|
||
woensdag, 25 april 2012 |
|
|
Jacob Revius in het Liedboek voor de Kerken
InleidingZonder meer loffelijk is het dat de samenstellers van het Liedboek voor de kerken indertijd hun best hebben gedaan om enkele liederen/gedichten van Jacob Revius (1586-1658) op te nemen. De Encyclopaedia Britannica noemt hem zonder meer de “the greatest Christian lyricist of his period”. Zoveel kwaliteitsdichters hebben we niet in de kerk; dus die we hebben moeten we in ere houden. Anderzijds blijft het dubbel: Revius zelf was immers een calvinist van het zuiverste water en vond dus dat enkel psalmen in de eredienst thuis hoorden[1]. Zijn gedichten zijn dus helemaal geen kerkliederen, maar waren waarschijnlijk bedoeld voor gebruik in het gezin of bij andere samenkomsten[2]. Over de carrière van Revius, die zowel in de kerk als in de wetenschap (revisor van de Statenvertaling) zijn sporen verdiend heeft, ga ik hier niets schrijven. Die gegevens kunt u in elke encyclopedie vinden. Mij interesseert de dichter Revius en die laat zich natuurlijk kennen in zijn gedichten. In hoe verre hij als mens ook in ‘zijn gedichten woonde’ is een kwestie van aanvoelen en daarom nogal subjectief.
Om met Revius kennis te maken is het zevental liederen dat in het Liedboek voor de Kerken is opgenomen zeer geschikt, ook al is de bewerking van zijn gedichten om ze ‘zingbaar’ en ‘aanvaardbaar’ te maken in één geval wat ongelukkig uitgevallen (gezang 311) en in een ander geval ronduit een schandaal (gezang 196), waarover later meer. Toch stel ik voor met u deze leerroute te volgen. Om te beginnen de lijst van liederen met de originele titel eronder. De nummering verwijst naar de vindplaats in de uitgave van W.A.P. Smit[3].
Zeven gezangen
gezang 276: Als Godes Zoon, de heerser
over al Doot; Op Wanneer ick slaep &c. I, 32 gezang
311: Hoe
komt het dat het bos... Brandende bos I, 38 gezang 421: Zolang als ik op aarde
leven zal T’Selve (=Lof Jesu Christi); Op tant que viuray &c.
I, 85-186 gezang 50: O grote God, o goede Heer Gelijckenissen Christi
gebeds-wijse; Op Onse Vader in Hemelrijck, I, 209-213 gezang 376: In ’t oosten
klaar laat blozen Morgen-gebet; Op
Cruelle départie. I, ?? gezang 386: De nacht de moeder van de rust Avont-gebet; Op Christe die
du bist doch &c. I, 249-250 gezang 196: Den heer wil ik prijzen Danck-liet over de wonderbare en seeg-rijcke verlossinge..., II, 24
In de door
Revius zelf geredigeerd officiële uitgave van zijn gedichten, Over-Ysselsche
Sangen en Dichten, heeft Revius waarschijnlijk geprobeerd al de gedichten
(van twee-regelige epigrammen via sonetten tot complete berijmingen van een
bijbelboek, bijv. het Hooglied) die hij in de loop der jaren had gedicht een
min of meer ‘logische’ plaats te geven. De gedachte dat hij in het eerste deel
het ‘epos der Godsgeschiedenis’ heeft willen schrijven, zoals Smit meent lijkt
mij ver gezocht[4]. Daarvoor is
het geheel te ‘rommelig’ (niet pejoratief bedoeld). De
gedichten zijn gewoon geordend in de volgorde van de beide boeken van de
bijbel, meer niet. Het eerste boek opent met enkele lofzangen op God, de
Schepper en gezang 276 besluit de bezinning op de gevolgen van de zondeval
(vandaar de titel: ‘Doot’). Gezang 311 is een dialoog naar aanleiding
van het verhaal van de brandende braamstruik uit Exodus 3. Ook het tweede boek
begint met enkele lofzangen op Jezus Christus (lof Jesu Christi).
Gezang 421 is het derde gedicht met deze titel (vandaar de titel: T’Selve).
Gezang 50 is een bewerking van een groot aantal gelijkenissen van Jezus (in het
origineel: 21 coupletten) en de gezangen 366 en 386 bieden een ochtend- en een
avondzang. Revius
heeft de gedichten, die niet direkt aan een bijbels thema te linken waren
daarna opgenomen in een derde deel (band II, uitgave Smit). Dit is een bont
allegaartje geworden van historische gedichten, gelegenheidsgedichten,
epigrammen etc. Het geheel beidt een prachtig tijdsbeeld. Wie iets wil proeven
van de sfeer tijdens de 80-jarige oorlog kan hier bijv. prima terecht, o.a. bij
gezang 196. De ondertitel laat niets aan duidelijkheid te wensen over: ‘Danklied’
over de wonderbare en zegenrijke verlossing van de stad Bergen Op Zoom van de
geweldig heerleger van de markies Spinola, opgebroken en gevlucht op de 3de
oktober 1622; nagebootst op de lofzang van Mozes en Mirjam, Ex. 15. Over de
trieste lotgevallen van dit typisch Reviaanse lied in het Liedboek aan het eind
van dit opstel meer.
The French Connection van Jacob Revius
Willen we
de dichter Revius leren kennen, dan beginnen we volgens mij het best met gezang
421. De bronvermelding in het liedboek zegt eigenlijk al genoeg: De melodie is
van Claudin de Sermisy en de tekst is een religieuze bewerking van een
werelds liefdeslied Tant que vivray en âge florissant[5]
van Clément Marot. Beide kunstenaars zijn nauw verbonden met het Franse
hof in het begin van de 16de eeuw. Hieruit kan al meteen worden afgeleid, dat Revius als dichter in een geestelijk-culturele wereld leefde die veel groter en wijdser was dan het hervormd-gereformeerde leven in de Nederlanden. Ja ik durf wel stellen, dat we van Revius’ gedichten weinig zullen begrijpen als wij zijn ‘French Connection’ niet naar waarde leren schatten. Hij heeft namelijk niet alleen maar een algemene kennis gehad van de Franse dichtkunst gehad, op afstand verworven, neen, hij heeft zichzelf er bewust in ondergedompeld. Op eigen verzoek en met toestemming van zijn ‘sponsors’ (=de stad Deventer) heeft hij maar liefst twee jaar lang vrijaf gekregen om kennis te maken met de brede humanistische èn protestantse cultuur van het Frankrijk. Ter afsluiting van zijn ‘leerjaren’ (Leiden en Franeker) heeft hij die reist ondernomen. In zijn eentje trok hij meest te paard door Frankrijk[6] (1610-1612). De reisroute leert dat hij zich blijkbaar op de hoogte heeft willen stellen van de stand van de gereformeerde theologie aan de diverse Hugenootse Academieën, want die bezoekt hij systematisch en langdurig. Tegelijk leert de route ons ook, dat hij onderwijl ruim de tijd genomen heeft om ook de algemene cultuur op te snuiven. Ons interesseert in het kader van dit artikel vooral het laatste[7].
Clément Marot, La Pléiade en de hugenotenIn het
begin van de 17de eeuw bevinden we ons namelijk in de nadagen van de
invloed van Pierre de Ronsard c.s.. Deze dichter was de centrale figuur van La
Pléiade, een groep dichters die rond het midden van de 16de eeuw
resoluut de strijd aan bond met de poëzie van de (middeleeuwse) Rederijkers. De
titel van het door een ander lid van deze groep Joachim Du Bellay gelanceerde
manifest Deffence et illustration de la
langue françoyse (1549) geeft duidelijk het programma van de
Pléiade-dichters aan: schrijven in de volkstaal en door navolging van de
klassieken deze eigen taal verrijken met nieuwe dichtvormen, metaforen, metrums
en idioom[8].
Ook in hugenotenkringen heeft deze stroming zijn duizenden verslagen. De
psalmberijming, begonnen door Clément Marot en voltooid door Theodore de Bèze
is op z’n minst verwant aan deze taal- en dichthervorming. Wilt u bijv. een
typisch Ronsard gedicht lezen (qua regellengte en rijmschema) moet u
gewoon psalm 38 opslaan[9],
dit ten bewijze van de vele dwarsverbindingen die tussen deze cultuur en het
protestante leven zijn ontstaan. Hoewel Marot zelf niet tot La Pléiade behoorde (hij was een generatie ouder), heeft hij hun weg bereid, iets wat die 'aanstormende jonge dichters' zelf overigens niet hebben willen (?) beseffen. De franse componist Claude Le Jeune, de franse tegenhanger van Orlando Lassus, heeft zowel alle 150 psalmen getoonzet (posthuum gepubliceerd 160..) als de poésie mesurée van Antoine le Baïf (Le Printan), één van de hardliners wat de taaltheorie van La Pléiade betreft. Calvijns rechterhand en opvolger in Genève, Théodore de Bèze, heeft zichzelf duidelijk in deze deze cultuurstroming thuis gevoeld (en echt niet alleen als psalmberijmer! Zijn eerste psalm-berijmingen staan trouwens in een bundel waarin hij zich als dichter probeert te manifesteren). Welk een impuls hiervan is uitgegaan op de hele calvinistische wereld is de moeite van een apart onderzoek waard. Laten we tenslotte niet vergeten dat bijna een eeuw lang (met vallen en opstaan, ondanks de bij tijden zware repressie) de reformatie in het Franse taalgebied een belangrijke culturele factor is geweest, die zowel in literair als muzikaal opzicht zijn sporen heeft nagelaten[10]. De poëzie
van Jacob Revius past helemaal in deze europese subcultuur, zij het dat hij
bijna een nakomertje is. Hoe strijdbaar, diep religieus en calvinistisch hij ook
is, bijna altijd is hij in vorm- en stijlkeuze renaissancistisch. Wat
vooral opvalt is dat hij de translatio (vertaling) en creatieve imitatio
(navolging) geregeld beoefend, soms expliciet maar vaker nog zonder
bronvermelding (voer voor onderzoekers[11]).
Het feit dat hij in de volkstaal dichtte, rijkelijk gebruik maakte van
uitgebreide metaforen, de ‘nieuwe’ kunstvorm van het sonnet geregeld
uitprobeert (natuurlijk geheel volgens de regels der kunst) en talloze
4-regelige epigrammen heeft nagelaten, verbindt hem ook met deze stroming. Daarnaast
was Revius een academisch geschoolde filoloog. De Hebreeuwse en Griekse taal èn
cultuur hadden geen geheimen voor hem (Revius vertaalde de Ned.
Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse catechismus in het Grieks, het eerste voor
aan patriarch Cyrillus Lukaris van Constantinopel en het tweede als tekstboek
voor het onderricht in het Grieks!). Wat het Frans betreft was hij de
onbetwiste autoriteit in calvinistisch Nederland. Uit zijn
werk blijkt kortom een grote vertrouwdheid met de werken van de klassieke
oudheid en een grondige algemene kennis van de toenmalige humanistische en
reformatorische literatuur uit m.n. het Franse taalgebied. Anderen wijzen nog
op de invloed van de eerte generatie Engelse metafysiche gedichten (een
stelling die ik uit gebrek aan kennis niet op haar valabiliteit kan beoordelen,
maar die ik u voor de volledigheid toch meegeef). Uit de
plaatsen die Revius tijdens zijn Franse pelgrimage heeft aangedaan wil ik nog
één plaats naar voren horen: Cahors. Hij zal daar niet zozeer zijn heengegaan
om de wijn te proeven, maar om te mijmeren over de grote dichter die aldaar in
1496 geboren werd: Clément Marot.[12],
hofdichter van de franse koning en - in later opdracht van Calvin -
psalmberijmer van de eerste officiële reeks Geneefse psalmen, trouwens ook
geheel volgens vorm- en stijl criteria
van de renaissance. Van hem is ook het chanson uit 1524
dat ons aanleiding gaf tot deze excurs: Tant que vivray en aage florissant, je serviray Amour le Dieu puissant
... een loflied
op de macht van de Liefde, die is gelijk een god, wier zoete geneugten (en
tijdelijk gemis) worden
bezongen. Niet lang daarna echter moeten er (van de hand van Marot zelf?)
christelijke varianten zijn verschenen, zodat de melodie van Claudin de Sermisy
zowel met de wereldlijke als de geestelijke tekst is overgeleverd. De tweede
regel van de geestelijke tekst luidt: je servirai le Seigneur tout
puissant. Wie de tekst van dit lied verder beziet, moet vast stellen dat
Revius opnieuw geen origineel gedicht heeft willen afleveren, maar als
vakkundig en creatief imitator dit lied van Clément Marot (in een
protestantse adaptatie) voor het Nederlandse volk heeft ontsloten[13].
Je zou dit lied dus een eerbetoon kunnen noemen aan precies die opstoot van protestantse cultuur, die midden in het hart van de Franse Renaissance plaatsgreep aan het hof van koning François Ier in Parijs en waarvan de uitlopers blijkbaar nog alive and kicking waren tijdens Revius ‘Tour de France’. Van die levendige, vitale en breed verwortelde protestantiserende cultuur heeft Revius zelf geproefd en die heeft hij willen implanteren in het hoge Noorden. Als u zich dit lied voorstelt, gezongen bijv. met luitbegeleiding, en u zingt daarna dat andere lied vol diepe symboliek over de slaap (eveneens gezet op een veel gezongen en bewerkte melodie uit het begin van de 17de eeuw, het ‘Engelse ‘Farewell’, o.a. te vinden bij Valerius en Camphuysen), dan hebt u – vermoed ik – een redelijk goed beeld van de muzikale huisstijl en de huisspiritualiteit van Revius. In de kerk was het natuurlijk allemaal andere koek[14].
Wat is dat voor spiritualiteit, die uit deze liederen spreekt ?
Staat u mij
een neologisme toe: Ik proef in deze liederen een hervormd-katholieke spiritualiteit,
waarbij beide delen van dit epitheton evenveel nadruk moeten hebben. (hervormd-katholiek):
Beide gedichten hebben een mystieke ondertoon, die zo oud is als de
christenheid en die voortkomt uit het feit dat men de realiteit van de Jezusruimte
(term van Benoit Standaert) zo intens beleeft, dat alles wat zich daarbuiten
afspeelt niet ten meer ten gronde schokken kan. (hervormd-katholiek):
Typisch aan Revius is natuurlijk (ook vergeleken met het Franse origineel, dat
algemener blijft) de sterk heilshistorische formulering van de creatie van deze Jezusruimte. Termen als ‘uitgetogen uit de val’ en ‘geschreven
in zijn uitverkoren tal’ verraden de calvinist. De oprecht
blijde toon èn de vrolijke muziek waarmee de ‘tristesse’ op de vlucht wordt
gejaagd: ‘Hij is de ‘de beste, de eerste en de leste, die ik bemin en minnen
zal’ maakt trouwens duidelijk dat
voor Revius de verkiezingsleer werkelijk diende ‘tot een levendige troost’ van
Gods volk. Ditzelfde onschokbare Godsvertrouwen, dat niet rationeel is, maar
bevindelijk ligt ook aan de basis van gezang 276, waar de stille rust van
de slaap een beeld wordt van de diepe rust die iemand tegemoet mag zien,
die zich ‘beide in leven en sterven’ geborgen weet in Christus bij God. Aarzel
niet om die tekst eens te lezen en proef de bevinding (= spiritualiteit) die
uit de woorden spreekt, een bevindelijkheid die door de perfect passende muziek
nog wordt verdiept. Ook hervormd-katholiek is Revius ook in zijn bewerking van de avondzang (gezang 386). De mooiste
samenvatting van het gereformeerd geloof treffen we aan in het derde couplet: Gij hebt al wat op aarde is begraven in de duisternis, begraaf ook onze zonde boos in uw genade grondeloos. terwijl het
volgende couplet (vers 4) en de melodie (Christe, die du bis dach end licht;
Duits: Christe, der du bist Tag und Licht; Latijn: Christe qui lux es
et dies) deze avondzang naadloos in de eeuwenlange traditie van het
christelijke avondgebed scharen, zoals dat door Ambrosius is geïnaugureerd
(gezang 382: Deus creator omnium). Revius bidt hier in eigen woorden met
de kerk der eeuwen mee[15].
Het is geen gemeentelied meer, maar duidelijk bedoeld voor de ‘Haus-andacht’ en
juist daarom ook typisch calvinistisch: moest niet de leer midden in het
‘gewone leven van alledag en nacht’ z’n vorm krijgen? Ook de keuze van de
melodie verraadt weer Revius brede kennis van de muziekcultuur: ‘Cruelle départie’ is een populair 17de
eeuwse Air de cour. Gezang 50,
de bewerking van de gelijkenissen van het Koninkrijk, is een typisch voorbeeld
van een van de vele pogingen van Revius om bijbelliederen aan te bieden aan het
Nederlandse volk. Gedragen door de blijkbaar reeds geheel ingeburgerde wijs van
het Duitse ‘Vaterunser’ (door Datheen overgenomen en achter de 150 psalmen
geplaatst als één van de weinige gezangen voor de hervormd/gereformeerde
eredienst) zal dit lied ongetwijfeld zijn weg wel gevonden hebben in
christelijke samenkomsten buiten de eredienst. Het oorspronkelijke werkstuk
telde trouwens 21 coupletten en was dus nog completer dan de versie in het
Liedboek, die in haar beknopte behandeling van de gelijkenissen eigenlijk al
indrukwekkend is.
Twee minder geslaagde liederen: gezang 311 en 196Al de
bovengenoemde liederen zijn mooie voorbeelden van Revius poëzie en Revius is
ook direct aanwezig in zijn eigen woorden. Alleen de spelling is gemoderniseerd
en soms is er met het oog op de melodie een kleine ingreep in de tekst gebeurd,
echter nooit ten koste van de authenticiteit. Rest mij nog de twee vrijere
bewerkingen van Revius’gedichten aan de orde te stellen. Mysterieus en intrigerend
is de keuze van de Liedboekdichters (en later de commissie) voor de
‘bezinningsspreuk’ bij het verhaal van de Brandende Braambos, gezang 311. In het
‘Compendium’ schrijft de bewerker, Willem Barnard, hoe hij van Revius
‘stichtelijk versje’ een kerklied heeft proberen te maken. Hij had het m.i.
beter niet geprobeerd, want noch het eindresultaat overtuigt, noch het
origineel is er mee gediend[16].
Ik voel geen behoefte om hier nader op in te gaan, omdat een tekstvergelijking
voor zich spreekt. Revius gaat er van uit dat u het verhaal uit Exodus 3 kent
en voegt dan volgende overpeinzing toe, waarin hij geheel in de
uitleggingstraditie van de kerk van eeuwen in het braambos, dat door het ‘vuur’
niet vernietigt wordt een gelijkenis van de kerk ziet, die in het ‘vuur’ der
beproeving (en het is wel duidelijk waar Revius dan aan denkt!) toch niet
vergaat. Hier volgt het origineel, een prachtige dialoog. Hoe comtet dat den bos tot aenden
hemel blaecket En door soo grooten vier tot asschen
niet en geraket? Verwondert
u des niet, o Mose, lieve man, Want
God is inden bos diese bewaren can. Hoe comtet dat de kerck als in een
oven gloeyet vervolget, onderdruckt, en even
heerlijck bloeyet? Verwondert
u des niet, o Christen want de Heer De
Heer is in zijn kerck: die laetse nimmermeer. ‘Brandende
bos’ I, 38 Tenslotte moet ik kwijt, dat ik het ronduit gênant vindt dat Barnards’ bewerking van Revius’ Danklied over de wonderbare en zegenrijke verlossing van de stad Bergen Op Zoom als gezang 196 in het Liedboek van de kerken is terechtgekomen. Dat had niet mogen gebeuren. Niet omdat ik principieel tegenstander ben van het vergelijken van de eigen geschiedenis met de bijbelse geschiedenis. Natuurlijk niet: dat doen we toch in elke meditatie en preek. Dat wij vinden dat Revius hier ‘fout’ is, geeft ons nog niet het recht om in zijn gedicht in te grijpen. Zulke liederen moeten we trouwens in hun tijd zien. Mensen van vroeger meten met de maat van nu is sowieso unfair en wel erg gemakkelijk scoren. Dat dit lied niet in het Liedboek had moeten worden opgenomen, daarvan zijn de commentatoren van het Compendium zich trouwens wel degelijk bewust. In hun toelichting zijn K. Heeroma en W.G. Overbosch eigenlijk vooral in de weer om zich daarvoor te verontschuldigen. Ze hebben de subsitutietheologie er uit proberen te halen, de anti-roomse trekjes laten schrappen, de zelfgenoegzaamheid onderdukt en het triomfalisme afgezwakt etc.... Allemaal goed en wel, denk ik dan, maar juist in die passages stroomde Revius dichtader voluit. Dáár klopte zijn hart. Wat houd je over als je dat allemaal door Barnard laat ‘wegsaneren’[17]. Niets. De schokkende kracht van Revius’poëzie zit ‘m juist in het steile calvinisme en de triomfantelijke haat die hij sarcastisch uitspuwt over de overwonnen vijand. Ik zal hieronder enkele originele coupletten laten volgen, kunt u deze stelling zelf beoordelen. Een verontschuldiging naar Jacob Revius was dus op z’n plaats geweest. En dat Willem Barnard zich heeft laten gebruiken voor deze – ik weeg mijn woorden – castratie van Revius machtige macho-tekst, vind ik onbegrijpelijk. Mochten wij maar een fractie van een soortgelijke ingreep op gedichten van Willem Barnard plegen, ik vrees dat de wereld te klein zou zijn voor zijn gerechtvaardigde toorn. Dit lied moet geschrapt worden uit het Liedboek van de Kerken. Het is vlees noch vis, Revius noch Barnard. Ik zal het met pasen in elk geval niet zingen. Wel hef ik het met vreugde aan tijdens een geschiedenisles over de verhitte onafhankelijksoorlog tussen de zich verenigende provinciën in de Nederlanden en de koning van Spanje, die tot dan toe als legitieme vorst ook over deze gebieden heerste. Men zinge de eerste drie verzen uit het Liedboek en continuere dan bijv. alsvolgt (originele versnummering): 6. Ha! Spinola dachte: Ick wilse met machte Eens clampen aen boort: Beloeren haer stappen, Ick salse betrappen En helpense voort. 7. Sy moetender onder, Tot dat ickse plonder En deyle den buyt: Ick wilse doorsnijden, Doorschieten, doorrijden, doorrijden=
doorsteken vanaf het paard En roeyense uyt. 9. Sy crijten, sy suchten, Sy vallen, sy vluchten Ontwapent, ontbloot: Och! vele gewonnen Die maer waer ontronnen Dees Prince, dees doot. 10 Wie is ws gelijcke, In goetheyt soo rijcke O Jesu als ghy? Wie staet soo getrouwe Als t'bloet van Nassouwe Gods kinderen by? 12. Als dit sullen horen Ons haters vol toren En nijdich geblaf Sy sullen verstocken Als steenen, als stocken, Haer boosheyt tot straf. 13. Maer ons suldy planten Als levende planten O Heer in u hof: U scepter sal blijven, U rijcke beclijven Met eeuwigen lof. 14. Gods Sone wilt loven, Gods Soon van hier boven Heeft wonder gewracht Hy heeft door Orangien Den hoochmoet van Spangien Ter schanden gebracht. Dick Wursten, Antwerpen 24/09/2002 [1] Hij heeft een ‘revisie’ van de
psalmberijming van Datheen gemaakt (in sin ende rymen gebetert) met de
expliciete bedoeling om die officieel te laten invoeren. Ondanks veel lobbywerk
zijnerzijds is dit voorstel nooit verder dan tot op het niveau van de provinciale
synode geraakt. [2] De veronderstelling van W.A.P. Smit
in zijn dissertatie, De dichter Revius, Amsterdam 1928, p. (gretig
overgeschreven in menig artikel en boek) dat in het mede door Revius opgerichte collegium musicum in Deventer “deze bijdragen [...] gretig aanvaard
werden” is welbeschouwd niet meer dan een aanlokkelijke gedachte, die ik
persoonlijk wel deel, maar waarvoor geen enkel bewijs is. [3] Over-Ysselsche sangen en
Dichten, 1630 (1634), heruitgave met annotaties in
2 dln, Amsterdam 1930-1935 door W.A.P. Smit. Het eerste deel bevat de gedichten
geordend overeenkomstig de bijbelse geschiedenis, het tweede deel de overige
gedichten. [4] Een evenwichtige, maar kritische
beoordeling van deze (romantische) opvatting van W.A.P. Smit beidt G.A. van Es
in Geschiedenis der Letterkunde in de Nederlanden, IV, p 169-170 [5] Lied en melodie zijn eigenlijk
onafgebroken populair gebleven. Ze werden opgenomen in diverse liedboeken,
o.a. van Attaignant en Phalèse. De
geestelijke versie is reeds lang voor Revius door Marot zelf of in elk geval in
hugenootse middens gemaakt. Ze stonden met beide benen in de cultuur van hun
dagen, de hugenoten. [6] Voor geïnteresseerden: dit zijn de
pleisterplaatsen van Revius’ pelgrimage (verrokken wrsch. najaar 1610 per
schip) Rouen, Parijs, Orleans, Blois, Tours, Saumur (vanwaaruit enkele tochten
naar Douay, Laons, la Flèche en Le Mans) Angers, Nantes, La Rochelle en
Bordeaux. Vandaar naar Toulouse, Montauban en via Cahors naar
Limoges, Poitiers, Thouars en dan weer naar Orleans (waar hij weer langer
verbleef en als bibliothecaris aan de Académie werkzaam is geweest en het zelfs
tot Assessor heeft geschopt). Te paard terug via Parijs, Peronne, Kamerijk
(Cambrai) en Valenciennes. Dan via Halle, Brussel en Antwerpen, waarna hij rond
de zomer van 1612 in Deventer opduikt. Het belang van deze reis voor Revius
zelf moge hieruit blijken dat hij de route zelf heeft opgenomen achterin zijn
andere hoofdwerk over de geschiedenis van Deventer: Daventria Illustrata. [7] E.J.W. Posthumus Meyes, Jacbous
Revius, zijn leven en werken, (diss 1895) bespreekt de reis uitvoerig en
probeert ook het theologische belang ervan uit de route af te leiden., p,
18-21. Met kennis van ‘grote namen’ en hun ‘residentie’ kunt u zelf ook een
eind komen. [8] Genres als heldendicht, tragedie,
ode kwamen op de voorgrond te staan. Ook schreven zij vaste regels voor voor de
versbouw en het metrum overeenkomstig Latijnse en Italiaanse voorbeelden (o.a.
het gebruik van de alexandrijn en de vorm van het sonnet). [9] Het Liedboek heeft hier de
fout gemaakt de tekst van de korte regels niet op een aparte regel te zetten,
waardoor visueel het gedicht is vermoord. Bij gezang 329 (melodie ps 38) is deze
fout goedgemaakt. Ook Revius’ gedicht BLOEDIG SWEET
over Gethsemane is een typisch voorbeeld van het ‘Ronsard chanson’. Ter vergelijking hier zijn beroemde ‘lentelied’: Quand ce beau Printemps je voy, J’apperçoy Rajeuner la terre & l’onde, Et me semble que le jour, Et l’amour Comme enfans naissent au monde. [10] Wist u bijv. dat de uitgave van de
psalmberijmingen van Clement Marot door hemzelf is opgedragen aan de adellijke
dames van Frankrijk (les ‘Dames de France’, psalm 6 was de eerste, 1533) en dat de eerste editie van het
complete psalter in het 1562 in Parijs een grotere stormloop op de boekhandels
heeft veroorzaakt dan het verschijnen van Harry Potter IV in 2000 ?! [11] L. Strengholt, Bloemen in
Gethsemane, 1976. In deze bundeling van artikelen worden originelen
opgespoord en en aan een vergelijkend
onderzoek onderworpen. [12] Posthumus Meyes, a.w. p. 20,
voetnoot 6 vermeldt het feit dat Revius in de uitgave van Daventria
Illustrata op deze plaats toevoegt: “Patria Clem. Maroti”. Ook een citaat van Hoornbeek dat hij
vermeldt is interessant, als speculatief commentaar: “quasi jam tum in animo
nescio quid similis genii poeticii glisceret.” (alsof toen reeds in de nog
onwetende ziel een gelijkaardig poetisch genie aan het groeien was, vertaling
met dank aan Katelijne Depoortere.) [13] de tweede regel geciteerd volgens de kritische editie 'Defaux (chanson XII). de varianten 'Je serviray d’Amours le Roy puissant' of , 'Je serviray d’Amour le Dieu puissant', zijn van 'verbeteringen' of verschrijvingen, niet van Marots hand (Men was niet altijd even nauwkeurig in het drukken en overschrijven). Het Franse voorbeeld van het geestelijk lied (dank aan G.J. Buitink) is waarschijnlijk van de hand van Matthieu Malingre (het komt voor in de door Eustorg de Beaulieu geredigeerde bundel: Chrestienne resjouyssance. Zijn parodie (neutrale term !) gaat na de tweede strofe (Marot heeft er maar 2, net als Revius) nog 4 coupletten lang op eigen wegen verder (nogal dogmatisch, vind ik persoonlijk). Opvallend bij hem en bij Revius is dat in de eerste twee op Marot geïnspireerde coupletten er slechts op enkele cruciale plaatsen van het wereldse voorbeeld hoeft afgeweken te worden om een geestelijke gedicht te krijgen; liefdespoëzie en geloofsmystiek zijn innerlijk nauw verwant. Bij Marot kun je je zelfs afvragen of heel zijn oeuvre niet heen en weer gaat tussen 'ferme amour' en de onstandvastige wereldse liefde... Tant que vivray en aage
florissant Je serviray Le Seigneur tout
puissant En faict, en ditz et chansons par accordz Le viel serpent m’a tenu languissant Mais Jesus Christ m’a fait rejouissant En exposant pour moy son sang et corps. Son alliance, c’est ma fiance, Il est tout mien, je suit tout sien. Fi de tristesse, vive liesse Puisqu’en mon Dieu ha tant de bien [14] alhoewel: Uit een gedicht op het overlijden van de Deventerse organist
Claude Bernart (nogal een schuinsmarcheerder, die Revius enerzijds streng heeft
aangepakt, maar ook na gedane boete weer terug in zin ambt van voorzanger heeft
hersteld), kan toch ook tussen de regels opgemaakt worden, dat de kwaliteit van
de gemeentezang Revius zeer ter harte ging. [15] Bij nadere vergelijking valt het
wegvallen van de trinitarische lofverheffing op, kenmerkend voor de
ambrosiaanse traditie. Vergelijk daarentegen de bijna woordelijke overeenkomst
tussen vers 4 van Revius (gezang 386) en vers 6 van Ambrosius (gezang 382).
Terecht merkt Klaas Heeroma in het compendium bij het Liedboek op, dat in dit
lied op een ‘persoonlijke, inkortende en uitbreidende’ wijze de oude motieven
worden verder gezongen. [16] De door Jaap Geraeds gecomponeerde
melodie wordt door Wim Kloppenburg in het compendium gekarakteriseerd als een
‘opvallende, stoere compositie van ‘symfonische allure’, waarbij het de zangers
niet ‘bepaald gemakkelijk’ wordt gemaakt. De begeleiding biedt ook ‘geen
steun’. Zijn conclusie is dat dit lied niet gezongen kan worden maar alleen
maar door organist en zangers ‘samen gemusiceerd’ kan worden vanuit een
trefzekere kennis’ van de ‘eigen partij’. Waarom ben ik het nu opeens met
Revius eens, dat we in de kerk genoeg hebben aan eenstemmig psalmgezang ? [17] termen die zij gebruiken zij
veelzeggen: Barnard moest ‘het hele huis reinigen’ van het
‘christelijk-historische zuurdeeg’ en ook moest iedere ‘beschimping van de
veldheer Spinola als een nieuwe farao’ eruit weg. Van Revius
‘actualiseringsspel is dus niets meer te bespeuren’ schrijven ze, waarop ze
zich afvragen of zo’n ‘”bewerking”eigenlijk wel geoorloofd is’. Nee dus !
|
||
| uw |
This site was last updated woensdag, 25 april 2012