preeklijst

Psalm 88
Van Heman, de vloekende Zerachiet

[met dank aan Karel Deurloo, Een kind mag in het midden staan (1982); Van hem ook de parafrase hieronder. De inventie is gebaseerd op de aanduiding van de dichter (Heman) als een 'Ezrachiet'. Heman komt in de bijbel verschillende keren voor. Een keer als een wijze, een keer als een zanger. In dat laatste geval heet hij Heman de Zerachiet, verwijzend naar Zerach een land ten Zuiden van Israël. Heman wordt zo een 'vreemdeling'. Het geeft deze donkerste van alle psalmen een heel aparte kleur en inspireerde Karel Deurloo tot volgende parafrase]. Enfin, lees maar.

Heman had zich als vreemdeling in Jeruzalem gevestigd. Eerst was hij helemaal niet van plan geweest te blijven, want hij wist wel hoe men naar vreemdelingen kijkt. Men ziet ze niet graag, kijkt ze weg. In Jeruzalem was hem echter iets wonderbaarlijks overkomen: hij werd geaccepteerd, zijn winkeltje liep prima, de mensen kochten net zo graag bij hem als bij hun eigen mensen. Hij kreeg vrienden en hij werd zelfs lid van de winkeliersverenging. Hoe kwam dat? Waarom werd hij als vreemdeling niet gediscrimineerd in Israël? Een priester die altijd in zijn winkeltje kwam, maakte het hem duidelijk. Hij nam de boekrol die hij onder zijn arm bij zich had, rolde die open en wees met zijn vinger: 'Hier, Heman, lees maar. Leviticus 20:34. ledere vreemdeling moeten jullie behandelen als was hij iemand van je eigen volk. Je moet hem liefhebben als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte in de tijd van Jozef en Mozes. Je weet dus hoe erg het is om een vreemdeling te zijn en buitengesloten te worden.' Door die priester kreeg Heman belangstelling voor wat ze in Israël geloofden: Wij waren vreemdelingen in Egypte en werden als slaven onderdrukt, maar God heeft ons bevrijd. God is de bevrijder, en wie in hem gelooft, zorgt er voor dat mensen vrij zijn. Heman had er iets van gemerkt en voortaan deed hij mee. De psalmen en liederen die dichters in Israël daarover gemaakt hadden, zong hij graag mee in de tempel.

Op een dag voelde Heman zich niet goed; hij stond wat bibberig in zijn winkeltje. Het ging niet goed met hem. 'Vast een erge, besmettelijke ziekte,'  zeiden de mensen. Ze begonnen hem te mijden, zeker toen het niet overging. De enkeling die nog binnen durfde te komen, keek hem schuw aan. Zo'n klant zei er niets over dat Heman er zo beroerd uitzag, hoogstens: 'Mooi weertje vandaag, hé? Hou je goed, Heman!' en weg waren ze. Heman kon wel vloeken. En hij deed het ook, op alles en iedereen, en op God het meest. Hij werd er nog eenzamer door. De mensen vonden dat hij toch wel echt tever ging. Op een dag hoorden de mensen hem niet meer vloeken. Toen begrepen ze dat hij dood was. Zijn lichaam werd weggehaald en de priester met een paar andere vrienden ruimden de winkel op. Daar vonden ze een papier. Ze vouwden het open en zagen dat het een soort gedicht was. Of een gebed? In ieder geval waren het vreselijke woorden. Zoiets. Het begon goed:

O, God van Israël, jij die de Bevrijder heet.
Zelf heb ik dat van je gemerkt!

Maar nu moet ik dag en nacht schreeuwen,

vloeken moet ik, tegen de klippen op.

Want mijn lijf gaat kapot.

Ik voel dat ik dood ga en ik heb zo'n pijn.

Het ergste is dat er niemand meer

bij me komt. Mijn vrienden zijn in damp opgegaan.

Mijn winkel is een stinkend hok

en ik kan er niets aan doen.

Jij, God, jij laat mij sterven!

Jij schopt mij weg uit het leven!

Daarom vloek ik zo hard als ik kan,

en ik blijf het uitschreeuwen tot

mijn laatste adem.

Wie heb ik nog om me heen?!

Wie is er nog bij mij!?

Alleen de verschrikkelijke,

donkere nacht.

De vrienden waren Doodstil, toen ze het gelezen hadden. Zonder een woord te spreken gingen ze weg en namen het papier mee. Onderweg zei er een: 'Zo'n les heb ik nog nooit gehad!' En de priester zei: 'Dit mogen we nooit vergeten.' Hij stond stil en keek nog een keer naar het gedicht. Was dit nu een vloek of een gebed? Niemand had een paar dagen geleden in het geschreeuw van Heman een gebed gehoord. De priester bewaarde het gedicht van Heman en legde het in de tempel bij de Psalmgebeden, want hij zei: 'Dit mogen we nooit vergeten.'

Karel Deurloo