De nukkige keizer

Up
Kerst-midrash
Kerst in Greccio
De nukkige keizer
Kerstmeditatie
Kerstgedicht
Kerstverhaal

 

De nukkige keizer op zoek naar het kerstverhaal

[naar een Kerstverhaal van Paul Biegel]

 

Lang geleden leefde er eens een keizer, in een heel ver land, over zee.. En die keizer was een lastige keizer. Nukkig dat ie was! driftig dat ie kon zijn èn schreeuwen! ongelofelijk. Zo gebeurde het op de avond van de vier en twintigste december dat de keizer met zijn zware gouden kroon op de eikehouten tafel beukte en riep:

 

“Ik wil het kerstverhaal horen!”

“Pardon Sire, welk kerstverhaal bedoelt u eigenlijk?” vroeg de 1ste  lakei onderdanig.

“Versta je me niet?” schreeuwde de keizer. “Hèt kerstverhaal zei ik.”

“M‑m‑maar welk is hè‑hè‑hèt?” stotterde de 2de  lakei lijkbleek.

 

De keizer smeet zijn gouden kroon op de spiegelgladde vloer, zodat het ding kletterend door de zaal vloog en in een hoek tegen het gordijn plofte.

“Ga het zoeken” bulderde de keizer.

De lakeien vlogen naar de hoek, raapten gedrieën de kroon op en kwamen er op een deftig drafje mee aanzetten

“Ik bedoel het verhááI,” schreeuwde de keizer, purper van woede. “Zoek het kerstverhaal en vertel het me. Onmiddellijk. Mars.”

De lakeien zetten de kroon neer en verlieten achteruitlopend de zaal, diep buigingen makend, zodat ze buiten in de gang over elkaar heen vielen.

 

“Phoe,” sprak de eerste. “oei, oei, oei,” stotterde de tweede. Daarop begaven ze zich naar de keizerlijke bibliotheek en begonnen in alle kerstboeken te bladeren om hèt kerstverhaal te vinden.

Een uur later klopt de eerste lakei bescheiden aan de deur van de troonzaal en trad binnen.

Hij plaatste een gouden krukje met geborduurde zitting op enige afstand van de troon, ging erop zitten, sloeg een groot boek open en legde het op zijn satijnen knieën.

“Houd op met al die poespas en begin!” beval de keizer.

 

De lakei zette een lorgnet op de neus en begon statig te lezen;

“Het was een bitter koude nacht. De sneeuw viel in dikke vlokken omlaag en het vroor dat het kraakte. Over het eenzame bospad liep een rendieren trok hijgend een zware slee, waarop de kerstman ...”

 

“Kwatsch!” riep de keizer. “Ik wil geen kerstman. Ga in de hoek staan.”

De eerste lakei verloor zijn deftigheid niet. Hij legde het boek neer, nam zijn lorgnet af, stond op en schreed met waardige passen naar een hoek van de zaal waar hij in de houding ging staan, met zijn neus in het gordijn.

 

Enkele minuten later klopte de tweede lakei aan, trad binnen, ging op het krukje zitten, sloeg zijn boek open en begon te lezen:

“Er was eens een b-b-b-oompje dat had g-g-groene blaadjes die in de herfst rood werden en daarna g-g-geel en tenslotte afvielen. het boompje dacht; had ik maar naalden, dan zou ik in de winter niet k-k-kaal zijn en een k-k-kerstboom kunnen...”

 

“Kwatsch!” riep de keizer. “Ik wil kerst en geen kerstboom. Ga in de hoek staan.”

 Ook de tweede lakei stond gehoorzaam op en ging stram in de hoek staan, met zijn neus tegen het schilderij van de vorige keizer.

 

Toen werd de lijfwacht opgetrommeld. De kapitein verscheen aan het hoofd van zijn man­schappen; stelde zich op voòr de troon, salueerde en sprak: “Present majesteit.”

“Ik wens het kerstverhaal,” beval de keizer “Zzet het leger in, en ga het zoeken.“

 

Alle boeken waar een kerstverhaal in stond, werden verzameld en in optocht naar de keizer gebracht. “Lees voor,” snauwde de keizer. De kapitein salueerde en begon in het eerste boek.

Maar dat verhaal ging over een kerstpudding en de keizer rukte de kapitein het boek uit de handen en smeet het tegen de muur. De kapitein salueerde en nam het volgende ver­haal: De kerstkrans heette dat en de keizer schopte het boek tegen het plafond. Zo ging het maar door. De kerstroos, de ker­stkaars, de kerstman, de kerstgans, alle boeken werden door de keizer weggesmeten.

 

“Namaak! Ik wil het echte, ga het zoeken, on­middellijk. Ik wens het vanavond te horen!”

“Vanavond te horen,” antwoordde de kapitein en marcheerde saluerend weg.

 

Maar in de deur botste hij tegen de oude keukenmeid en die riep: “Waar blijven de lakeien om de soep op te dienen?”

“Soep,” bulderde de keizer. “Wie durft daar over soep te spreken? Ik wil geen soep. Ik wil het kerstverhaal!”

 

De oude keukenmeid die niet lezen of schri­jven kon zei. “Oh, het kerstverhaal”

Ze waggelde naar voren. “Bedoelt u Maria en Jozef in de stal met het kind in de kribbe en de herders er omheen?”

“Aha,” zei de keizer, “vertel het me!”

“Nou,” zei de keukenmeid, “dat... kent u toch zeker? “

“Vertel het me,” bulderde de keizer, en de li­jfwacht drukte de keukenmeid op het gouden krukje met de geborduurde zitting.

“Nou, Maria en Jozef moesten naar Bethlehem,” begon de dikke meid bevend.

“Maar 't was overal zo vol en zo kwamen ze in de stal, en daar kreeg zij haar kindje en ze legde het in een kribbe op een beetje stro want ze had niets anders en toen kwamen de herders en toen....”

“En toen?” vroeg de keizer

“Nou toen... toen niks,” stamelde de keuken­meid.

“Dat is 't hele verhaal!?” riep de keizer. De keukenmeid knikte.

“Lijkt nergens naar.” schreeuwde de keizer. “Ga in de hoek staan”

“Het kerstverháal…” bulderde de keizer, “het echte!”

 

Maar het bleef doodstil.

 

.... Totdat er voetstappen klonken in de gang, de deur geopend werd en een oude sol­daat binnentrad. Hij droeg versleten schoenen en een grote vaalgrijze jas hing over zijn schouders.

“Geen mens bij de poort,” sprak hij,

“geen mens bij de achterdeur, geen mens bij de binnendeur, geen mens in de keuken, niemand in de gang, dus ik dacht...”

“Scheer je weg.”“riep de keizer.

“Maar ik wou vragen of ...”

“Verdwijn, mars.” schreeuwde de keizer.

“... onderdak en een hapje in de keuken,” stamelde de oude soldaat.

“D'r uit. Ik bedoel:  kom hier!” bulderde de keizer.

“Kom hier en vertel het kerstverhaal.”

De soldaat strompelde tot voor de troon. Hij keek de keizer aan en zweeg lange tijd.

Toen sprak hij:

“Och Sire, wat wilt u van een oude soldaat die moe is van de oorlog en moe van het marcheren? Het kerstverhaal? Ik heb een heel leven achter de rug van gaan en staan, van slapen in het koude veld en van dode kameraden. Ik heb het zoete geproefd van de overwinning en het bittere van de nederlaag. Wilt u van mij het kerstverhaal? Mijn schoenen zijn gebarsten en mijn jas is versleten. Hoe kan ik nou vertellen over wollen schaapjes en zingende engeltjes?”

 

Het was doodstil geworden in de troonzaal.

 

“Maar, wat is het kerstverhaal?” vervolgde de oude soldaat.

“U bent een machtig keizer. U beveelt en ieder doet wat u zegt. Ik zie ze hier allemaal staan met hun neus tegen de muur, als  gehoorzame onderdanen, en zie: het kerstverhaal gaat ook over een keizer. Over de keizer des keizers, over de allerhoogste, die van zijn troon kwam om mens te worden onder de mensen. Maar,”  ging de soldaat verder, “is dat een verhaal? Als u mij vraagt: ‘En toen?’ dan zeg ik: kom van uw troon af, machtige keizer en word mens onder de mensen. – Dan zult u het kerstverhaal kennen.”

 

De soldaat zweeg en even bleef het stil in de troonzaal.

Toen greep de keizer naar zijn gouden kroon en smeet hem met zoveel kracht op de vloer als hij nog nooit gedaan had. Alle hovelingen langs de muur keken ontzet om.

“Brutale luis,” schreeuwde de keizer, “hoe durf je zo tegen me te spreken? Verdwijn van hier, onmiddellijk. In looppas.”

De soldaat haalde de schouders op.

“Schiet op, mars.” bulderde de keizer.

De soldaat haalde opnieuw de schouders op, keerde zich om en begon langzaam naar de deur te strompelen.

“Wel alle donder en bliksem” brulde de keizer, “ik zei: looppas.”

 

Maar de soldaat scheen het niet te horen, en opeens kwam de keizer als een woedende stier overeind, sprong de drie treden van zijn troon af en rende de soldaat achterna om hem het paleis uit te schoppen.

“Dat zal je voelen,” riep hij, maar vreemd genoeg kon de keizer hem niet te pakken krij­gen. Telkens wanneer hij meende de soldaat een schop of stoot te kunnen geven, was deze juist iets verder dan hij dacht.

“Ik zal je,” schreeuwde de keizer door de lange gang.

Hij gooide zijn zware hermelijnen mantel af om zich beter te kunnen bewegen en vloog de strompelende soldaat achterna. Maar deze ging door de keuken, door de achterdeur de poort uit, zonder dat de keizer hem zelfs had kunnen aanraken.

In machteloze woede begon de keizer te hollen, maar hoe harder hij liep, hoe groter de afstand tussen hen werd, en tenslotte verd­ween de strompelende soldaat geheel uit het gezicht. Toen bleef de keizer hijgend staan. Een koude wind blies door zijn dunne kleren en hij begon te bibberen en te klapper­tanden en met zijn knieën te knikken.

 

“Ik heb het koud,” schreeuwde hij. Maar niemand hoorde hem.

“Breng mijn mantel,” schreeuwde hij. Maar niemand kwam.

Hij begon weer te lopen en dwaalde verder en verder. Hij werd kouder en kouder en zijn woede koelde. Toen struikelde hij en viel. Het was de versleten jas van de soldaat die op zijn weg lag.

 

“Ai”, mompelde de keizer, “ai, ik ben gevallen. Van mijn hoge troon ben ik gevallen.”

 Het duurde een hele tijd voor hij weer opstond, en omdat het zo bitter koud was, nam hij de soldatenjas, klopte het stof en zand eruit, sloeg hem om zijn schouders en strompelde langzaam terug naar het paleis.

 

De eerste en de tweede lakei, de oude keukenmeid, de hofdames, de kamerdien­aren, de poetsknechten en alle andere hovelin­gen stonden nog steeds tegen de de muur toen de keizer weer in de troonzaal verscheen. En omdat er geen schreeuwend bevel klonk, draaiden ze één voor één voorzichtig en nieuws­gierig het hoofd om. Daar stond hun heer en meester, de nukkige keizer, gehuld in een grauwe, versleten soldatenjas. Hij sprak :

“Het is kerstavond. Ik wens het feest met u allen aan één tafel te vieren, en ikzelf zal het kerstverhaal vertellen.”

 

Zo gebeurde. En welk verhaal dat was, weet ieder die ooit van zijn eigen troon gevallen is.

 

Dick Wursten, naar een  Kerstverhaal van Paul Biegel  (uit de bundel de Toverhoed, uitgeverij Holland Haarlem)