The Waste Land

Het is duidelijk dat Thomas Eliot grote crississen heeft meegemaakt in zijn leven. Als je zijn biografie napluist dan vind je er sporen van. Er is het verlies van een vriend geweest in de oorlog, er is zijn huwelijk met Vivien Haigh-Wood in 1915, een blijkbaar zeer bijzondere vrouw, wier genialiteit echter ontspoort en die in een psychose belandt. Begin jaren '20 gaat met Eliot alles mis, zo erg zelfs dat Eliot de wanhoop nabij is, zich bizar begint te gedragen, en in diepe depressie belandt. Ezra Pound (vriend, en 'godfather van de modernistische poëzie') regelt een opname en behandeling in een psychiatrische kliniek in Zwitserland (Lausanne, Lac Leman). Als hij terugkeert is hij er na drie maanden al weer even erg aan toe, maar is er wel één ding bij gekomen: Hij overhandigt een geschrift met meer dan 1000 verzen aan Ezra Pound… Die is er helemaal ondersteboven van. Dit is ongehoord krachtige taal. Alleen te lang. Veel te lang. Hij schrapt, schuift, knipt/plakt er grondig in: Eliot dan ook nog (hij ziet dat Pound gelijk heeft: hij is de 'betere vakman'), en er blijven 433 versregels over. Het verschijnt in druk in 1922. Virginia Woolf beschrijft in haar dagboek hoe Eliot The Waste Land voorlas: “He sang it & chanted it, rhythmed it. It has great beauty & force of phrase: symmetry and tensity.” Enkele maanden later: “I have only the sound of it in my ears, when he read it aloud; and have not yet tackled the sense. But I liked the sound.” (bron). Herkenbaar.

Het gedicht bestaat uit 5 delen. Eliots hele leven tot dan toe zit erin, alle wanhoop… maar je merkt er niets van want naast de inschakeling van de traditie (het literaire kunstenaarschap der eeuwen) hoort de uitschakeling van de individualiteit, de eigen persoonlijke emoties tot zijn dichterscredo (geëxpliciteerd in zijn opstel Tradition and the inidivual Talent) waaruit ik reeds citeerde: "Een van de fouten van dichterlijke excentriciteit is het zoeken naar nieuw uit te drukken menselijke emoties; door op de verkeerde plaats naar vernieuwing te zoeken komt men uit bij ontaarding… Poëzie is niet het luchten van emotie maar een ontsnapping aan emotie; het is geen expressie van persoonlijkheid, maar een ontsnapping aan persoonlijkheid. Maar natuurlijk weten alleen zij die persoonlijkheid en emoties bezitten wat het betekent, aan die dingen te willen ontsnappen." De Zwitserse psychiater zit verstopt in the Waste land (in deel III, De Vuurrede, titel die naar de 'Vuurrede van de Boeddha' verwijst, ziehier); de diepe depressie wordt via een bijbelse associatie (psalm 137, by the rivers of Babylon > Lac Leman) geïntensiveerd tot een emotie met meer dan persoonlijke betekenis; 'Carthago' roept de persona van Augustinus op (Confessiones III, begin: Veni Carthaginem...), die 'thou pluckest me out' gebruikt als hij terugkijkt op zijn redding (Conf. X,53, Latijn: evellis): de brandende begeerte (cf. de Vuurrede van de Buddha); maar ook Augustinus is niet origineel. Hij citeert associatief een bijbeltekst: Zacharia 3:2: "Is deze niet een brandhout uit het vuur gerukt?" (in de King James: 'plucked out'). Allemaal impliciet. Il n'y a pas de hors texte. En wie dat nu weer gezegd heeft, mag u zelf uitzoeken.

 

III: The Fire Sermon / De Vuurrede  (r. 179-186) 

   

                             The nymphs are departed.
Sweet Thames, run softly, till I end my song.
The river bears no empty bottles, sandwich papers,
Silk handkerchiefs, cardboard boxes, cigarette ends
Or other testimony of summer nights. The nymphs are departed.
And their friends, the loitering heirs of City directors;
Departed, have left no addresses.
By the waters of Leman I sat down and wept . . .
Sweet Thames, run softly till I end my song,
Sweet Thames, run softly, for I speak not loud or long.
But at my back in a cold blast I hear
The rattle of the bones, and chuckle spread from ear to ear.

                            De nimfen zijn weg.
Stroom, zoete Theems, totdat mijn lied is uit.
Geen lege flessen in de rivier, geen boterhamzakjes,
zijden zakdoeken, dozen, sigarettenpeuken
of ander bewijsmateriaal van zomernachten. De nimfen zijn weg;
weg, zonder een adres achter te laten, hun partners,
de slenterende zonen van nabobs uit de City.
Bij de wateren van Leman zat ik en weende...
Stroom, zoete Theems, totdat mijn lied is uit.
Stroom, zoete Theems, ik spreek niet lang of luid,
maar achter mij, in een koude wind, ik hoor
het geritsel van botten, en een grijns van oor tot oor.

   
III (slot ; r. 292-311)  
'Trams and dusty trees.
Highbury bore me. Richmond and Kew
Undid me. By Richmond I raised my knees
Supine on the floor of a narrow canoe.'
 
'My feet are at Moorgate, and my heart
Under my feet. After the event
He wept. He promised "a new start".
I made no comment. What should I resent?'

'On Margate Sands.
I can connect
Nothing with nothing.
The broken fingernails of dirty hands.
My people humble people who expect
Nothing.'

la la

To Carthage then I came

Burning burning burning burning
O Lord Thou pluckest me out
O Lord Thou pluckest

burning
“Trams en stoffige bomen
Highbury baarde me, Richmond en Kew
waren mijn dood. Bij Richmond lag ik
in een nauwe kano, mijn knieën omhoog.”

“Mijn voeten in Moorgate en mijn hart
onder mijn voeten. En het liep uit
op een huilbui. Hij beloofde ‘een nieuwe start’.
Ik liet het maar zo. Wat maakte het uit.”

“Aan het strand in Margate
kan ik niets
met niets verbinden.
Vuile handen, kapotte vingernagels.
Mijn mensen, simpele zielen die niets
verwachten.”

la la

Toen kwam ik in Carthago

brandend brandend brandend
O heer, u rukte mij weg,
O heer, u rukte weg.

brandend
   

In het volgende stuk wordt de desolaatheid,
the Waste land (het barre land, de woestenij)
in taal (woorden, siginifiers en klanken tegelijk)  opgeroepen.
Het komt uit het laatste deel: ‘Wat de donder sprak’  (What the thunder said).
Naar mijn gevoel vindt de wending plaats op het moment dat er een 'ander' verschijnt
 die meewandelt
'aan uw andere zijde', the third man... of is het een vrouw, op weg naar Emmaüs of..?

 

V. WHAT THE THUNDER SAID / Wat de donder sprak   

V (r. 332-358)
 
After the torchlight red on sweaty faces
After the frosty silence in the gardens
After the agony in stony places
The shouting and the crying
Prison and place and reverberation
Of thunder of spring over distant mountains
He who was living is now dead
We who were living are now dying
With a little patience

Here is no water but only rock
Rock and no water and the sandy road
The road winding above among the mountains
Which are mountains of rock without water
If there were water we should stop and drink
Amongst the rock one cannot stop or think
Sweat is dry and feet are in the sand
If there were only water amongst the rock
Dead mountain mouth of carious teeth that cannot spit
Here one can neither stand nor lie nor sit
There is not even silence in the mountains
But dry sterile thunder without rain
There is not even solitude in the mountains
But red sullen faces sneer and snarl
From doors of mudcracked houses
                  If there were water
    And no rock
    If there were rock
    And also water
    And water
    A spring
    A pool among the rock
    If there were the sound of water only
    Not the cicada
    And dry grass singing
    But sound of water over a rock
    Where the hermit-thrush sings in the pine trees
    Drip drop drip drop drop drop drop
    But there is no water

Who is the third who walks always beside you?
When I count, there are only you and I together
But when I look ahead up the white road
There is always another one walking beside you
Gliding wrapt in a brown mantle, hooded
I do not know whether a man or a woman
—But who is that on the other side of you?
Na het licht van toortsen op bezwete gezichten
na de ijzige stilte in de tuinen
na de doodstrijd op stenige plaatsen
het geschreeuw, het gehuil,
na kerker, paleis en het weerklinken
van de lentedonder over verre bergen
is hij die eens leefde nu gestorven
wij die eens leefden liggen nu op sterven
als we even geduld hebben

Er is geen water hier, maar enkel rots
rots en geen water en de zandige weg
de weg naar boven door de bergen
de bergen die van rots zijn en zonder water.
Was er water we zouden ervan drinken
maar hier kun je niet stoppen en niet denken
zweet is droog en voeten in het zand.
Als er maar water was tussen de rotsen
dode rots rotte tanden droge mond
niemand die hier ooit lag of zat of stond
en er is zelfs geen stilte in de bergen
enkel een droge donder zonder regen
er is zelfs geen eenzaamheid in de bergen
enkel rode koppen grommen en grauwen
uit de deuren van modderige hutten.
                    Was er maar water
    en geen rots
    was er maar rots
    en ook water
    en water
    een bron
    een waterpoel tussen de rotsen.
    Als er maar alleen het geluid was van water.
    Niet de krekels
    en het zingen van droog gras
    maar het geluid van water over rotsen
    en de lijster die zingt in de dennen
    drup drup drup drup drup drup
    maar er is geen water

Wie is de derde die naast u wandelde?
Als ik tel zijn we maar met zijn tweeën u en ik.
Maar als ik voor me kijk over de witte weg
dan loopt er altijd nog iemand naast u
zich bewegend in een bruine mantel met een kap
een man? een vrouw? ik kan het niet zien.
—Maar wie loopt daar aan uw andere zijde?

 

 

complete engelse tekst op het internet in het Engels: o.a. https://bartleby.com/201/1.html

Volledige Nederlandse vertaling van Jos Houtsma op zijn blog (die heb ik ook gebruikt, en heel af en toe naar mijn hand gezet)