Sermo 61 - Bernardus over de duif in de rotskloof en Christus' wonden

Wellicht de beroemdste en meest invloedrijke preek die ooit is 'gehouden' (geschreven, want over de communicatie-modaliteit valt te twisten). De bruid/geliefde wordt hier aangesproken als 'een duif in de holten van de rotsk' (maceria). Door Bernardus in sectie 3 creatief geduid als de 'wonden (in de zijde) van de verrezen Heer'. Zeer invloedrijk beeld (hoorbaar in Buxtehude's membra en sommige Bach-cantates). Onderwijl schrijft hij een prachtige zin over hoet het 'verontruste geweten' (conscientia) wel verstoord wordt, wankelt, maar niet te gronde gaat, omdat het (hij) zich Jezus' wonden te binnen brengt : de evocatieve kracht zit'm in de ritmische opeenvolging van werkwoorden: 'turbare' - 'perturbare' - 'recordare'. Het wordt later verkort tot een zeer vaak geciteerde krachtspreuk (troostwoord): Turbabor, sed non perturbabor, quia vulnerum Domini recordabor"  : Ik zal wankelen, maar niet bezwijken, omdat ik de wonden des Heren gedenk.

Hieronder de hele preek in drie delen met daartussenin wat toelichtingen

Sectie 1-3

Latijn Nederlands
1. Surge, amica mea, sponsa mea, et veni (Cant. II, 13). Commendat sponsus multam dilectionem suam iterando amoris voces. Nam iteratio affectionis expressio est: et quod rursum ad laborem vinearum sollicitat dilectam, ostendit quam sit de animarum salute sollicitus. Nam vineas animas esse jam audistis. Non immoremur supervacue in his quae dicta sunt. Videte sequentia. Sponsam tamen nusquam, ut memini, in toto hoc opere aperte adhuc nominarat, nisi modo cum ad vineas itur, cum vino charitatis appropinquatur. Quae cum venerit et perfecta fuerit, faciet spirituale conjugium; et erunt duo, non in carne una, sed in uno spiritu, dicente Apostolo: Qui adhaeret Deo, unus spiritus est (I Cor. VI, 17). 1. "Sta op, mijn vriendin, mijn bruid, en kom" (Hoogl. 2:13). De bruidegom onderstreept zijn grote liefde door de woorden van liefde te herhalen. Want herhaling is een uitdrukking van genegenheid; en het feit dat hij zijn beminde opnieuw aanspoort tot het werk in de wijngaarden, laat zien hoe bezorgd hij is over het heil van de zielen. Want dat de wijngaarden zielen zijn, hebt u al gehoord. Laten we niet onnodig lang stilstaan bij wat al gezegd is. Kijk naar het vervolg. De bruid had hij echter, voor zover ik mij herinner, in dit hele werk nog nergens openlijk bij name genoemd, behalve nu men naar de wijngaarden gaat en de wijn van de liefde nadert. Wanneer zij gekomen is en volmaakt is geworden, zal zij het geestelijk huwelijk voltrekken; en zij zullen twee zijn, niet in één vlees, maar in één geest, zoals de Apostel zegt: "Wie zich aan God hecht, is één geest met Hem" (1 Kor. 6:17).
2. Sequitur: Columba mea in foraminibus petrae, in cavernis maceriae, ostende mihi faciem tuam, sonet vox tua in auribus meis. Amat et pergit amatoria loqui. Columbam denuo blandiendo vocat; suam dicit, et sibi asserit propriam: quodque ipse rogari obnixius ab illa solebat, ipsius nunc versa vice et conspectum postulat, et colloquium. Agit ut sponsus; sed ut verecundus, publicum erubescit, decernitque frui deliciis suis in loco sequestri, utique in foraminibus petrae, et in cavernis maceriae. Puta ergo sic dicere sponsum: Ne timeas, amica, quasi haec, ad quam te hortamur, opera vinearum negotium amoris impedire seu interrumpere habeat. Erit certe et aliquis usus in ea ad id quod pariter optamus. Vineae sane macerias habent, et hae diversoria grata verecundis. Hic litteralis lusus. Quidni dixerim lusum? Quid enim serium habet haec litterae series? Ne auditu quidem dignum quod foris sonat, si non intus adjuvet Spiritus infirmitatem intelligentiae nostrae. Ne ergo remaneamus foris, ne et turpium, quod absit! amorum videamur lenocinia recensere, afferte pudicas aures ad sermonem qui in manibus est de amore; et cum ipsos cogitatis amantes, non virum et feminam, sed Verbum et animam sentiatis oportet. Et si Christum et Ecclesiam dixero, idem est; nisi quod Ecclesiae nomine non una anima, sed multarum unitas, vel potius unanimitas designatur. Nec sane foramina petrae, aut cavernas maceriae, latebras putetis operantium iniquitatem, ne qua prorsus suspicio subeat de operibus tenebrarum. 2. Er volgt: "Mijn duif in de holten van de rots, in de nissen van de muur, laat mij je gezicht zien, laat je stem klinken in mijn oren." Hij heeft lief en gaat voort met het spreken van liefdeswoorden. Vleiend noemt hij haar opnieuw "duif"; hij noemt haar de zijne en eigent haar zichzelf toe als zijn bezit. En datgene waarvoor hij gewoonlijk zo vurig door haar gevraagd werd, daar vraagt hij nu omgekeerd zelf om: haar aanblik en een gesprek. Hij handelt als een bruidegom; maar als een ingetogen bruidegom schuwt hij de openbaarheid en besluit hij van zijn vreugde te genieten op een afgezonderde plek, namelijk in de holten van de rots en de nissen van de muur. Stel je dus voor dat de bruidegom dit zegt: "Vrees niet, vriendin, alsof dit werk in de wijngaarden waartoe wij je aansporen, de liefdeszaak zou belemmeren of onderbreken. Er zal zeker ook daarin een nut zijn voor datgene wat wij beiden wensen. De wijngaarden hebben immers muren, en deze bieden aangename verblijfplaatsen voor wie schuchter is." Dit is een spel met de letterlijke tekst. Waarom zou ik het geen spel noemen? Wat heeft deze opeenvolging van letters immers voor ernstigs in zich? Wat er aan de buitenkant klinkt, is het horen niet eens waard, als de Geest onze zwakke intelligentie niet van binnenuit te hulp komt. Laten we daarom niet aan de buitenkant blijven staan, opdat we niet — God verhoede het! — de verleidingen van schandelijke liefdes lijken op te sommen. Breng zuivere oren mee naar deze verhandeling over de liefde; en wanneer u aan deze geliefden denkt, moet u daarin niet een man en een vrouw zien, maar het Woord en de ziel. En als ik spreek over Christus en de Kerk, is dat hetzelfde; behalve dat met de naam "Kerk" niet één ziel, maar de eenheid, of liever de eensgezindheid van velen wordt aangeduid. Denk ook niet dat de holten in de rots of de nissen in de muur schuilplaatsen zijn voor wie onrecht bedrijven, zodat er geen enkele verdenking ontstaat van werken der duisternis.
3. Alius hunc locum ita exposuit, foramina petrae vulnera Christi interpretans. Recte omnino; nam petra Christus. Bona foramina, quae fidem astruunt resurrectionis et Christi divinitatem. Dominus meus, inquit, et Deus meus (Joan. XX, 28). Unde hoc reportatum oraculum, nisi ex foraminibus petrae? In his passer invenit sibi domum, et turtur nidum, ubi reponat pullos suos (Psal. LXXXIII, 4); in his se columba tutatur, et circumvolitantem intrepida intuetur accipitrem. Et ideo ait: Columba mea in foraminibus petrae. Vox columbae, In petra exaltavit me (Psal. XXVI, 6); et item: Statuit, inquit, supra petram pedes meos (Psal. XXXIX, 3). Vir sapiens aedificat domum suam supra petram, quod ibi nec ventorum formidet injurias, nec inundationum (Matth. VII, 24, 25).
Quid non boni in petra? In petra exaltatus, in petra securus, in petra firmiter sto. Securus ab hoste, fortis a casu; et hoc quoniam exaltatus a terra. Anceps est enim et caducum, terrenum omne. Conversatio nostra in coelis sit, et nec cadere, nec dejici formidamus. In coelis petra, in illa firmitas atque securitas est. Petra refugium herinaciis (Psal. CIII, 18). Et revera ubi tuta firmaque infirmis securitas et requies, nisi in vulneribus Salvatoris? Tanto illic securior habito, quanto ille potentior est ad salvandum. Fremit mundus, premit corpus, diabolus insidiatur: non cado; fundatus enim sum supra firmam petram. Peccavi peccatum grande: turbabitur conscientia, sed non perturbabitur, quoniam vulnerum Domini recordabor. Nempe vulneratus est propter iniquitates nostras (Isai. LIII, 5). Quid tam ad mortem, quod non Christi morte solvatur? Si ergo in mentem venerit tam potens tamque efficax medicamentum, nulla jam possum morbi malignitate terreri.
3. Iemand anders heeft deze passage zo uitgelegd, dat hij de holten van de rots interpreteerde als de wonden van Christus. Geheel terecht; want de rots is Christus. Goede holten, die het geloof in de verrijzenis en de goddelijkheid van Christus bevestigen. "Mijn Heer," zei hij, "en mijn God" (Joh. 20:28). Waar kwam deze uitspraak vandaan, anders dan uit de holten van de rots? In deze vindt de mus een huis voor zich, en de tortelduif een nest waar zij haar jongen neerlegt (Ps. 83:4); hierin beschermt de duif zich en kijkt zij onverschrokken naar de sperwer die rondvliegt. En daarom zegt Hij: "Mijn duif in de holten van de rots." De stem van de duif: "Op een rots heeft Hij mij verhoogd" (Ps. 26:6); en evenzo: "Hij heeft," zegt hij, "mijn voeten op een rots geplaatst" (Ps. 39:3). Een wijs man bouwt zijn huis op een rots, omdat hij daar noch de schade van de winden, noch die van de overstromingen vreest (Matth. 7:24, 25).
Wat is er niet goed in de rots? Verheven op de rots, veilig op de rots, sta ik stevig op de rots. Veilig voor de vijand, sterk tegen het noodlot; en dit omdat ik boven de aarde ben verheven. Want alles wat aards is, is onzeker en vergankelijk. Laat onze wandel in de hemelen zijn, en wij vrezen niet te vallen of neergeworpen te worden. In de hemel is de rots, daarin is vastigheid en veiligheid. De rots is een schuilplaats voor de klipdassen (Ps. 103:18). En waar is er werkelijk een veilige en vaste zekerheid en rust voor de zwakken, dan in de wonden van de Heiland? Ik woon daar des te veiliger, naarmate Hij machtiger is om te redden. De wereld raast, het lichaam drukt zwaar, de duivel loert: ik val niet, want ik ben gegrondvest op een stevige rots. Ik heb een grote zonde begaan: mijn geweten zal verontrust worden, maar niet toaal verbijsterd, want ik zal de wonden van de Heer gedenken. Immers, Hij is gewond om onze ongerechtigheden (Jes. 53:5). Wat is er zo dodelijk dat het niet door de dood van Christus teniet wordt gedaan? Als dus een zo krachtig en doeltreffend geneesmiddel in de geest opkomt, kan ik door geen enkele kwaadaardigheid van de ziekte meer worden afgeschrikt.

Opmerkingen:

Algemeen: net als in de andere sermones gaat het om de ontmoeting tussen Christus en de gelovige ziel (zowel individueel als als gemeenschap: de kerk) Verbum (het Woord/Christus) en Anima (de ziel). In deze preek wordt de aandacht op Christus' wonden gericht.

De passage in sermo 61 "...turbabitur conscientia, sed non perturbabitur, quoniam vulnerum Domini recordabor" (het geweten zal verontrust worden (geschokt, wankelen), maar niet verbijsterd/verward (instorten), want ik zal  de wonden van de Heer gedenken (met te binnen brengen). Deze schitterende zin (wat een literaire gigant is Bernard) heeft geschiedenis geschreven. Ze is ingekort (het onderwerp (conscientia) is geschrapt, verpersoonlijkt tot 'ik' (eerste naamval).
"Turbabor, sed non perturbabor, quia vulnerum Domini recordabor"
(Ik zal aan het wankelen worden gebracht, maar niet door en door ontzet, want ik zal de wonden des Heren gedenken): Talloze malen wordt deze zin boven een lied, een gebed, een verhandeling gezet. En ook op muziek gezet. (Schütz, Cantiones sacrae, 1625): Een motto, een devies
Conclusie: Hoewel de spreuk vaak als een opzichzelfstaande wijsheid aan Augustinus wordt toegeschreven, is het een verkorte versie van deze gedachtengang van Bernardus van Clairvaux.

sectie 4 en 5

Latijn Nederlands
4. Et iideo liquet errasse illum qui ait: Major est iniquitas mea, quam ut veniam merear (Gen. IV, 13). Nisi quod non erat de membris Christi, nec pertinebat ad eum de Christi merito, ut suum praesumeret, suum diceret quod illius esset; tanquam rem capitis membrum. Ego vero fidenter quod ex me mihi deest usurpo mihi ex visceribus Domini, quoniam misericordia affluunt; nec desunt foramina, per quae effluant. Foderunt manus ejus et pedes, latusque lancea foraverunt: et per has rimas licet mihi sugere mel de petra, oleumque de saxo durissimo; id est, gustare et vedere quoniam suavis est Dominus. Cogitabat cogitationes pacis, et ego nesciebam. Quis enim cognovit sensum Domini? aut quis consiliarius ejus fuit? At clavis reserans, clavus penetrans factus est mihi, ut videam voluntatem Domini. Quidni videam per foramen? Clamat clavus, clamat vulnus, quod vere Deus sit in Christo mundum reconcilians sibi. Ferrum pertransiit animam ejus, et appropinquavit cor illius, ut non jam non sciat compati infirmitatibus meis. Patet arcanum cordis per foramina corporis; patet magnum illud pietatis sacramentum, patent viscera misericordiae Dei nostri, in quibus visitavit nos oriens ex alto. Quidni viscera per vulnera pateant? In quo enim clarius quam in vulneribus tuis eluxisset, quod tu, Domine, suavis et mitis, et multae misericordiae? Majorem enim miserationem nemo habet, quam ut animam suam ponat quis pro addictis morti et damnatis. 4. En daarom heeft hij duidelijk gedwaald die zei: "Mijn misdaad is te groot om vergeving te verdienen" (Kaïn, Gen. 4:13). Tenzij hij geen lidmaat van Christus was, en het hem niet toe behoorde om te vertrouwen op de verdienste van Christus, of datgene wat van Hem was het zijne te noemen; zoals een lidmaat dat doet met wat van het hoofd is. Ik echter eigen mij vol vertrouwen datgene wat mij aan mijzelf ontbreekt toe uit het binnenste van de Heer, want dat stroomt over van barmhartigheid; en het ontbreekt niet aan holten waardoor die naar buiten stroomt. Zij hebben Zijn handen en voeten doorboord (Ps. 22:17) en met een lans zijn zijde geopend: en door deze kieren is het mij toegestaan honing uit de rots te zuigen en olie uit de allerhardste steen; dat wil zeggen, te proeven en te zien hoe goed de Heer is. (Ps. 34:9) Hij koesterde gedachten van vrede, en ik wist het niet. Want wie heeft de gedachte des Heren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? (Rom. 11:34)Maar de spijker die ontsluit, is voor mij een spijker geworden die binnendringt, zodat ik de wil van de Heer kan zien. Waarom zou ik niet door de opening kijken? De spijker roept, de wond roept, dat God waarlijk in Christus de wereld met Zichzelf aan het verzoenen is. Het ijzer is door Zijn ziel gegaan en heeft Zijn hart bereikt (Ps. 105:18; Ps. 55:22), zodat Hij nu niet meer onwetend is in het meevoelen met mijn zwakheden. Het geheim van het hart ligt open door de openingen/holten van het lichaam; dat grote mysterie (sacramentum) van de vroomheid (pietas) ligt open, de ingewanden van de barmhartigheid van onze God liggen open, waarin de Opgang uit de hoogte ons heeft bezocht. (Luk. 1:78) Waarom zouden de ingewanden niet door de wonden openliggen? Waarin immers had duidelijker kunnen schitteren dan in Uw wonden, dat U, Heer, goed en zachtmoedig bent, en van grote barmhartigheid? (Ps. 86:5) Want niemand heeft grotere ontferming dan hij die zijn leven geeft voor hen die aan de dood zijn overgeleverd en veroordeeld. (Joh. 15:13)
5. Meum proinde meritum, miseratio Domini. Non plane sum meriti inops, quandiu ille miserationum non fuerit. Quod si misericordiae Domini multae, multus nihilominus ego in meritis sum. Quid enim si multorum sim mihi conscius delictorum? Nempe ubi abundavit delictum, superabundavit et gratia (Rom. V, 20). Et si misericordiae Domini ab aeterno et usque in aeternum (Psal. CII, 17), ego quoque misericordias Domini in aeternum cantabo (Psal. LXXXVIII, 2). Nunquid justitias meas? Domine, memorabor justitiae tuae solius (Psal. LXX, 16). Ipsa est enim et mea; nempe factus es mihi tu justitia a Deo. Nunquid mihi verendum, ne non una ambobus sufficiat? Non est pallium breve, quod, secundum prophetam, non possit operire duos (Isai. XXVIII, 20). Justitia tua, justitia in aeternum (Psal. CXVIII, 142). Quid longius aeternitate? Et te pariter et me operiet largiter larga et aeterna justitia. Et in me quidem operit multitudinem peccatorum; in te autem, Domine, quid nisi pietatis thesauros, divitias bonitatis? Hae in foraminibus petrae repositae mihi. Quam magna multitudo dulcedinis tuae in illis, opertae quidem, sed in his qui pereunt! Utquid enim sanctum detur canibus, vel margaritae porcis? Nobis autem revelavit Deus per Spiritum suum, etiam et apertis foraminibus introduxit in sancta. Quanta in his multitudo dulcedinis, plenitudo gratiae, perfectioque virtutum! 5. Vandaar dat mijn verdienste (meritum) de ontferming (miseratio) van de Heer is. Ik ben zeker niet arm aan verdienste, zolang Hij niet arm aan ontferming is. En als de barmhartigheden van de Heer talrijk zijn, dan ben ik desondanks rijk aan verdiensten. Want wat als ik mij bewust ben van vele overtredingen? Immers, waar de zonde overvloedig is geworden, daar is de genade nog meer overvloedig geworden (Rom. 5:20). En als de barmhartigheden van de Heer van eeuwigheid tot eeuwigheid zijn (Ps. 102:17), dan zal ook ik de barmhartigheden van de Heer in eeuwigheid bezingen (Ps. 88:2). Zou ik mijn eigen rechtvaardigheden bezingen? Heer, ik zal Uw rechtvaardigheid alleen gedenken (Ps. 70:16). Want die is ook de mijne; U bent immers voor mij door God tot rechtvaardigheid gemaakt. Moet ik soms vrezen dat één rechtvaardigheid niet voor ons beiden volstaat? Het is geen te korte mantel die, volgens de profeet, niet twee mensen kan bedekken (Jes. 28:20). Uw rechtvaardigheid is een rechtvaardigheid tot in eeuwigheid (Ps. 118:142). Wat is langer dan de eeuwigheid? De overvloedige en eeuwige rechtvaardigheid zal zowel U als mij ruimschoots bedekken. En in mij bedekt zij weliswaar een menigte zonden; (Jac 5:20) maar in U, Heer, wat vindt men daar anders dan de schatkamers van vroomheid, de rijkdommen van goedheid?
Deze liggen voor mij weggelegd in de holten van de rots. Hoe groot is de overvloed van Uw zoetheid daarin (Ps. 31:20); zij is weliswaar verborgen, maar alleen voor hen die verloren gaan! (2Cor 2:15) Want waarom zou het heilige aan de honden gegeven worden, of parels voor de zwijnen? Mt. 7:6)Aan ons echter heeft God het geopenbaard door Zijn Geest (1Cor 2:10), en door de geopende holten heeft Hij ons binnengeleid in het heilige. Wat een overvloed aan zoetheid is daar, wat een volheid van genade en volmaaktheid van deugden!

Paar beelden, kernbegrippen (naast de reeds gekende: foramina)

Het slot: sectie 6-8

 
Latijn Nederlands
6. Ibo mihi ad illa sic referta cellaria, atque ad admonitionem prophetae relinquam civitates, et habitabo in petra (Jerem. XLVIII, 28). Ero quasi columba nidificans in summo ore foraminis, ut cum Moyse positus in foramine petrae, transeunte Domino, merear saltem posteriora ejus prospicere (Exod. XXXIII, 22, 23). Nam faciem stantis, id est incommutabilis claritatem, quis videat, nisi qui introduci jam meruit, non in sancta, sed in sancta sanctorum? Nec vilis tamen aut contemnenda posteriorum contemplatio. Contemnat Herodes; ego tanto magis non contemno, quanto magis contemptibilem se ostendit Herodi. Habent etiam aliquid et posteriora Domini quod videre delectet. Quis scit si convertatur et ignoscat Deus, et relinquat post se benedictionem? Erit cum ostendet faciem suam, et salvi erimus. Sed interim praeveniat nos in benedictionibus dulcedinis, illis utique quas post se relinquere consuevit. Nunc dignationis suae posteriora demonstret, alias in gloria dignitatis faciem suam demonstraturus. Sublimis in regno, sed suavis in cruce. In hac me visione praeveniat, in illa adimpleat. Adimplebis me, ait, laetitia cum vultu tuo (Psal. XV, 11). Utraque visio salutaris, utraque suavis; sed illa in sublimitate, ista in humilitate; illa in splendore, haec in pallore est. 6. Ik zal gaan naar die zo goedgevulde kelders en op vermaning van de profeet de steden verlaten en in/op de rots gaan wonen (Jer. 48:28). Ik zal zijn als een duif die haar nest bouwt in de opening van de rotsholte, zodat ik, zoals Mozes geplaatst in de holte van de rots terwijl de Heer voorbijging, het moge verdienen om tenminste Zijn achterzijde te aanschouwen (Ex. 33:22, 23). Want wie kan de aanblik van Hem die daar staat — dat wil zeggen de helderheid van de Onveranderlijke — zien, tenzij hij die het al verdiend heeft binnengeleid te worden, niet slechts in het heilige, maar in het heilige der heiligen? Toch is de schouwing van de achterzijde niet minderwaardig of verachtelijk. Laat Herodes Hem verachten; ik veracht Hem des te minder, naarmate Hij zich voor Herodes verachtelijker toonde. Ook de achterzijde van de Heer heeft iets dat deugd doet om te zien. Wie weet of God Zich zal omkeren en vergeven, en na Zich een zegen zal achterlaten? Er zal een tijd komen dat Hij Zijn gelaat zal tonen en wij gered zullen zijn. Maar laat Hij ons intussen tegemoetkomen met de zegeningen van zoetheid, namelijk die welke Hij gewoonlijk achterlaat. Laat Hij nu de achterzijde van Zijn neerbuigende liefde tonen, om later in de glorie van Zijn waardigheid Zijn gelaat te tonen. Verheven in Zijn koninkrijk, maar lieflijk aan het kruis. Laat Hij mij in dit visioen voorafgaan, en mij in dat andere visioen vervullen. "U zult mij vervullen," zegt hij, "met vreugde voor Uw aangezicht" (Ps. 15:11). Beide visioenen zijn heilzaam, beide zijn zoet; maar het ene is in verhevenheid, het andere in nederigheid; het ene is in glans, het andere in bleekheid.
7. Denique inquit, Et posteriora dorsi ejus in pallore auri (Psal. LXVII, 14). Quomodo non in morte pallescat? Sed melius pallens aurum quam fulgens aurichalcum, et quod stultum est Dei sapientius est hominibus. Aurum Verbum, aurum Sapientia est. Hoc aurum semetipsum decoloravit, abscondens formam Dei, et formam servi praetendens. Decoloravit et Ecclesiam, quae ait: Nolite me considerare quod fusca sim, quia decoloravit me sol (Cantic. I, 5). Ergo et posteriora ipsius in pallore auri, quae fuscum non erubuit crucis, ustionem passionis non horruit, livorem vulnerum non refugit. Etiam complacet sibi in illis, et optat novissima sua fore horum similia. Idcirco denique audit: Columba mea in foraminibus petrae, quod in Christi vulneribus tota devotione versetur, et jugi meditatione demoretur in illis. Inde martyrii tolerantia, inde illi magna fiducia apud Deum altissimum. Non est quod vereatur martyr exsanguem lividamque levare ad eum faciem, cujus livore sanatus est, gloriosam repraesentare similitudinem mortis ejus, utique in pallore auri. Quid vereatur cui etiam a Domino dicitur: Ostende mihi faciem tuam? Ad quid? Ut mihi videtur, se magis ostendere vult. Ita est: videri vult, non videre. Quid enim ille non videt? Non est ei opus ut quis se ostendat, a quo nil non videtur, nec si se abscondat. Vult ergo videri, vult benignus dux devoti militis vultum et oculos in sua sustolli vulnera, ut illius ex hoc animum erigat, et exemplo sui reddat ad tolerandum fortiorem. 7. Ten slotte zegt hij: "En de achterzijde van zijn rug in de bleekheid van goud" (Ps. 67:14). Hoe zou Hij in de dood niet verbleken? Maar bleek goud is beter dan glanzend koper, en wat dwaas is bij God, is wijzer dan de mensen. Het Goud is het Woord, het Goud is de Wijsheid. Dit goud heeft zijn eigen kleur verloren door de gedaante van God te verbergen en de gedaante van een knecht aan te nemen. Hij heeft ook de kleur van de Kerk doen veranderen, die zegt: "Kijk er niet naar dat ik donker ben, want de zon heeft mijn kleur doen veranderen" (Hoogl. 1:5). Dus ook Zijn achterzijde is in de bleekheid van goud, zij die de schande van het kruis niet heeft geschuwd, de brand van het lijden niet heeft gevreesd en de striemen van de wonden niet is ontvlucht. Zij schept daarin zelfs behagen en wenst dat haar einde hierop zal lijken. Daarom hoort zij ten slotte: "Mijn duif in de holten van de rots", omdat zij met haar hele devotie in de wonden van Christus verblijft en daar door voortdurende meditatie vertoeft. Daaruit put zij de verdraagzaamheid van het martelaarschap, daaruit haar grote vertrouwen bij de allerhoogste God. De martelaar hoeft niet te vrezen zijn bloedeloze en lijkbleke gezicht op te heffen naar Hem door wiens striemen hij genezen is, om de roemvolle gelijkenis van Zijn dood te tonen, namelijk in de bleekheid van goud. Waarom zou hij vrezen tegen wie zelfs door de Heer wordt gezegd: "Toon mij je gezicht"? Waarom? Naar het mij toeschijnt, wil Hij Zichzelf eerder tonen. Zo is het: Hij wil gezien worden, niet zien. Want wat ziet Hij niet? Hij heeft het niet nodig dat iemand zich aan Hem toont, daar niets door Hem niet gezien wordt, zelfs niet als iemand zich zou verbergen. Hij wil dus gezien worden; Hij wil als een goedgunstige aanvoerder dat het gezicht en de ogen van de toegewijde soldaat worden opgeheven naar Zijn wonden, om zo diens moed op te wekken en hem door Zijn voorbeeld sterker te maken om te verdragen.
8. Enimvero non sentiet sua, dum illius vulnera intuebitur. Stat martyr tripudians et triumphans, toto licet lacero corpore; et rimante latera ferro, non modo fortiter, sed et alacriter sacrum e carne sua circumspicit ebullire cruorem. Ubi ergo tunc anima martyris? Nempe in tuto, nempe in petra, nempe in visceribus Jesu, vulneribus nimirum patentibus ad introeundum. Si in suis esset visceribus, scrutans ea ferrum profecto sentiret; dolorem non ferret, succumberet, et negaret. Nunc autem in petra habitans, quid mirum si in modum petrae duruerit? Sed neque hoc mirum, si exsul a corpore dolores non sentiat corporis. Neque hoc facit stupor, sed amor. Submittitur enim sensus, non amittitur. Nec deest dolor, sed superatur, sed contemnitur. Ergo ex petra martyris fortitudo, inde plane potens ad bibendum calicem Domini. Et calix hic inebrians quam praeclarus est! (Psal. XXII, 5.) Praeclarus, inquam, atque jucundus non minus imperatori spectanti, quam militi triumphanti. Gaudium etenim Domini, fortitudo nostra (II Esdr. VIII, 10). Quidni gaudeat ad vocem fortissimae confessionis? Denique et requirit eam cum desiderio: Sonet, inquiens, vox tua in auribus meis. Nec cunctabitur rependere vicem secundum suam promissionem: continuo ut se confessus fuerit coram hominibus, confitebitur et ipse eum coram Patre suo (Matth. X, 32).
Rumpamus sermonem, nec enim potest finiri modo; ne sit sine modo, si cuncta quae adhuc ex proposito capitulo restant, uno isto velimus sermone complecti. Ergo quod superest servemus principio alteri, ut de nostro sane et verbo et modo gaudeat sponsus Ecclesiae Jesus Christus Dominus noster, qui est super omnia Deus benedictus in saecula. Amen
8. Immers, hij zal zijn eigen wonden niet voelen terwijl hij (zolang hij) de wonden van Hem aanschouwt. De martelaar staat daar juichend en zegevierend, ook al is zijn hele lichaam verscheurd; en terwijl het ijzer zijn zijden doorboort, ziet hij niet alleen dapper maar zelfs opgewekt het heilige bloed uit zijn vlees opwellen. Waar is dan op dat moment de ziel van de martelaar? Natuurlijk op een veilige plek, natuurlijk in de rots, natuurlijk in het binnenste van Jezus, in de wonden die immers openstaan om binnen te gaan. Als hij in zijn eigen binnenste zou zijn, zou hij het ijzer dat hem onderzoekt zeker voelen; hij zou de pijn niet verdragen, hij zou bezwijken en verloochenen. Maar nu hij in de rots woont, is het dan een wonder dat hij hard is geworden als een rots? Het is ook niet verwonderlijk dat hij, als balling uit het lichaam, de pijnen van het lichaam niet voelt. En dit komt niet door gevoelloosheid, maar door liefde. Het gevoel wordt immers onderworpen, niet verloren. De pijn ontbreekt niet, maar wordt overwonnen, wordt veracht. Dus uit de rots komt de kracht van de martelaar, daaruit is hij duidelijk bij machte om de beker van de Heer te drinken. En hoe heerlijk is deze bedwelmende beker! (Ps. 22:5). Heerlijk, zeg ik, en niet minder verheugend voor de toekijkende Keizer dan voor de zegevierende soldaat. Want de vreugde van de Heer is onze kracht (Neh. 8:10). Waarom zou Hij Zich niet verheugen bij de stem van de krachtigste belijdenis? Daarom vraagt Hij er ook met verlangen naar: "Laat," zegt Hij, "jouw stem klinken in Mijn oren." En Hij zal niet aarzelen om op Zijn beurt te antwoorden volgens Zijn belofte: zodra iemand Hem beleden heeft voor de mensen, zal Hij diegene ook belijden voor Zijn Vader (Matth. 10:32).
Laten we de preek afbreken, want hij kan nu niet worden beëindigd; laat het niet maatloos (sine modo) worden als we alles wat nog overblijft van het voorgenomen hoofdstuk in deze ene preek zouden willen omvatten. Laten we dus wat overblijft bewaren voor een volgend begin, zodat de Bruidegom van de Kerk, Jezus Christus onze Heer, die God is boven alles en gezegend in de eeuwen, Zich over ons woord en onze maat (modus) mag verheugen. Amen.

en nog wat opmerkingen