Victor Hugo: Naast toneelstukken en romans, was hij ook een begaafd dichter.
Beroemd is zijn evocatie van het verhaal van Ruth en Boaz op de dorsvloer,
gepubliceerd in La Légende des siècles (1859). Martinus Nijhoff
vertaalde het gedicht.
Booz endormi
Victor Hugo (1802‑1885)
Booz s’était couché de fatigue accablé ;
Il avait tout le jour travaillé dans son aire ;
Puis avait fait son lit à sa place ordinaire ;
Booz dormait auprès des boisseaux pleins de blé.
Ce vieillard possédait des champs de blés et d’orge ;
Il était, quoique riche, à la justice enclin ;
Il n’avait pas de fange en l’eau de son moulin ;
Il n’avait pas d’enfer dans le feu de sa forge.
Sa barbe était d’argent comme un ruisseau d’avril.
Sa gerbe n’était point avare ni haineuse ;
Quand il voyait passer quelque pauvre glaneuse :
— Laissez tomber exprès des épis, disait-il.
Cet homme marchait pur loin des sentiers obliques,
Vêtu de probité candide et de lin blanc ;
Et, toujours du côté des pauvres ruisselant,
Ses sacs de grains semblaient des fontaines publiques.
Booz était bon maître et fidèle parent ;
Il était généreux, quoiqu’il fût économe ;
Les femmes regardaient Booz plus qu’un jeune homme,
Car le jeune homme est beau, mais le vieillard est grand.
Le vieillard, qui revient vers la source première,
Entre aux jours éternels et sort des jours changeants ;
Et l’on voit de la flamme aux yeux des jeunes gens,
Mais dans l’œil du vieillard on voit de la lumière.
*
Donc, Booz dans la nuit dormait parmi les siens.
Près des meules qu’on eût prises pour des décombres,
Les moissonneurs couchés faisaient des groupes sombres ;
Et ceci se passait dans des temps très anciens.
Les tribus d’Israël avaient pour chef un juge ;
La terre, où l’homme errait sous le tente, inquiet
Des empreintes de pieds de géants qu’il voyait,
Était encor mouillée et molle du déluge.
*
Comme dormait Jacob, comme dormait Judith,
Booz, les yeux fermés, gisait sous la feuillée ;
Or, la porte du ciel s’étant entrebâillée
Au-dessus de sa tête, un songe en descendit.
Et ce songe était tel, que Booz vit un chêne
Qui, sorti de son ventre, allait jusqu’au ciel bleu ;
Une race y montait comme une longue chaîne ;
Un roi chantait en bas, en haut mourait un dieu.
Et Booz murmurait avec la voix de l’âme :
« Comment se pourrait-il que de moi ceci vînt ?
Le chiffre de mes ans a passé quatre-vingt,
Et je n’ai pas de fils, et je n’ai plus de femme.
« Voilà longtemps que celle avec qui j’ai dormi,
Ô Seigneur ! a quitté ma couche pour la vôtre ;
Et nous sommes encor tout mêlés l’un à l’autre,
Elle à demi vivante et moi mort à demi.
« Une race naîtrait de moi ! Comment le croire ?
Comment se pourrait-il que j’eusse des enfants ?
Quand on est jeune, on a des matins triomphants ;
Le jour sort de la nuit comme d’une victoire ;
« Mais, vieux, on tremble ainsi qu’à l’hiver le bouleau ;
Je suis veuf, je suis seul, et sur moi le soir tombe,
Et je courbe, ô mon Dieu ! mon âme vers la tombe,
Comme un bœuf ayant soif penche son front vers l’eau. »
Ainsi parlait Booz dans le rêve et l’extase,
Tournant vers Dieu ses yeux par le sommeil noyés ;
Le cèdre ne sent pas une rose à sa base,
Et lui ne sentait pas une femme à ses pieds.
*
Pendant qu’il sommeillait, Ruth, une moabite,
S’était couchée aux pieds de Booz, le sein nu,
Espérant on ne sait quel rayon inconnu,
Quand viendrait du réveil la lumière subite.
Booz ne savait point qu’une femme était là,
Et Ruth ne savait point ce que Dieu voulait d’elle.
Un frais parfum sortait des touffes d’asphodèle ;
Les souffles de la nuit flottaient sur Galgala.
L’ombre était nuptiale, auguste et solennelle ;
Les anges y volaient sans doute obscurément,
Car on voyait passer dans la nuit, par moment,
Quelque chose de bleu qui paraissait une aile.
La respiration de Booz qui dormait
Se mêlait au bruit sourd des ruisseaux sur la mousse.
On était dans le mois où la nature était douce,
Les collines ayant des lys sur leur sommet.
Ruth songeait et Booz dormait ; l’herbe était noire ;
Les grelots des troupeaux palpitaient vaguement ;
Une immense bonté tombait du firmament :
C’était l’heure tranquille où les lions vont boire.
Tout reposait dans Ur et dans Jérimadeth ;
Les astres émaillaient le ciel profond et sombre ;
Le croissant fin et clair parmi ces fleurs de l’ombre
Brillait à l’occident, et Ruth se demandait,
Immobile, ouvrant l’œil à moitié sous ses voiles,
Quel dieu, quel moissonneur de l’éternel été,
Avait, en s’en allant, négligemment jeté
Cette faucille d’or dans le champ des étoiles.
De slapende Boaz
Victor Hugo (1802‑1885)
Boaz ging slapen, van vermoeidheid schier bezweken;
hij had gewerkt, de dag lang, op zijn dorsvloer; toen
had hij zijn bed gespreid waar hij het placht te doen;
Boaz sliep bij zijn korenmaten en zijn schepels.
Hij bezat, de oude man, velden met graan en gerst;
hij was, hoewel rijk, tot gerechtigheid genegen;
geen troebel water deed zijn molenrad bewegen,
en geen hels staal werd in zijn smederij geperst.
Zijn baard was 'n zilv'ren beek als dooi is ingevallen.
Hij was niet schriel als hij aan 't schoven zetten was;
zag hij op 't veld een arme vrouw die aren las,
dan sprak hij tot de binders: ‘Laat een garfje vallen.’
In wit lijnwaad gekleed, van levenswandel rein,
hield hij de rechte wegen, zijpaden verfoeiend;
gedurig naar de kant der armen overvloeiend,
waren zijn korenzakken als een marktfontein.
Hij was goed voor zijn knechts en met zijn stam eendrachtig;
hij was vrijgevig, maar hij wist waarheen het ging;
de vrouwen stelden hem boven een jongeling,
want een jong man is schoon, maar een oud man is machtig.
De grijsaard, die zijn schreden naar de oorsprong richt,
verlaat der dagen tijd voor 't eeuwig dageraden;
vlammen zijn in de blik des jongelings te raden,
maar binnen in het oog des grijsaards ziet men licht.
*
Zo sliep dan Boaz in, te midden van de zijnen;
bij molenstenen, lijkend op een bouwval, lag
een groep slapende maaiers als een somb're wacht;
en dit speelde zich af in lang vervlogen tijden.
Richteren voerden destijds Israël's stammen aan;
op de nog van de zondvloed weke en vochtige aarde
zag de verschrikte mens, die met een tent rondwaarde,
van reuzen hier en daar de voetstappen nog staan.
*
Zoals eens Jacob en ook Judith heeft geslapen,
onder een blarendak, zo rustte Boaz hier;
en zie, de hemelpoort ging open op een kier
en tot zijn luikend oog kwam een droom neergevaren.
Die droom deed Boaz zien een aan zijn buik ontstegen
eik, die tot in het blauw des hemels stond ontbot;
daarlangs klom een geslacht, als schakelen geregen;
een koning zong beneden, boven stierf een god.
Toen deed de stem van Boaz' ziel zich zuchtend horen:
‘Hoe is het mogelijk dat dit ontspruit uit mij?
Want mijner jaren tal is de tachtig voorbij,
en ik bezit geen zoon, en heb mijn vrouw verloren.
Zij die 's nachts naast mij sliep, heeft nu reeds menig jaar,
o Heer, mijn legersteê verwisseld voor de Uwe;
en nochtans was dit niet het einde van ons huwen,
want zij stierf half in mij en ik stierf half met haar.
Uit mij zou een geslacht ontstaan? Hoe dit te denken?
Hoe is het mogelijk dat ik nog kind'ren win?
Zolang men jong is, zet de morgen stralend in,
de dag, de nacht verslaand, schijnt zegepraal te schenken;
maar de ouderdom beeft als een storm-gebogen boom.
Ik ben een eenzaam man, 't is avond voor mijn ogen,
en ik houd, o mijn God, mijn ziel naar 't graf gebogen,
gelijk een dorstig rund zijn kop reikt naar de stroom.’
Aldus heeft Boaz in de droom vervoerd gesproken,
wendend zijn slaapzware ogen Gode tegemoet;
de ceder voelt de roos niet, bij zijn stam ontloken,
en hij voelde de vrouw niet, hurkend bij zijn voet.
*
Toen hij sliep, had zich Ruth, een vrouw uit Moab's velden,
aan Boaz' voeteneind gelegd, haar borst was naakt;
zij hoopte, als plotseling de dag straks was ontwaakt,
op een geheime straal die 't zonlicht vergezelde.
Boaz wist niet dat zich een vrouw bij hem bevond,
en Ruth wist niet wat God door haar verrichten wilde;
van alle kant steeg frisse geur van affodillen;
de nacht ademde op Efrata met luwe mond.
Plechtig verbeidde de aarde goddelijke zegen;
van engelen bespeurde men de aanwezigheid,
want men zag in de duisternis, van tijd tot tijd,
iets blauws, dat op een vleugel leek, voorbij bewegen.
Samen met de ademhaling van Boaz die sliep
hoorde men beekjes murm'lend over mos heenglijden;
het jaar was in het lieflijkste der jaargetijden;
een krans van lelies langs de heuvelkruinen liep.
Ruth peinsde en Boaz sliep; men hoorde klokjes klinken
van kudden, zwervend in het zwart land heen en weer;
volstrekte schuldloosheid daalde uit de hemel neer;
het was het vredig uur waarin de leeuw gaat drinken.
Alles was rustende van Ur tot Bethlehem;
bezaaid met sterren was het diepe hemelduister;
een dunne halve maan, helderder dan die luister,
blonk in het westen; Ruth, roerloos geworden, en
haar oog onder haar sluier half geopend hebbend,
vroeg zich af, welke god, welke oogster van een oogst
die nimmer einde neemt, in 't heengaan achteloos
die gouden sikkel wegwierp in het veld der sterren.