|
1.
Accepi quod de iustis et piis laboribus manuum tuarum me accipere voluisti, ne te gravius contristarem, quam potius consolandam viderem: praesertim quia hoc ipsum tuum non parvum deputasti esse solatium, si eam, quam germano tuo sancto Dei ministro feceras tunicam, ego induerer; cum iam a terra morientium recedens nullis rebus corruptibilibus indigeret. Feci ergo quod desiderasti, et qualecumque hoc existimaveris, vel quantulumcumque solatium, tuo erga fratrem pectori non negavi. Missam abs te tunicam accepi, et quando haec ad te scripsi, ea me vestire iam coeperam. Bono animo esto; sed multo melioribus, multoque maioribus consolationibus utere, ut nubilum tui cordis humana infirmitate contractum, serenetur auctoritate divina: et perseveranter ita vive, ut cum fratre vivas; quoniam sic mortuus est tuus frater, ut vivat.
|
1.
Ik heb het geschenk aanvaard dat je mij uit je eerlijke en liefdevolle handwerk wilde geven. Ik deed dat om je niet nog meer te bedroeven, daar ik je juist wilde troosten. Vooral omdat jij het zelf als een grote steun zag als ik de tuniek zou dragen die je voor je broer — die heilige dienaar van God — had gemaakt; nu hij deze wereld van de stervenden heeft verlaten, heeft hij immers geen vergankelijke zaken meer nodig. Ik heb dus gedaan wat je wenste en ik heb je hart deze troost voor je broer niet ontzegd, hoe gering die ook moge zijn. Ik heb de tuniek ontvangen en terwijl ik dit schrijf, draag ik hem al. Houd moed, maar zoek je steun in veel hogere en grotere vormen van troost, zodat de somberheid die door menselijke zwakte in je hart is ontstaan, weer opklaart door Gods gezag. Leef standvastig, zodat je straks weer samen met je broer leeft; want hij is zó gestorven dat hij nu echt leeft.
|
|
2.
Est quidem materies lacrymarum, quod germanum dilectorem tuum, teque plurimum pro tua vita et sacrae virginitatis professione reverentem, diaconum Carthaginensis Ecclesiae non vides, sicut solebas, intrantem et exeuntem, et in sui ecclesiastici officii strenuitate versantem; et honorifica illa ab eo verba non audis, quae tuae germanitatis sanctitati, morigero, pio et officioso impendebat affectu. Haec cum cogitantur, et consuetudinis violentia requiritur, cor pungitur, et tamquam sanguis cordis fletus exoritur. Sed sursum sit cor, et sicci erunt oculi. Neque enim quia ista, quae tibi maeres esse subtracta, suo temporali cursu praeterierunt, ideo periit illa caritas qua Timotheus Sapida dilexit, et diligit; manet illa servata in thesauro suo, et abscondita est cum Christo in Domino. Qui diligunt aurum, numquid perdunt quando recondunt? nonne tunc de illo, quantum fieri potest, securiores fiunt, cum remotum a suis oculis loculis tutioribus servant? Itane vero terrena cupiditas munitius se habere putat, si non videat id quod amat; et coelestis caritas dolet, tamquam amiserit quod in horrea superna praemiserit. Sapida, quod vocaris attende, et quae sursum sunt sape, ubi Christus est ad dexteram Dei sedens; qui pro nobis dignatus est mori, ut viveremus etiam mortui; et ne mors ipsa ab homine, tamquam consumptura hominem, timeretur; nec mortuorum quisquam, pro quibus vita mortua est, tamquam vitam perdiderit, doleretur. Haec atque huiusmodi tua sint divina solatia quibus erubescat et cedat humana tristitia.
|
2.
Natuurlijk is er reden voor tranen. Je ziet je geliefde broer, die zoveel respect had voor jouw leven als gewijde maagd, niet meer in- en uitgaan als diaken van de kerk van Carthago, ijverig in zijn ambt. Je hoort zijn eervolle woorden niet meer, die hij je altijd met zoveel toewijding en broederlijke liefde gaf. Wanneer je daaraan denkt en de macht der gewoonte hem terugvraagt, steekt dat in je hart en vloeien de tranen als ware het je hartbloed. Maar richt je hart omhoog, dan zullen je ogen droog worden. Want ook al zijn deze aardse zaken voorbijgegaan, de liefde waarmee Timotheüs en Sapida elkaar liefhadden, is niet verloren. Die liefde blijft bewaard in een schatkamer en is verborgen met Christus in God. Mensen die van goud houden, verliezen dat toch ook niet als ze het veilig opbergen? Integendeel, ze voelen zich juist gerustgesteld wanneer ze hun bezit uit het zicht in een kluis bewaren. Als wereldse hebzucht meent dat haar bezit veiliger is als ze het niet ziet, waarom zou de hemelse liefde dan treuren, alsof ze verloren heeft wat ze alvast naar de hemelse schuren heeft vooruitgestuurd? Sapida, maak je naam waar en richt je op ('wees wijs in') de dingen die boven zijn, waar Christus aan de rechterhand van God zit. Hij was bereid voor ons te sterven zodat wij zouden leven, zelfs als we sterven. Zo hoeft de mens de dood niet meer te vrezen als een einde, en hoeft niemand te treuren om een overledene alsof die het leven heeft verloren. Laat dít je goddelijke troost zijn, waarvoor menselijk verdriet moet wijken.
|
|
3.
Non quidem succensendum est de caris mortuis dolori mortalium; sed diuturnus dolor non debet esse fidelium. Si ergo contristata es, iam sit satis; nec sic contristeris quemadmodum Gentes, quae spem non habent. Non enim constristari prohibuit Paulus apostolus, cum hoc diceret, sed sic constristari quemadmodum Gentes, quae spem non habent. Nam et Martha et Maria, piae sorores et fideles, resurrecturum suum fratrem Lazarum flebant, quamvis eum tunc ad hanc vitam rediturum esse nescirent: et ipse Dominus eumdem, quem fuerat resuscitaturus, Lazarum flevit; nimirum ut fleamus etiam nos eos mortuos quos ad veram vitam resurrecturos credimus, etsi non iussit praecepto, concessit exemplo. Nec frustra Scriptura dicit in libro Ecclesiastico: In mortuo produc lacrymas, et quasi dira perpessus incipe lamentationem: sed paulo post ait, et consolare propter tristitiam; a tristitia enim procedit mors, et tristitia cordis flectet fortitudinem.
|
3.
Men mag mensen hun verdriet om overleden dierbaren niet kwalijk nemen, maar bij gelovigen moet dat verdriet niet eindeloos duren. Als je bedroefd bent geweest, is het nu genoeg. Wees niet bedroefd zoals de heidenen, die geen hoop hebben. De apostel Paulus verbood niet om verdriet te hebben, maar alleen om zó bedroefd te zijn als zij die geen hoop hebben. Zelfs de vrome zussen Martha en Maria huilden om hun broer Lazarus, ook al wisten ze toen nog niet dat hij direct naar dit leven zou terugkeren. En de Heer zelf huilde om diezelfde Lazarus, die Hij nota bene zou gaan opwekken. Daarmee gaf Hij ons de ruimte: Hij gaf geen formeel gebod om te huilen, maar liet het door zijn voorbeeld wel toe. Niet voor niets zegt de Schrift: "Stort tranen om een dode", maar zegt even later ook: "En laat je troosten in je verdriet". Want uit aanhoudende droefheid komt de dood voort, en hartzeer breekt de innerlijke kracht.
|
|
4.
Frater tuus, filia, mente vivit, carne dormit; numquid qui dormit, non adiciet ut resurgat? Deus qui spiritum eius iam suscepit, restituet ei corpus suum, quod non perdendum abstulit, sed reddendum distulit. Nulla est igitur causa tristitiae diuturnae, quia potior est causa laetitiae sempiternae. Quandoquidem germani tui nec pars ipsa mortalis, quae in terra sepulta est, tibi peribit; in qua tibi praesentabatur, per quam te alloquebatur, tecumque colloquebatur; ex qua promebat vocem sic tuis auribus notam, quemadmodum faciem tuis oculis offerebat, ita ut ubicumque sonuisset, etiam non visus soleret agnosci. Haec enim vivorum sensibus subtrahuntur, ut dolorem faciat absentia mortuorum. Sed quando nec ipsa in aeternum corpora peribunt, uti nec capillus capitis peribit, et ad tempus deposita sic recipientur, ut numquam ulterior deponantur, sed in melius demutata firmentur; profecto maior est causa gratulationis in spe inaestimabilis aeternitatis, quam causa moeroris in re brevissimi temporis. Hanc spem non habent Gentes, nescientes Scripturas neque virtutem Dei; qui potest perdita reparare, et vivificare mortua, et redintegrare corrupta, et separata iterum iungere, et corrupta atque finita deinceps sine fine servare. Haec facturum se esse promisit, qui ex his fidem fecit, quae iam promissa perfecit. Haec tecum sermocinetur fides tua, quoniam non fraudabitur spes tua, etsi nunc differatur caritas tua: haec meditare; his uberius et verius consolare. Si enim, quia vestior (quoniam ille non potuit) ea veste quam fratri texueras, te aliquid consolatur; quanto debes amplius et certius consolari, quia cui fuerat praeparata, tunc incorruptibili indumento nullo egens, incorruptione atque immortalitate vestietur!
|
4.
Je broer, mijn dochter, leeft in de geest en slaapt wat zijn lichaam betreft; en zal wie slaapt niet weer opstaan? God, die zijn geest al heeft opgenomen, zal hem zijn lichaam teruggeven. Hij heeft het niet weggehaald om het te vernietigen, maar de teruggave ervan slechts uitgesteld. Er is dus geen reden voor blijvende rouw, want de reden voor eeuwige vreugde is veel groter. Zelfs dat sterfelijke deel van je broer dat nu begraven ligt, ben je niet kwijt. Dat lichaam was de manier waarop hij bij je was, waarmee hij met je sprak, en waaruit die vertrouwde stem klonk die je altijd herkende, zelfs als je hem niet zag. Nu is dat aan onze zintuigen onttrokken, en dat doet pijn. Maar aangezien die lichamen niet eeuwig verloren gaan — er zal geen haar van hun hoofd verloren gaan — en ze slechts tijdelijk zijn afgelegd om later onvergankelijk te worden terugontvangen, is de hoop op de eeuwigheid een veel grotere reden tot dankbaarheid dan het verdriet om een korte tijd van gemis. De heidenen hebben die hoop niet, omdat zij de Schriften en de kracht van God niet kennen. Hij kan herstellen wat verloren is en levend maken wat dood is. Hij heeft beloofd dit te doen, en Hij is zijn eerdere beloftes ook nagekomen. Laat je geloof dit tegen je zeggen; je hoop zal niet worden beschaamd, ook al wordt de hereniging nu even uitgesteld. Als het je al troost dat ik de kleding draag die jij voor je broer geweven hebt, hoeveel méér moet het je dan troosten dat hij straks bekleed wordt met onvergankelijkheid en onsterfelijkheid!
|