De mens vertelt verhalen over god Om mens te worden

home | up

Postmoderne god-en-mensleer (theologie en antropologie) in notedop

God is een personage in het verhaal dat de mens over zichzelf vertelt. In die zin bestaat hij. Het onderwerp van die laatste zin is zowel 'God' als 'mens'.

 

Puntsgewijze toelichting

1. Als de mens verhalen vertelt waarin 'God' voorkomt, dan dienen die verhalen niet om iets over een bovennatuurlijk wezen mee te delen. Hoe zou hij dat kunnen, nog afgezien daarvan dat de scheiding natuur-bovennatuur achterhaald is. De mens vertelt die verhalen - naast andere - om zijn plaats in de wereld te vinden. De mens is 'het niet-vastgestelde dier'. Zijn wezen zit niet in zijn biologie  ('zijn soort'), hoewel hij zonder die biologische basis ook niet bestaat: Wie en hoe hij kan zijn wordt er door bepaald (ook in de zin van 'begrenst') maar valt er niet mee samen. Dat de mens zichzelf als een 'ik' beleeft (zelf-bewustzijn heeft) is m.a.w. een emergent verschijnsel. Eens zijn fysieke leven zich begint te ontplooien, meldt het zich ('es zeigt sich'). In het Engels: Self comes to mind.

2. De mens ontwerpt zichzelf door kop en staart aan zijn leven te geven, d.w.z door zijn leven als een ontwikkeling, een proces voor te stellen. Dat doet hij door verhalen te vertellen waarin hij dat wat hij doet, ondergaat, voelt, aantreft, tegenkomt, beleeft... in het plot een plaats probeert te geven. En niet enkel de positieve zaken: De kunst bestaat er juist in om ook de negatieve ervaringen (obstructies) daarin te verwerken, inclusief het feit dat hij eindig is. Narratieve identiteitsconstructie heet dat (Paul Ricoeur). Zo verleent hij betekenis aan zijn bestaan.

3. Om het mensenleven een beetje menselijk te houden (humaan) of om de mens-in-relatie mens te laten worden, heb je wel goede verhalen nodig, d.w.z. verhalen die een beetje kloppen met de complexiteit van het geleefde leven. Geslaagde verhalen zijn gelaagde verhalen.

4. De introductie in die verhalen - ooit - van het personage 'g-o-d' (die dus ook in het plot wordt getrokken) blijkt - zo bezien - een aanwinst te zijn (geweest?). De verhalen die de mens over zichzelf en de steeds complexer wordende wereld moest verzinnen, waren bij zijn agency gebaat. Onderschat de heilzame kracht van de verbeelding, de imaginatio niet! Er kwamen nieuwe perspectieven tevoorschijn, het vertelkader kon opengebroken worden, de ampleur nam toe. Door het verhaal over het leven van de mens in de wereldtijd langs de band van de eeuwigheid te spelen, ontstonden er kansen om bepaalde zeer reële obstructies al levend te overwinnen. Hij kon ze een andere plaats in het plot te geven, een andere naam. Er ontstond nieuwe taal waarin vrijheid en bepaaldheid, eigenheid en andersheid, verantwoordelijkheid en lijdzaamheid tegelijk konden worden gearticuleerd.

5. De personages 'god' en 'mens' groeiden zo samen op: 'menswording' was het dat hen bond.

Perspectief

Christelijke theologen zouden dus hermeneutisch bekwame literatuurwetenschappers moeten zijn, gespecialiseerd in mythen (het Griekse woord 'mythos' heeft ook de betekenis ‘intrige, plot’). En predikanten en priesters zouden vertellers moeten zijn, niet van verhaaltjes, maar van kwalitatieve gelaagde verhalen, zoals hierboven aangeduid. De christelijke religie zou zo veel meer recht doen aan haar bronboek dan ze heden ten dage doet. De verhalen die daarin verteld worden (en ook het verhaal dat het boek zelf vertelt) zijn immers niet overgeleverd om een systematische speculatieve theologie en een kerkelijk instituut op te funderen, maar om materiaal te bieden aan de mens om zijn verhaal te vertellen, opnieuw te vertellen.

 

1 september 2018, Dick Wursten