet langer enkel opzuigen voor jezelf alleen, maar ook voor de Heer: vrucht dragen. Een boom ‘geheel in zichzelf gekeerd’, autonoom bestaand in Gods wijngaard: Dat levert misschien wel veel lóóf op, indrukwekkende takken misschien, en veel schaduw… maar geen vruchten.

En - after all - wat moet je nou met vijgebladeren? Ze zijn – in de bijbel – enkel goed om aan elkaar te knopen als een schamel gewaad op het ogenbik dat je aan jezelf ontdekt wordt. 

Om vruchten gaat het: dat je wordt wie je bent, dat je tot je recht komt omdat er uit jou komt wat er in zit.

Wie weet, als het nu nog niet is… volgend jaar, misschien.  Amen.

 

lijst met preken