
Op 5 april 1566 kwam een groep edellieden te Brussel een ,,smeekschrift" tegen de inquisitie aanbieden aan de landvoogdes, Margaretha van Parma. Deze dame voelde zich niet op haar gemak tegenover de tweehonderd gewapende mannen. Maar ze werd gerustgesteld door Graaf de Berlaymont, een van haar raadgevers: ,,Ne craignez rien, Madame, ce ne sont que des gueux" (Vrees niet, Mevrouw, het zijn maar schooiers). Deze scheldnaam werd door de mannen van het Eedverbond overgenomen als een eretitel. Ze lieten een herkenningspenning slaan met op de voorzijde het beeld van koning Filips II en de woorden ,,en tout fidelles au Roy" en op de keerzijde twee gekruiste handen die een bedelzak dragen met ,,jusques à porter la besace": trouw aan de koning, tot aan de bedelzak.
De benaming bleef niet beperkt tot de groep edellieden maar werd al gauw gedragen door alle vijanden van de gehate Spaanse overheerser. In Holland kende men de Watergeuzen die op 1 april 1572 de vesting Den Briel veroverden op Alva en daarmee de bevrijding van Holland inzetten. En in onze streek zaten de Bosgeuzen.
In de 19de eeuw ontstond in Vlaanderen een begripsverandering: de geus werd een plichtvergeten katholiek, een vrijmetselaar, een anticlericaal, een liberaal van de oude stempel, allemaal lieden die bij de oorspronkelijke Geuzen toch niet thuishoren.
D'onvrome die veracht met spotten, schimpen, smaden
Die hoogste van gheboort en edelst syn in daden.
So gaetet meest altyt. Doch
't vroom volck achtet niet,
Maer dragen in gedult haer
lyden en verdriet.
Betekenis: de onrechtvaardigen bespotten de edelen. Het vrome volk trekt zich niets aan van die spot en draagt het lijden met geduld.
En hoemen haer meer druckt en perst, en uyt wil
roeyen
Hoe sy door Godes hulp, meer groeyen ende bloeyen.
God is haer vaste burcht in
voor en tegenspoet
Dus is der Geusen naem
den goeden altyt goet.
Betekenis: hoe harder men de Geuzen probeert te onderdrukken, des te meer bloeien zij met Gods hulp. De geuzennaam is een erenaam geworden.