... totdat Silo komt.

Enkele taalkundige opmerkingen bij Genesis 49, 10

De scepter zal van Juda niet wijken,
     noch de heersersstaf tussen zijn voeten,
    
totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn.  (of staat er toch wat anders?)

In Genesis 49 voelt aartsvader Jakob (ook wel 'Israel' genoemd) dat zijn einde nabij is. Hij roept zijn 12 zonen (de '12 stammen Israels') bij zich en geeft ze allemaal een zegen mee. Je kunt je de scène zo voorstellen, en dat moet u vooral ook doen. Dat is de bedoeling van dit verhaal. Een stok-oude man, op z'n sterfbed, hij heeft nogal wat meegemaakt met z'n kinderen. Allemaal pais en vree was het niet. De verhalen uit de jacob-cyclus behoren tot het mooiste wat het Oude Testament ons heeft overgeleverd. Jacob en Ezau om mee te beginnen, hun ruzie, het bedrog van de blinde vader, hun verzoening (het gevecht met de demon, in de Jabbok). En dan de kinderen. Wat een portretten. Ruben de oudste, Jozef de dromer (met z'n technicolor dreamcoat), die in de put gaat en onderkoning van Egypte wordt... Enfin: teveel om hier op te noemen. Neem, en lees....Evenveel spiegels voor het volk Israel, van wie dit de 'oorsprongsmythen' zijn. Aan het eind krijgen al die zonen dus een zegen mee. Of beter: een 'orakel', want de teksten zijn poëtisch en erg duister. Eentje springt eruit: Juda. U kent 'm vast wel. In menige middernachtmis (met Kerst) wordt deze tekst gelezen. Een heerlijke poëtische tekst, vol beelden die niet meteen duidelijk zijn, een echte klassieke orakelspreuk dus, een kluif voor exegeten. Hier de tekst met z'n context (Genesis 49:8-12).

Juda, ù zullen uw broeders loven,
    uw hand zal zijn op de nek uwer vijanden,
    voor u zullen uws vaders zonen zich neerbuigen.
Een leeuwewelp is Juda; na de roof zijt gij omhoog geklommen, mijn zoon;
     hij kromt zich, legt zich neder als een leeuw of als
     een leeuwin; wie durft hem opjagen?
De scepter zal van Juda niet wijken,
     noch de heersersstaf tussen zijn voeten,
    
totdat Silo komt,
     en alle volken hem zullen gehoorzaam zijn.
Hij zal zijn ezel aan de wijnstok binden
     en het jong zijner ezelin aan de wingerd;
hij zal zijn kleed in wijn wassen
     en in druivebloed zijn gewaad.
Hij zal donkerder van ogen zijn dan wijn
     en witter van tanden dan melk.

Toelichting:

Juda is dus wel niet de oudste zoon, maar wel de royal lineage: scepter, heersersstaf zijn koninklijke attributen. En inderdaad: David is uit de stam van Juda. En - zo claimen de christenen: Jezus werd geboren uit 'Jesse's stam' (Jesse = Isaï = de vader van David). Dus hij zou de legitieme koning der Joden zijn, de Messias (= de 'gezalfde', verwijzend naar het ritueel van de koningskroning). En - niet onbelangrijk anti-judaïstisch détail - oud-kerkelijke exegeten en predikers voegen hier nadrukkelijk aan toe: God heeft zijn koningseer aan de Joden geschonken, inderdaad (Juda, Jehuda, Jood) maar die voorkeurspositie komt tot een einde op het moment dat de Messias ('Christos' in het Grieks) komt. Precies dàt lezen zij in deze tekst: "de scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten', totdat 'Silo' komt, aan wie alle volken gehoorzaam zullen zijn.", versta: dan is het afgelopen met Juda, en is het aan de volgelingen van Christus. Ik weet niet of u de consequenties van deze uitleg meteen bevat, maar hier is de rol van Israel (de Joden ) uitgespeeld op het moment dat de christenen in beeld komen. Der Mohr hat seine Pflicht getan, der Mohr kann gehn. Substitutie-theologie noemt men dat. De Kerk als het nieuwe Israel. En in discussies hierover (intern, maar in bepaalde periodes ook met Joden), werd altijd deze tekst aangehaald als bewijsplaats. Zie je wel, zeiden de christenen, hier staat het toch, zwart op wit... het verbond met Israel duurt totdat de Messias (die hier 'Silo' genoemd wordt) komt. Eeuwenlang (om precies te zijn: 18 eeuwen lang) heeft deze tekst zo gefunctioneerd in het christelijke discours. (een voorbeeld? de bekende Bach-cantate voor Kerst: Christen, ätzet diesen Tag , BWV 63, en u zult het op het internet zo vinden op menige site, die zich 'bijbelgetrouw' noemt, maar eigenlijk vooral christelijk-apologetisch is).

Los van de theologie (die ik verwerpelijk vind tout court), is het maar de vraag of deze interpretatie ook taalkundig houdbaar is. Twee dingen: 1. Is 'Silo' wel een naam of een messiaanse titel? 2. Moet het woordje 'totdat' perse een einde aanduiden?

ad. 1. Shilo : een raar woordje. Ik denk aan een graansilo, of aan een plaatsnaam in Israel. Hoezo een naam of een titel? Alvast opvallend: De Septuaginta (Griekse vertaling van voor het begin van de jaartelling) en de Vulgaat (Latijnse bijbel, Hiëronymus, einde 4de eeuw na Christus) lezen allebei het Hebreeuwse woord dat hier staat (sh-j-l-h) nìet als een naam, en ook niet als een titel. Zij proberen dit woord te vertalen als een 'gewoon woord', een werkwoord of een zelfstandig naamwoord. Dat lukt niet goed, omdat het maar 1x in de bijbel voorkomt en het moeilijk blijkt er een woordstam in te herkennen, maar toch. Het is in elk geval niet meteen zo geweest dat ze zeiden: ah, kijk 'Shilo', dat is de koning-Messias. (1)

De kanttekening in de Statenvertaling van 1637 is op z'n minst tendentieus te noemen: "Hierbij wordt buiten allen twijfel verstaan de Messias, en wordt door sommigen overgezet zijn zoon, of, vrucht; te weten, de zoon van Juda; want het Hebreeuwse woord betekent het velletje, waarin de kinderen geboren worden; en alzo het kind zelf, wat er in ligt, en uit het geslacht van Juda [waarvan de maagd Maria des Heeren Christus' moeder was, Luk 1:32] voortkomen zou. Anders, de Heiland, Zaligmaker, Gelukgever, enz."

Als we dan even doorvragen aan de Joden zelf (Zij zijn 'native speakers' als het op het Hebreeuws aankomt) hoe zij dit vers eigenlijk interpreteren, dan krijgen we opnieuw een divers verhaal. Allen zijn akkoord dat het een lastige zin is, moeilijk te verstaan. Er wordt namelijk stevig over gediscussieerd in de diverse oude talmoedische tractaten. Er zijn die het net als de christenen hebben gelezen als een naam: (Targum Onkelos bijv. Dat zal ook elke christelijke uitlegger aanhalen), maar er zijn er ook die op zoek zijn gegaan naar een meer natuurlijke betekenis (dat laten veel christelijke uitleggers gemakshalve achterwege), omdat ze er gewoon géén naam in horen. Nemand heet 'Shilo' in de bijbel. Men associeert het gewoon niet met een naam. Net als u, lezer. Moderne taalwetenschappers proberen vooral via woorden uit andere talen die erop lijken (bijv. het Akkadisch) een titel in te lezen, bijv. koning. Dit blijft speculatie. Met andere woorden: Genesis 49,10 is een mooi voorbeeld van een tekst waarbij je moet accepteren dat de betekenis ongedefinieerd blijft. De meest recente vertalingen schamen zich niet voor de aporie. Hieronder een Engelse en de laatste serieuze Nederlandse vertaling, NBV-2004. Beiden hebben alternatieven in de voetnoten.

gen 10 49

gen 49 10 nbv

 

Qetib-qere
Wat opvallend is, is dat het woord sh-j-l-h (שילה) in de Masoretische tekst (de grondtekst met toevoeging van klinkertekens) van een aantekening wordt voorzien (in de kantlijn). Daar staat 'hetzelfde woord' maar net iets anders gespeld: sh-j-l-w (שילו). Je kunt dat netzo uitspreken, maar dan is in elk geval duidelijk dat het laatste deel van het woord een suffix is ('l-w' > voor hem, zie infra voor meer). Echter, zoals u weet, zijn de klinkers niet canoniek (net als in het arabisch). Die moet je zelf al lezend toevoegen. Dus dat mag je altijd proberen anders te doen dan er staat. Zo'n marginale variant noemt men trouwens een 'qeré', d.w.z. een verbetersuggestie voor bij het voorlezen. Die zijn daar geplaatst door de masoreten zelf (de Joden die de tekst overschreven. We hebben het over codexen die ong. 1000 jaar oud zijn, maar qua overlevering tot in het begin van onze jaartelling kunnen reiken). Zij veranderden geen 'jota of tittel' aan de tekst (wat geschreven staat, blijft staan: 'qetib' in het Hebreeuws), maar gaven dus soms wel aan dat zij vonden dat een bepaalde interpretatie of uitspraak wenselijk was ('qere'). in de afbeelding: het geelonderstreept woord is dus 'qetib', het roodomrande 'qere'.

shilo - qere

Bied, zo vragen we ons af, die kantlijn-optie ook perspectieven voor een natuurlijker verstaan van de zin. Zeker. De uitgang van dit woord (l-w) betekent 'voor hem, tot hem' (heel gewoon achtervoegsel, het staat ook in de volgende halfregel). Hierdoor zijn de vier letters dus eigenlijk herleidt tot een woord van twee letters met een suffix. Het hoofdwoord dat overblijft (sh-j) kan met aangepaste vocalisatie (geen 'i', maar een 'a') een heel gewone betekenis krijgen: geschenk, een woord dat ook elders in de bijbel enkele malen voorkomt. Dan staat er dus niet 'totdat Shilo komt', maar 'tot het geschenk tot/voor hem komt', of nog simpeler: 'tot zijn geschenk komt'. Door de context erbij te nemen wordt dat geschenk dan misschien zoiets als 'het koninklijke huldeblijk', of 'het tribuut dat men een koning betaalt', kortom deze frase duidt dan op het moment dat het volk de koning zal erkennen als koning. Zo ontstaat er een vierdelige uitspraak waarin de legitimiteit en de triomf van van het Judese koningschap wordt bevestigd en verzekerd.

De scepter zal van Juda niet wijken,
     noch de heersersstaf tussen zijn voeten,
tot het huldeblijk tot hem komt,
     en de gehoorzaamheid der volken voor hem is.

ad 2. Totdat... Taalkundigen wijzen er nog fijntjes op dat het woordje 'totdat' (in temporeel-limitatieve zin: daarna houdt het op, begint er iets anders) ook gewoon kan duiden op een toestand die later komt en blijft duren. Dat laatste lijkt hier de bedoeling. Het koningschap van Juda zal vervuld worden, zeker, doordat de koning wordt erkend door eigen volk (huldeblijk) en de onderwerping van andere volkeren. Als je dit zo interpreteert (u hoeft niet te volgen, het is maar een voorstel) dan gaat het niet om het einde van een koningschap, maar om de vervulling - voltooiing - van een koningschap. Toch wel iets heel anders. Zeker als je dit verbindt met de messiaanse uitleg.

Voor mij klinkt dit alleszins tamelijk logisch, overtuigend zelfs. Maar ik besef: vertalen is interpretatie en blijft altijd een multi-focale en meerlagige activiteit, nooit objectief-feitelijk-simpel. The eye of the beholder (zijn Vorverständnis) bepaalt grotendeels wat hij lezen kan ('wil' is al teveel gezegd). De tekst blijft ook zo vertaald een een 'messianisch' perspectief bevatten, maar dan eentje waarbij het risico op substitutie-theologie een stuk minder is.

Oh ja, de meteen volgende teksten zijn nog spannender, over die ezel, de melk, de wijnstok, en het bloed. Daarvan ging het christenhart helemaal sneller kloppen. Hij hoorde hier Jacob al alle mysteries van de eucharistie ontvouwen. In menige preek uit Bachs tijd kom je allusies hierop tegen. Als ik eens tijd heb, zal ik ook daar eens iets over schrijven.

 Advent 2018, Dick Wursten

note 1:  
LXX: ἕως ἂν ἔλθῃ τὰ ἀποκείμενα αὐτῷ  (totdat komt wat is neergelegd voor hem - wat voor hem is bewaard - wat hem toekomt). Toch lastig, want 'ta apokeimena' is meervoud, terwijl 'elthè' enkelvoud is. Of dan misschien bijwoordelijk bedoeld. De suggestie is dat de vertalers sh-j-l-h hebben geïnterpreteerd als een variatie op sh-l-w (sjélo) wat een bezittelijk voornaamwoord is ('zijn'). Ook is hier de 'jod' ('jota') in het midden van het woord verdwenen. Veel helderder wordt het er niet van, hoewel dit wel de oplossing is die vele moderne vertalingen volgen. Ik ben geen expert, dus ik geef het maar mee zoals ik het heb gelezen/begrepen.
VULGATA: donec veniat qui mittendus est  (tot hij komt die 'gezonden moet worden' - in het Hebreeuws zou Hiëronymus dus sh-l-w-ch (shaluach) hebben zien staan, toch wel iets anders. [terug naar tekst]