Meditatie/beschouwing n.a.v.
Jesaja 55
O, alle dorstigen, komt tot
de wateren,
en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet;
ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk.
THEMA: Wat 'rest' er ons nog na
de dood van God?
- Over de 'de dorstige ziel van de mens', de implosie van het
symbolisch universum en de rest die achterblijft?
Dingen en gebeurtenissen geven we een plaats in ons
leven door ze een zekere betekenis te verlenen… meestal gaat
dat onbewust, want die betekenis hangt samen met de manier waarop je
in het leven staat, met het wereldbeeld dat je je hebt eigen
gemaakt, en met je geloofsovertuigingen. We zijn er ons vaak
nauwelijks van bewust, dat die betekenis tamelijk subjectief
is, tot we iemand tegenkomen die een totaal ander wereldbeeld heeft
en de dingen een heel andere betekenis verleent (of geen) dan wij.
bijv.
- Zo is een koe in India iets anders dan een koe
hier… als u begrijpt wat ik bedoel.
- Krijg ik een ongeluk, dat ik overleef…. dan zal de
betekenis van dat gebeuren afhangen van mijn wereldbeeld.
* Speelt God daarin een hoofdrol: dan:
dankbaarheid.. of vraag: wat wil dit beduiden (teken)?
* Ben ik meer een rationalist, dan is het toeval,
hoogstens geluk.
* Was ik echter een Afrikaan, vroeg ik me misschien
wel af: wie heeft een ‘spell’ (magische toverspreuk) over mij heeft
uitgesproken.
Dat als voorbeeld (van betekenisverlening vanuit
wereldbeeld)
Eén van de uitdagingen van onze tijd is
ongetwijfeld, dat we ons wereldbeeld niet meer automatisch delen met
onze buurman. Dat we in een multi-culturele samenleving leven,
betekent ook een gelijktijdigheid van verschillende wereldbeelden
(incl. betekenisverlening) naast elkaar. Wat voor de een betekenis
heeft, heeft dat voor een ander niet. Dat maakt veel mensen onzeker.
Als die betekenis die ik eraan verleen niet objectief is, is ze dan
wel waar, is ze dan wel geldig?
Daarnaast zijn veel dingen die vroeger een
bijzondere betekenis hadden hun betekenis kwijtgeraakt. De wereld is
onttoverd zegt men dan wel eens. Het mysterie, de verwijzende
kracht van de dingen is weg.
Verkondigde vroeger “het ruime hemelrond Gods eer en
majesteit” (ps 19) en schreef het schrijverke op het water de
lof van de naam van God (Gezelle), tegenwoordig is het heelal leeg
en het schrijverke gewoon een insect. Verwetenschappelijking,
vertechnisering, instrumentalisering impliceert: betekenisverlies…
of herleiding tot een zeer éénvormige (en erg partiële) betekenis,
tegenwoordig vaak de economische betekenis...
Ik noem maar weer wat voorbeelden:
- Bepaalde dieren zijn productiemiddelen van voedsel
en zo worden ze dan ook behandeld…
- Bossen zijn voorraden hout…
- Olielagen dienen aangeboord… en geëxploiteerd
- Zelfs mensen moeten er aan geloven… Ook zij zijn
productiemiddelen, die binnen een winstmaximalisatie toegevoegd of
geschrapt worden
Natuurlijk weten we allemaal dat hier iets niet
klopt, en zeker als zoiets van dichtbij meemaken, zelf het
slachtoffer zijn, of er gaat iets mis… dan voelen we dat er een
onrecht geschied, iets fundamenteel fout zit…, maar hoe kun je je er
tegen verzetten en wŕt klopt er nu niet precies? We roepen soms wel
hard ertegen in, en soms erg ongenuanceerd, maar waarom en hoe
precies: we kunnen het zelf ook nauwelijks nog onder woorden
brengen.
We kunnen a.h.w. onze vinger er niet achter krijgen.
In één zin: ons symbolisch universum is
ingestort of kraakt in z’n voegen.
= geheel van denkbeelden, overtuigingen en
geloofsvoorstellingen dat er voor zorgt dat de dingen een beetje
‘kloppen’ in je leven, dat de dingen op ‘hun plaats’ vallen, zodat
je zegt: ah, ja, zo is het, en zo is het goed (ontologisch oordeel =
over het wezen der dingen).
Terzake !
God was een voornaam onderdeel van het
symbolisch universum, zeg maar tot het midden van de vorige
eeuw. Men kon wel twisten over de precieze betekenis van God daarin,
maar dŕt Hij er deel van uitmaakte en zelfs een bepalend,
beslissend deel, daarover was iedereen het eens… Hij was zelfs de
betekenisverlener bij uitstek. Het verbindend principe in
onze wereld. Als Schepper en Onderhouder hield hij alles bij elkaar.
Ons geloof kon wel eens onder druk staan, je zag het
misschien niet en ervoer het wel eens anders: maar toch klopte
het. Het moest wel kloppen: Gods voorzienigheid zou uiteindelijk
sterker blijken te zijn dan onze chaos.
Zo stonden wij zelf en de wereld om ons heen in een
zinvol verband omdat alles niet alleen maar was zoals het
zich aan ons voordeed, maar ook omdat het zich verhield tot
God en die garandeerde iedereen en alles een plaats. “Alles sal reg
kom”. Gods oordeel, hetzij tussentijds het zij als laatste oordeel
zou alles onthullen, rechtvaardigen ook.
Alle waarden, normen, ideeën, symbolen, rites…..
heel onze wereldbeschouwing dus inclusief ons zelf-bewustzijn werden
getekend door de aanwezigheid van God, ergens daarin.
Het afscheid van God in onze westerse cultuur
betekent dus dat er een totaal nieuwe definitie van de wereld nodig
is čn van onszelf en van onze plaats daarin…
En – hier ligt dan de uitdaging aan de kerk – een
letterlijke herhaling van het oude wereldbeeld communiceert
niet meer met de geseculariseerde mens, die wij trouwens zelf ook
voor een stuk zijn.
Het gevoel van stuurloosheid, desoriëntatie dat in
onze samenleving heerst, waar velen onder lijden, gaat diep: te diep
om te counteren met… het een beetje aanpassen van onze taal
aanpassen (wat vlotter), wat multimedia erbij en een paar
massa-bijeenkomsten…. En dan is het weer gefikst symbolisch
universum gered.
Forget it. De crisis van
het geloof gaat – naar mijn gevoel – dieper. De grondslagen van dat
symbolisch universum, dat wereldbeeld met God aan de top en als
basis zijn aangetast, óók bij hen die vaak nog wel in Hem proberen
te geloven…
Je ziet het waardeverlies om je heen, je voelt hoe
de dingen hun betekenis verliezen, je merkt hoe kostbare dingen,
delicate processen in de natuur en tussen mensen verstoord worden….
En je wilt het wel een halt toeroepen, maar weet
niet precies hoe. Je staat machteloos.
… juist omdat je er zelf ook diep in zit en het
in jezelf zit.
Deze condition humaine, deze eigentijdse
variant van het menselijke tekort … wil ik – bij wijze van
experiment – eens als achtergrond plaatsen achter de lezing uit
Jesaja 55. Kijken wat deze profetie dan zegt.
Ik zie nl. overeenkomsten genoeg tussen de
achtergrond van Jesaja 55 en onze tijd.
Jesaja 55 veronderstelt namelijk de babylonische
ballingschap… Naast de Uittocht (exodus) is de
ballingschapservaring (exil) een momentum geweest in
Israels geschiedenis. Daarna is het nooit meer geworden als
daarvoor. Het tij is dan definitief gekeerd.
De wegvoering in ballingschap, gepaard gaande met de
verwoesting van de tempel, markeert voor Israel het moment dat al
het vanzelfsprekende omtrent God, geloof en eredienst plots weg is:
ja het hele leven, het hele bestaan is onzeker geworden.
En de vraag dringt zich op, dwingend: Gaat het ooit
nog wel weer goed komen? Is het niet definitief voorbij wat er was
met God, met Israel, met het huis van David, met de wet…
Bij ballingschap hoort dus een gevoel van
verlorenheid… Eens was het er, maar nu zijn we het kwijt… Ook
een gevoel van te laat: voorbij, oh, voorgoed voorbij... en toen we
het hadden, toen hebben we het niet genoeg geacht… We hebben het
goede leven verspeeld.
Verlorenheid, verbannen, moeten leven in den
vreemde, vervreemding.
vreemdeling in een vreemd land: uit-landig: ellendig
voelen ze zich:
Bij babels stromen zaten wij
en wij weende als wij aan Sion dachten…
Vindt u niet, dat dat lijkt op onze tijd, op onze
situatie, ik bedoel dan op het nivo van het ‘gevoel’. We herinneren
ons ook dat het ooit anders was, dat er ooit een leven is geweest,
waarin ‘God’ geregeld ter sprake kwam, vanzelfsprekend was… (je ziet
het als je oude kerken bezoekt, je voelt het a.h.w.) en het werkte
toen blijkbaar: de dingen vielen op hun plaats…. Maar die tijd is
voorbij. Ligt achter ons. Je kunt er niet naar terug.
Nostalgie… zal dat het dan zijn ? A
la recherche du temps perdu:
verleden tijd, verloren tijd !
Neen, dat is naast de kwestie. Vroeger komt nooit
weer, en – het spijt me – vroeger was het óók niet goed. We moeten
ons dus niet laten leiden door heimwee, honger en dorst naar
vroeger…
maar de honger en dorst zelf moeten we ons niet
laten afnemen.
Mijn ziel dorst naar de levende God
(ps. 42)
Zoals een hert reikhalst naar
levend water… vol verlangen….
De profeet gaat er van uit dat die dorst ook
onderdeel is van de condition humaine, dat er altijd een
‘verlangen’ blijft naar God, naar ‘recht’, naar ‘de dag dat wij in
God verenigd en voltooid zijn…’ een dorst dus naar
vervulling, voltooiing, betekenis, heelheid ook in tijden van
ballingschap en vervreemding (juěst dan).
En daar haakt hij dan ook op in:
O, alle dorstigen, komt tot de wateren,
en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet;
ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en
melk.
Wijn en melk.. geestelijk natuurlijk: dorstlessers
voor de ziel…
Maar de profeet is niet de enige die iets in de
aanbieding heeft.
Op de markt van het verlangen is het druk.
Talloze verkopers zijn daar, ook toen al.
De oude God mag dan ‘dood verklaard’ zijn dat wil
nog niet zeggen dat de mensen zomaar met ‘het gat’ dat God
achterlaat kunnen leven. Integendeel: de meeste mensen zijn er bang
van, van de leegte die God heeft achtergelaten.
Zij zoeken bezweerders van de leegte:
horror vacui.
Juist daarom is het geweldig druk op die markt…
De marktleider bij uitstek is hij die zegt: och –
trek het je niet aan – gewoon doorgaan: produceren, consumeren tot
je er bij neervalt… en dan kom je best je tijd door…
En… verveel je even čn dringen ernstige gedachten
tot je door: hier is het ene genotsartikel na het ander: Alles is te
koop, als je maar geld hebt natuurlijk… En zo rol je van de ene kick
in de ander… Geweldige verlangensmachines zijn het, die onze
westerse samenleving beheersen: En zo wordt ons begeren aangejaagd,
tot we er bij neervallen… want uiteindelijk is het toch nooit genoeg
om de stille stem in ’t hart tot zwijgen te brengen… de
stille stem, die zegt, dat het toch eigenlijk anders zou moeten.
Jesaja begint dan ook met het aan de kaak stellen
van die kooplieden. Als je hun producten koopt, zal je altijd op je
honger blijven zitten, want dat is geen voedsel voor de ziel… :
Waarom weegt gij geld af voor wat geen brood is
en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan?
Hoort aandachtig naar Mij,
opdat gij het goede eet
en uw ziel zich in overvloed verlustige
Neigt uw oor en komt tot Mij;
hoort, opdat uw ziel leve;
hoort u het: opdat uw ziel leven… of, opdat je
echt leeft…
Alles wat er op de markt geboden wordt aan
vervulling… is leeg, het laat je op je honger zittten: het vult niet
echt, het brengt geen echte voldoening.
Je kunt er de hele wereld mee winnen, maar je leidt
schade aan je ziel…
Jesaja biedt het omgekeerde aan: Wat het in de
wereld waard is, weet ik niet. Niets waarschijnlijk: maar uw ziel
zal zich kunnen verlustigen in wat ‘ik u aanbied’…
t Wordt spannend: welke spijs en drank mag dat dan
wel zijn, die voor geen geld te koop en toch zomaar geschonken
wordt??
Wel: we lezen verder: het is gewoon de aloude
belofte: Ik sluit met jullie een verbond, voor eeuwig, ik
bevestig mijn weldaden aan David…
Wat een afknapper, moeten de ballingen gedacht
hebben. De profeet is een dromer, de zoveelste: praatjes voor de
vaak. Dat verbond is toch juist kapot, en weldaden bewezan aan
Davids huis? Ja vroeger, maar nu niet meer.
De tempel is verwoest (einde verbond), de troon van
David is leeg en de laatste telg uit het geslacht van de laatste
koning is dood.
Was dat niet juist onze ballingschap, is dat niet
juist onze ellende. Daarom hangt de lier aan de wilgen, en kunnen
wij geen lied meer over onze lippen krijgen.
Ik stel me zo voor dat de mensen op de markt
afdruipen… teleurgesteld: ons eerst warm maken dat hij voedsel voor
onze zielen heeft, en dan toch weer afkomen met het oude liedje.
Of lezen we nu te snel. Is het het oude liedje wel?
De profeet van Jesaja 55 is ook de man die over de
verborgenheid Gods heeft gesproken, over Godsverduistering
zelfs… Dus hij kletst niet uit z’n nek. En nog maar twee
hoofdstukken geleden riep hij het schokkende beeld op van een
godsgezant aan wie geen gestalte of luister was, een lijdende
knecht, die Gods verkoren was… God in ons midden, maar dan gans
anders.
’t Is even omdenken, inderdaad met deze profeet:
Zoek dan de
Here terwijl Hij zich laat vinden….
Is God niet te vinden? Of zoeken wij verkeerd?
Is Hij er misschien wel, maar zien wij hem niet?
Zijn wij misschien zozeer opgeslorpt door het
uitwendig leven, dat we geen innerlijk oog meer hebben.
Zoekt de Here
terwijl Hij zich laat vinden, roept Hem aan terwijl Hij nabij is..
Zoeken en vinden heeft met oriëntatie te maken:
als je in de verkeerde richting zoekt vind je nooit
iets.
Als je de
Heer kwijt bent, en je wilt hem terug, dan zul je dus met
een her-oriëntatie moeten beginnen: met om-denken, anders gaan
leven: ommekeer, terugkeer naar de bron … (vs. 7)
Roep Hem aan, terwijl hij nabij is… roep hem aan:
Here:
De godsnaam, ik ben zoals ik er zal zijn… anders niet.
En zoals ik er zal zijn, is niet per se zo zoals ik
er was.
Durf om te denken…
Werp je netten eens uit aan de andere kant…
Zoekt de HERE terwijl Hij zich laat vinden, roept
Hem aan terwijl Hij nabij is..
Want Gods gedachten zijn niet onze gedachten… zijn
wegen zijn niet de onze. Zij gaan hoger, verder, dieper,
het is er mee zoals met de regen die het land bevochtigt... het
trekt de bodem in… heel diep čn dan begint het te kiemen, het zaad
in de aarde, en het groeit op en draagt vrucht. Je ziet het niet,
zeker niet in de winter, het is een proces, verborgen voor onze
ogen… maar alleen zo is er leven. Gods gedachten, Gods wegen… alzo
werkt ook Gods woord... en het keert niet ledig weer… het zal vrucht
dragen… [zo eindigt dan ook dit hoofdstuk met nieuwe groei.]
Terug nu naar onze zoektocht:
Ons symbolisch universum is ingestort en kan
niet zomaar gerestaureerd worden. En de gevolgen zijn navenant.
Geestelijk, moreel, maatschappelijk… Wat te doen ? (wat zegt
Jesaja). De lier aan de wilgen hangen ? Het hoofd in de schoot ?
Neen.
- Eerst een waarschuwing: je energie niet verspillen
aan valse goden, snelle uitwegen… Die laten je op je honger zitten.
Laat je niet paaien door de goden dezer eeuw, noch door
materialistisch hedonistische… noch door allerlei spirituele
varianten daarvan die je aftrekken van je eigenlijk bestemming en
roeping als mens. Ze beloven de hemel op aarde, maar ze laten je
leeg achter. Ze schaden je ziel.
- Zoek opnieuw de oude God. Hij is er, zegt
de profeet… maar je moet hem actief zoeken… terwijl Hij zich
laat vinden… Je moet hem er bij roepen, terwijl Hij nabij is…
En dan alert zijn, open ogen: Hij is er, zal er zijn, op zijn
manier. Hij laat zich niet zomaar uit onze wereld wegwerken… Er
moeten sporen van hem zijn… Zoek ze, spoor ze op..
Zoek Hem. Hij laat zich vinden… ook in de
ballingschap.
Hij zal niet meer – nooit meer – zo massief aanwezig
zijn als vroeger, zo vanzelfsprekend overal….
Het zal veel meer zijn : zo her en der, soms even:
dat je tegen elkaar zegt: ‘dat was Hij weer’:
tekenen, signalen, sporen van God… overal waar het
leven opbloeit, mensen opstaan, pijn verdragen wordt, gebrokenheid
geheeld… waar je plots verwonderd staat en niets anders kunt zeggen
dan: dank U.
Zoek hem, terwijl Hij zich vinden laat… roep Hem
aan, terwijl hij nabij is.
En nu zie ik opeens onze Heer
Jezus Christus bij het grote watervat in de voorhof van de tempel
zitten (we hebben het gelezen). Het feest is voorbij… En hij
mediteert – ik weet het bijna zeker – over deze profetie van Jesaja.
En hij vraagt zich af, hoe zijn weg dan zal gaan, welke gedachten
Hij over zijn God moet koesteren… Hoe het verder moet met dat
eeuwige verbond tussen God en het huis van David.
Hij voelt het verlangen van het
volk naar een nieuwe manifestatie van de aloude God… Hoe kan hij die
diepe dorst van zijn volk lessen. En Hij beseft meer en meer
dat Hij daarvoor zijn hele leven in de waagschaal moest werpen… Hij
moet laten zien, hoe je het dan doet, leven in een gebroken wereld…
Hij moet dan maar aan den lijve zelf ondergaan hoe het is om van God
verlaten te zijn. Hij moet zichzelf dan maar geven, totaal… met
lichaam en ziel.
En dan staat hij op en spreekt
met luider stem (aldus Johannes de evangelist):
Indien iemand dorst heeft…
hij kom tot MIJ en drinke…
Stromen van levend water
zullen uit zijn binnenste vloeien
Johannes die dit woord
overlevert verklaart: Dit zei hij doelend op de Geest
amen.