‘De Israëlieten wandelen u tegen het lijf’

Antwerpen en zijn joodse bevolking, 1880-1944

Lieven Saerens, Vreemdelingen in een wereldstad. Een geschiedenis van Antwerpen en zijn joodse bevolking (1880-1944). Tielt: Lannoo, 2000. 847 blz.

Bespreking door Joseph Pearce

Tijdens de razzia in Berchem, Borgerhout en Antwerpen-stad van 28 augustus 1942 werden meer dan elfhonderd joden opgepakt en naar de Dossinkazerne in Mechelen vervoerd. Behalve Duitsers en Vlaamse SS’ers deden ook 68 Antwerpse agenten en drie ondercommissarissen aan de actie mee. Ze kweten zich nauwgezet van hun taak en gingen bijzonder brutaal te werk. Waarom hielp de gemeentepolitie de bezetter zo enthousiast bij de opsporing van joden? En hoe reageerden de gezagsdragers burgemeester Leon Delwaide, hoofdcommissaris Jozef De Potter, procureur des konings E. Baers en provinciegouverneur Jan Grauls? Waarom zweeg Delwaide in zijn naoorlogse memoires over de razzia’s van 15 en 27 augustus? Waarom werden er in Antwerpen veel meer joden gearresteerd dan in de rest van België, en hoe kwam het dat joden in Antwerpen nauwelijks op de hulp van hun stadsgenoten konden rekenen?

Lieven Saerens geeft het antwoord op deze en andere cruciale vragen in het best gedocumenteerde en meest diepgaande onderzoek dat ooit over Antwerpen en zijn joden is verschenen. Vreemdelingen in een wereldstad is een standaardwerk, een onberispelijk wetenschappelijk proefschrift. Saerens wijst alleen dan met de vinger als de bewijslast overweldigend is. Hij waagt zich nooit aan speculaties en is bereid voortdurend te nuanceren. Het is ook een boeiend boek. Hoewel Saerens hier en daar met cijfers en statistieken goochelt, is dit werk in de allereerste plaats een fascinerende wandeling door 66 jaar Antwerpse geschiedenis.

Ten slotte geeft het een signaal. Saerens heeft nooit de bedoeling gehad een verband met het heden te leggen, en toch zijn de parallellen niet mis te verstaan: het verhaal van een stad waar vreemdelingenhaat voet aan de grond krijgt, een stad die een zondebok uitkiest en die ten slotte zonder scrupules de stad uitjaagt. Het oorlogsverleden van Antwerpen is nooit scherper in beeld gebracht. Is het de zwartste bladzijde uit zijn rijke historie? En willen de Antwerpenaars van vandaag iets leren uit die tragische gebeurtenissen?

Van gastvrijheid naar vooroordelen

Tot na de Eerste Wereldoorlog verwelkomde Antwerpen zijn vreemdelingen met open armen. Na 1880 begonnen ook grote groepen joden te immigreren. Zij waren gevlucht voor de pogroms in het Russische rijk en zagen Antwerpen vooral als doorvoerhaven naar Amerika. De joden die allang in de stad woonden waren vooral van Duitse en Nederlandse afkomst. De synagoge in de Bouwmeesterstraat (in de buurt van het Museum voor Schone Kunsten) werd de Hollandse synagoge genoemd, en in de Oostenstraat bij het Centraal Station was er een Jüdische Deutsche Realschule. De joden waren in alle domeinen van de economie te vinden: ze trokken rond als handelaars en leurders of hielden winkeltjes, de elite was actief in de bankwereld, de industrie en de vrije beroepen.

Toen de Grote Oorlog uitbrak, moesten de Duitse en Oostenrijks-Hongaarse joden meteen het land uit. Treinen brachten hen over de Belgisch-Duitse grens, maar een aantal verkoos naar Nederland uit te wijken. De Belgische joden bleven. Velen voelden zich bovendien flamingant, en enkelen sloten zich zelfs aan bij het activisme. Na de oorlog keerden de meeste joden terug. Ze werden bovendien aangevuld met vooral orthodoxe immigranten uit het pas onafhankelijke Polen, waar antisemitisme als vanouds heerste. Net als voor 1914 woonden de joden haast uitsluitend in de wijken rond het Centraal Station: meer dan dertig nationaliteiten, met Jiddisch als voertaal. De Van Rijswijck-affaire niet te na gesproken bleef Antwerpen een gastvrije stad, en niet alleen voor joden. Al in 1922 werd het eerste Chinese restaurant van het land geopend. De diamantindustrie bloeide. Van antisemitisme was nauwelijks sprake.

Alleen in katholieke en Belgisch-nationalistische kringen keek men joden met de nek aan. De kerk had al eeuwenlang van de kansel geroepen dat de joden de moordenaars Gods, en dus een vervloekt en bedrieglijk volk waren. Intussen doken nieuwe vooroordelen op. De jood was een revolutionair en een bolsjewiek, en hij had banden met de vrijmetselarij. Of hij was een kapitalist, die de economische orde verstoorde en de traditionele christelijke waarden met voeten trad. En hoewel de oneerlijke jood het stereotiepe beeld bij uitstek bleef, haalde de katholieke pers ook uit naar het zionisme. “Hoe kan een parasiet leven in een arm land?” vroeg Gazet van Antwerpen. De krant juichte ook de politierazzia’s toe tegen vreemde leurders, die de herbergen en markten met hun “koffers en valiezen” afliepen.

Het onderzoek van Saerens levert hier een eerste grote verrassing op. “In de jaren na de Eerste Wereldoorlog waren het niet de Vlaams-nationalisten die op de joden gebeten waren,” vertelt hij. “Tot mijn eigen verbazing vond ik alleen bij de Belgisch-nationalisten een duidelijke anti-joodse houding. Wél maakten ze nog onderscheid tussen goede en slechte joden. Joodse oud-strijders, zoals generaal Bernheim, bleven voortreffelijke vaderlanders. Bij de Vlaams-nationalisten heerste toen nog de romantische gedachte dat ‘de taal gans het volk’ was. Een vreemdeling die Nederlands wilde spreken werd in de Vlaamse familie opgenomen.”

De tolerantie van de Vlaams-nationalisten ging nog verder. Ze geloofden in menselijke broederlijkheid, in het internationalisme en de vrede, en toen de NSDAP van Adolf Hitler in het begin van de jaren twintig haar antisemitische leuzen aanhief, werd dat programma uitdrukkelijk afgewezen. Rabbijn Jossel Friedman, directeur van de orthodoxe joodse school Jesodé Hatorah, engageerde zelfs Vlaamse leerkrachten die van activisme waren beschuldigd en geen werk meer vonden in het openbaar onderwijs. Alleen uit katholieke hoek werd nog met scherp op joden geschoten. Het Vlaamsch Heelal schreef dat de joden in de zomer de beste plaatsjes innamen in de stadsparken en de dierentuin. Terwijl ons publiek zich tevreden stelt met de afgelegen terreintjes, betoogde het Borgerhoutse blad, wandelen de Israëlieten u tegen het lijf en zijn ze op de koelste plaatsjes aan te treffen.

1929: het scharniermoment

De opmars van het Antwerpse antisemitisme begint volgens Saerens in 1929, “een scharniermoment”. Dat is merkwaardig, want tot nu toe werd aangenomen dat de ellende pas begon toen Hitler Duits rijkskanselier werd in 1933. “In 1929 kwamen er opnieuw intense contacten tussen Vlaanderen en Duitsland,” zegt de onderzoeker. “Contacten tussen Vlaams-nationalisten en Duits-nationalisten die zich op dat moment al per definitie in het extreem-rechtse kamp bevinden. Er zijn ook vernieuwde contacten tussen Duitse en Vlaamse studenten aan de conservatieve Duitse universiteiten. De vermaardste kopstukken van de collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog gaan er op zomercursus. In 1929 wordt in België ook de zogenaamde uitdovingswet van kracht, die amnestie verleent aan gewezen activisten uit de Eerste Wereldoorlog. Een groot aantal keert uit Duitsland naar Antwerpen terug en begint extreem-rechtse ideeën uit te zaaien. Verder trekt Joris Van Severen al in dat jaar hard van leer tegen vreemdelingen en lanceert Ward Hermans een zeer exclusief nationalisme, waarin hij aanwijst wie volgens hem ‘volksgenoten’ kunnen zijn en wie niet.”

Nadat Hitler aan de macht was gekomen, kwam een eerste joodse vluchtelingenstroom op gang. De Belgische regering nam een ambivalente houding aan. Nu eens mochten joden ons land binnen, dan weer werden ze tegengehouden. Minister van Buitenlandse Zaken Paul-Henri Spaak droeg de Belgische ambassades op vooral aan joden geen visa uit te reiken. Na de mislukte conferentie van Evian in de zomer van 1938 zette België vluchtelingen over de grens. De Reichskristallnacht van 9 november 1938 veranderde weinig aan dat beleid. In de Oostkantons, aan de zogenaamde grüne Grenze, maakten gemotoriseerde rijkswachteenheden jacht op joden. De plaatselijke bevolking noemde de rijkswachters Judenfänger. Het dubbelzinnige beleid was niet liberaler of strikter dan in andere democratische landen.

Geleidelijk aan veranderde de toon in de publieke opinie. In 1933 riepen socialisten en liberalen nog op tot een boycot van Duitse goederen, maar stilaan verdwenen de gematigde stemmen en werd de groeiende invloed van het nazisme duidelijk. “We verklaren de oorlog aan de joden!” riep Lode Welter in De Bezem. “Ja, wij zijn antisemiet.”

Ook de economische crisis had schuld aan de toenemende radicalisering. In de diamantsector gingen duizenden banen verloren, en in december 1933 werd in de Antwerpse gemeenteraad door Josephe de Hasque over de ‘jodenproblematiek’ gesproken. Gemeenteraadslid Leon Delwaide sloot zich bij de stelling van De Hasque aan. Hij nam weliswaar het woord ‘jood’ nooit in de mond, maar had het steeds over ‘vreemdelingen’.

Enkele jaren later werd het nog turbulenter. In januari 1936 lokte de benoeming van de jonge Henri Buch tot rechter in Antwerpen heftige reacties van rechtse kringen uit. Zowel het VNV en het Verdinaso als de katholieke pers en de Vlaamsche Conferentie der Balie van Antwerpen reageerden furieus. Buch was een jood en communist, en zijn benoeming zou door de socialistische burgemeester Camille Huysmans gesteund zijn. Ook Leon Delwaide liet weer van zich horen. Delwaide was nu volksvertegenwoordiger en bracht de Buch-affaire in de Kamer ter sprake. Volgens hem kende noch begreep Buch “het streven, de cultuur, de mentaliteit en de gemoedsstemming van het Vlaamse volk”. Opnieuw liet de volksvertegenwoordiger op geen enkel moment het woord ‘jood’ vallen. Hij omschreef Buch als de zoon van Pools-Russische ouders die pas zeer recent in België woonde en een taal sprak die meer verwant was met het Duits dan met het Nederlands. De allusie van Delwaide op het Jiddisch was des te vreemder, want Buch sprak Frans.

De politieke onrust in België nam toe. Regeringen vielen als kegels in een kegelspel, en de taal van de politieke opponenten werd steeds grimmiger. Bij de parlementsverkiezingen van 24 mei 1936 boekte Rex een behoorlijk succes. Van een hetzecampagne tegen joden viel nochtans weinig te merken. Tragedie en farce lagen soms nog dicht bij elkaar. Zo maakte Jean Awouters, orkestmeester en lid van de rechtse Realistische Beweging, op een wel bizarre manier reclame voor zijn zaak: “Cafébezoekers! Indien ge er een hekel aan hebt joden te zien of te horen, wordt dan bezoekers van het Grand Café, De Keyserlei — daar waren er vroeger veel, doch thans zijn ze buiten, allemaal en voorgoed.”

Het sluimerend ongenoegen van een aantal Antwerpenaars kwam dat jaar ook tot uiting in rellen in het stadspark, waar een groep jongeren de joden verjoeg. Jongdinaso, het blad van de Dinaso-jeugdafdeling, juichte: “Toen begon de zuivering, alles wat joods was en rook, werd het park uitgeranseld, voetzoekers deden de kromneuzige uitverkorenen trippeldansen en de Antwerpenaars konden een tweede vlucht naar Egypte bewonderen… De Antwerpse politie bleef haar traditie getrouw en trad niet al te snel op, zodat het park werkelijk ontruimd werd.” Saerens bewijst hier opnieuw zijn scrupuleuze neutraliteit. Over de houding van de politie vond hij geen gegevens, en dus weigert hij om tot een precieze interpretatie van de feiten over te gaan.

Een eenzame proteststem

Eind 1936 was de gedachte van een ‘judeo-marxistisch gevaar’ gemeengoed geworden in Antwerpse rechtse kringen. Saerens somt het hele scala van extreem-rechtse organisaties op. De lijst is lang. Tientallen ‘vergeten’ figuren worden onder het stof vandaan gehaald. Bijzonder boeiend is de lectuur ervan niet, daarvoor is de boodschap van het rechtse gedachtegoed te vaak dezelfde, maar toch begrijpt de lezer nu pas dat Antwerpen letterlijk vergeven was van antisemitische bendes en splintergroepjes, die ieder om het hardst tegen de joden brulden.

In al dat anti-joods geweld viel de eenzame proteststem van Leo Frenssen op. Frenssen was een bekende, excentrieke verschijning in het stadsbeeld. In Brussel dacht de politie dat de man met molentjes liep, en sloot hem zelfs een keer in een gekkenafdeling op. In feite sprak Frenssen als een der weinigen de heldere taal van de rede. Antisemitisme vond hij het gevolg van een concurrentiestrijd, van de zucht naar eigenbelang en onwetendheid. Joden worden als zondebok gebruikt, zei hij, en antisemitisme speelt louter in op de gevoelens van het volk. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 16 oktober 1938 boekte Frenssen een fenomenaal succes. Zijn partij veroverde 6 van de 43 raadszetels. Het extreem-rechtse tij in zijn stad keren kon Frenssen natuurlijk niet. Rex ging vanaf 1938 de fascistische toer op, en een steeds groter deel van de bevolking reageerde geprikkeld op de joodse aanwezigheid en de zogenaamde opendeurpolitiek van de regering. Zowel de katholieke partijen als de partijen van de Nieuwe Orde bleven inhakken op de joden, die ze volksvreemd noemden, profiteurs en aanstellers.

In mei 1939 besloot de Vlaamsche Conferentie der Balie van Antwerpen haar joodse confraters uit te sluiten. De Conferentie telde 140 leden, op een totaal van ongeveer 380 bij de balie ingeschreven advocaten. “Ik ben een jood,” zei advocaat Harry Torczyner na de stemming. “Ik heb een lange neus. Jullie hebben een korte neus en zien niet langer dan je neus.” Voor Saerens begint het joodse drama in 1939. De actie van de Antwerpse advocaten was uniek voor België, maar wat eind augustus gebeurde is voor hem het beste bewijs dat Antwerpen zijn joodse bevolking al had laten vallen. “Er vonden anti-joodse rellen in de stationsbuurt plaats,” zegt Saerens. “In volle mobilisatie dus. Joden worden aangevallen omdat men beweerde dat ze tegen de mobilisatieverordeningen in hun cafés open hielden en bovendien de Belgische soldaten uitlachten. Kun je dat geloven? Het is een van de onwaarschijnlijkste beschuldigingen ooit. Uit Duitsland gevluchte joden die vlak voor de oorlog met Belgische soldaten lachen die hen tegen de Duitsers zouden verdedigen!”

Zo goed als de hele katholieke pers zag het anders. “De verontwaardiging van de brave Antwerpenaars tegen de joden was gewettigd,” schreef de Gazet van Antwerpen. En De Morgenpost kopte: “Anti-Joodsche betoogingen door Joden uitgelokt te Antwerpen.” De stigmatisering van de joden was compleet. Hoewel Saerens toegeeft dat hetzelfde met de joden in Brussel het geval was, is hij ervan overtuigd dat het antisemitische discours in Antwerpen giftiger klonk dan in de rest van het land.

Antwerpen tijdens de bezetting: tien unieke factoren

Saerens licht later in zijn boek de specifieke situatie van Antwerpen tijdens de bezetting helemaal door. Hij somt niet minder dan tien factoren op die uniek voor de Scheldestad zijn. Die honderd bladzijden zijn de schrijnendste en tegelijk de belangrijkste uit Vreemdelingen in een wereldstad. Saerens onderzoekt nauwgezet wie bij het feest van de haat tegen de joden als daders en omstanders kunnen aangewezen worden. Toch blijft hij het belang van de vooroorlogse periode benadrukken. Was Antwerpen voorbestemd om een judenreine stad te worden? Waarom maakt hij een onderscheid tussen hoofddaders (de Duitsers) en de mededaders (de collaborateurs)? Waren beiden niet even schuldig aan de moord op de joden?

Saerens nuanceert: “Het zijn natuurlijk allemaal daders, dat is het cruciale. En toch, zonder die Duitsers die ons land binnenvielen, waren er wellicht geen mededaders geweest. Het is wel zo dat zowel Duitsers als Vlaamse SS’ers en jodenjagers als Felix Lauterborn vrijwillig op jacht gingen naar joden. Lauterborn stond te springen om joden bij de lurven te grijpen. In een proces-verbaal zei hij dat de dag dat hij een rabbijn uit zijn huis had gesmeten, de mooiste dag van zijn leven was. De Antwerpse politie daarentegen handelde op bevel van de Duitsers. Uiteraard hadden ze dat bevel naast zich neer kunnen leggen. De Duitsers aanvaardden trouwens ‘gewetensbezwaren’, zoals blijkt uit een brief van Militärbefehlshaber Alexander von Falkenhausen van juli 1941. Alleen bij de razzia van 28 augustus 1942 dreigden de Duitsers met deportatie van agenten naar Breendonk als ze niet zouden meewerken.”

Toen op 10 mei 1940 de oorlog uitbrak, werden Duitse joden en Vlaams-nationalisten opgepakt en naar Frankrijk gedeporteerd. Ward Hermans en een rabbijn zaten tot elkaars verbazing in dezelfde kampbarak. Op 8 december 1940 aanvaardde Leon Delwaide officieel het burgemeesterschap van de stad. Was het een vergiftigd geschenk? Voor Saerens week Antwerpen op tien punten af van wat met de joden in Brussel gebeurde. Een aantal factoren noemt hij zelfs exclusief Antwerps. “Het was een onafwendbaar proces,” schrijft hij. “Joden werden eerst gedefinieerd en geregistreerd, daarna economisch gebroken, vervolgens geïsoleerd en gekentekend, uiteindelijk gedeporteerd.” Alle Vlaams-nationalisten collaboreerden met enthousiasme.

Al vanaf 20 november 1940 ging Antwerpen er direct mee akkoord vreemdelingenlijsten op te stellen, waarbij apart werd genoteerd wie joods was. In Brussel gebeurde dat pas in december. De politiek van de Belgische autoriteiten was er officieel een van ‘passieve medewerking’. Als men bezwaren had, wendde men zich tot hogere instanties, zodat de uitvoering van Duitse bevelen in ieder geval vertraging zou oplopen. Antwerpen speelde de bal nooit door. In diezelfde maand besloten de Duitsers meer dan 3.000 joden naar Limburg weg te voeren. De Antwerpse politie bezorgde de uitwijzingsbevelen. Toen een aantal joden niet op de afspraak verscheen, gelastte de Feldkommandantur de joden aan te houden. De politie voerde dat bevel zonder morren uit.

Op 14 april 1941 vond een eerste pogrom in de stad plaats. Het was een goed georkestreerde actie. De politie arresteerde niemand van de relschoppers, die er zelfs in slaagden de brandweer tegen te houden. Militärverwaltungschef Eggert Reeder was ziedend. Hij vreesde dat dergelijke rellen de onrust in de stad zouden aanwakkeren, maar tot zijn opperste verbazing protesteerde niemand. Het stadsbestuur wilde pas na een gerechtelijke uitspraak een schadevergoeding betalen, maar toen de Duitsers berichtten dat joden niet voor een schadeclaim in aanmerking kwamen, legde men zich daar snel bij neer. En nog altijd vroeg Delwaide geen bijkomend advies aan de Belgische instanties.

Op 3 juli 1941 capituleerde ook de Antwerpse advocatuur voor de bezetter. In tegenstelling tot Brussel schrapte de balie haar joodse confraters van de lijst. In september van dat jaar werd opnieuw een exclusief Antwerpse maatregel uitgevaardigd: joden mochten niet langer samenscholen of van stadsparken en openbare gelegenheden gebruikmaken. Bijzonder bezwarend was de uitreiking van de davidsterren. De Brusselse conferentie van burgemeesters weigerde mee te werken. In Antwerpen reikten de beambten de davidster niet alleen uit, maar plaatsten ook nog een sterretje op de identiteitskaarten. De officiële Duitse verordening had daar nooit om gevraagd.

Vanaf juni 1942 vertrokken vier treinen met joden naar Frankrijk om er aan de Atlantikwall te werken. In Brussel werd slechts één konvooi georganiseerd, en dat terwijl er intussen meer joden dan in Antwerpen woonden. “Vreemd toch dat Antwerpse joden naar Brussel vluchtten,” zegt Saerens. “Daar bevond zich nochtans het hoofdkwartier van de Sipo-SD. Bovendien woonden de Brusselse joden ook geconcentreerd, in twee specifieke wijken weliswaar, een bij het Noordstation, de andere bij het Zuidstation. Net als in Antwerpen waren ze geregistreerd. Blijkbaar hadden de Duitsers snel in de gaten dat ze zich in Antwerpen veel meer konden veroorloven.”

Op 22 juli 1942 werd dat nog eens bewezen toen de Duitsers in volle dag in het Centraal Station joodse pendelaars uit de trein uit Brussel haalden en arresteerden. Tien dagen eerder was het de joden ook al verboden bioscopen, schouwburgen en openbare instellingen te betreden. De tiende en laatste specifiek Antwerpse factor is wellicht de controversieelste. Op 15, 27 en 28 augustus deed de stadspolitie mee aan razzia’s op joden. “De medewerking van de Antwerpse politie (…) was (…) haast zonder twijfel een unicum in de geschiedenis van de jodenvervolging in België,” schrijft Saerens.

Bijna zestig jaar na de feiten blijven nog talloze vragen onbeantwoord. Waarom gaf hoofdcommissaris De Potter een blanco order aan zijn manschappen? Was burgemeester Delwaide echt niet op de hoogte van de eerste twee razzia’s? Heeft hij na de derde razzia wél protest ingediend? Wat was de houding van procureur des konings Baers en provinciegouverneur Grauls? Wie droeg de echte verantwoordelijkheid? Pas in november 1942 schreef Baers een brief aan De Potter: agenten mochten niet meer meedoen aan wederrechtelijke arrestaties, beval hij. Maar zijn brief was geen reactie op de razzia’s. De Duitsers hadden intussen de verplichte tewerkstelling van niet-joodse Belgen in Duitsland afgekondigd. Nu kwam er wél protest. Drie maanden eerder hadden de agenten nog de toestemming gekregen om joodse kinderen en bejaarden uit hun huizen te sleuren. Toen een van de met joden volgestouwde vrachtwagens in de Dossinkazerne in Mechelen arriveerde, werden negen lijken in de laadruimte gevonden.

Van alle geregistreerde joden in Brussel werd 37 procent gedeporteerd, in Luik 35 procent en in Charleroi 42 procent. Voor Antwerpen was dat minstens 65 procent. Deportatie naar Auschwitz stond zo goed als gelijk met een doodvonnis. In totaal belandden minimum 9.000 joden uit Antwerpen in het vernietigingskamp.

Onthutsende conclusies over hulpverlening

In het laatste deel van Vreemdelingen in een wereldstad gaat Saerens op zoek naar de hulp die de Antwerpse bevolking aan de joden bood. Saerens pluist naoorlogse enquêtes en studies na, analyseert het belang van de joodse verdedigingscomités, gaat uitgebreid in op de actieve hulp van gezagsdragers en geestelijkheid en vergelijkt de Antwerpse situatie met die in Brussel, Luik en Charleroi. De conclusies zijn ontnuchterend, zowel voor Antwerpen als voor Vlaanderen. Hoewel de meerderheid van de Belgen onverschillig bleef bij het lot van de joden, valt op dat Vlaanderen in vergelijking met Wallonië en Brussel zijn joden aanzienlijk minder massaal heeft geholpen. Vooral de goed georganiseerde geestelijkheid liet het afweten. “Voor kardinaal Van Roey waren de eigen autochtone gelovigen veel belangrijker,” zegt Saerens. “Voor de joden heeft hij nooit openlijk zijn stem verheven, maar toen de Duitsers de kerkklokken opeisten, protesteerde de kerkvorst wél officieel.

Ook de privé-hulp van Van Roey stelde al bij al weinig voor. Hij was goed bevriend met de zusters van Vorselaar, de grootste congregatie in haar soort in Vlaanderen. Hij bezocht die zusters tijdens de oorlog heel regelmatig. Na de oorlog vulden de zusters een enquête in, waarin onder meer werd gevraagd of ze joden hadden geholpen. Nee, luidde het antwoord. Je kunt dan toch minstens zeggen dat Van Roey die zusters nooit heeft aangemoedigd. In Wallonië en Brussel hebben tientallen instellingen hun deuren voor joodse kinderen geopend. In Groot-Antwerpen deden maar enkele instellingen dat. In de Antwerpse jodenbuurt vond ik een op de acht priesters die joden hielp, en nog op zeer beperkte schaal. In Brussel was dat een op de twee priesters.”

Leon Delwaide en de andere politieke kopstukken komen evenmin ongehavend uit de scherpe conclusies. Volgens Saerens doorstaat de verdediging van Delwaide de toets der historische kritiek niet. “Waarom beweerde Delwaide in 1946 dat hij nooit iets over de eerste twee razzia’s had vernomen?” vraagt Saerens zich af. “En waarom zei hij dat hij nooit contact had met zijn hoofdcommissaris toen de bevelen tot medewerking aan de razzia’s binnenliepen? En waarom speelde hij voortdurend de zwartepiet naar anderen toe?” Uiteraard heeft Delwaide een aantal joden persoonlijk geholpen, maar iedere gezagsdrager deed dat. Na de oorlog werd tegen hem een vervolging ingesteld. Die werd drie weken na de gemeenteraadsverkiezingen gestopt. Het onderzoek heeft hem dus nooit vrijgepleit. Omdat Delwaide niet op de lijst mocht staan, heeft hij zijn vrouw verkiesbaar gesteld. Zij haalde trouwens een massa voorkeurstemmen. Toen het onderzoek werd afgebroken, vroeg iemand aan Delwaide of hij daar een verklaring voor had. Ja, zei hij: “Vox populi, vox Dei. De stem van het volk is de stem van God.”

Een vervolging zonder epiloog

Voor Saerens zijn de gebeurtenissen in Antwerpen tijdens de oorlog niet afgesloten. Hij noemt zijn laatste hoofdstuk daarom ook een vervolging zonder epiloog. De uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2000 voorspellen weinig goeds. “Ik constateer alleen dat vele Vlaamse collaborateurs na hun vrijlating naar Antwerpen afzakten en dat er de eerste extreem-rechtse kernen worden opgericht. Ik denk aan Were Di. Zonder zulke organisaties had het Vlaams Blok nooit kunnen groeien. In Wallonië worden collaborateurs nog altijd uitgespuwd. Toen Maurice De Wilde hen interviewde, waren zij de enigen die met hun rug naar de camera spraken. In Vlaanderen is men vrij snel tot een rehabilitatie van de collaboratie overgegaan. Waren het niet allemaal idealisten die niets met de excessen van de nazi’s te maken hadden? Vlaamse kwaliteitskranten hebben die boodschap jarenlang gepredikt. Zelfkritiek is niet onze sterkste kant. Wij leven nog met de wortels van ons oorlogsverleden.”

Lieven Saerens schreef een schitterend boek. De draagwijdte ervan valt niet in te schatten. De kans is bijzonder klein dat lezers die voor het Vlaams Blok kiezen ineens begrijpen dat ze stemmen op een partij die een exclusief maatschappijbeeld belijdt waarin vreemdelingenhaat net als zestig jaar geleden de hoeksteen is. En toch zal precies dat inzicht de blijvende waarde van dit boek vormen. Het doet er niet toe of het om joden of Marokkanen gaat. Saerens toont alleen aan dat mensen die een vijandbeeld creëren, tot een toenemend extremisme in staat zijn. Voor de joden liep die radicalisering tragisch af. Het is dringend tijd voor bezinning.