De islamitische wereld wordt al decennia overspoeld door een stroom van haatberichten, schrijft Midden Oosten-journalist Michael Stein. ‘Alleen als de predikers van die haat keihard worden aangepakt, kan het Westen zichzelf beschermen.’ door Michael Stein, TROUW 20 oktober 2001.
,,Waarom heeft u opeens in uw krant het feuilleton ‘De Protocollen van de Wijzen van Zion’ afgebroken, waarin het misdadige complot van de joden om de hele wereld in hun macht te krijgen zo indringend en plastisch wordt beschreven? Waarom is het niet langer noodzakelijk om uw lezers voor het joodse gevaar te waarschuwen? Dat is toch niet opeens verdwenen? Tenslotte zijn de Protocollen al bijna driekwart eeuw oud. Gelooft u er niet meer in?”
Anis Mansour, hoofdredacteur van het weekblad Oktober en een vertrouweling van wijlen president Sadat van Egypte, was helemaal niet verbaasd over de vraag. Glimlachend zei hij: ,,Elke periode kent zijn eigen verhalen. Als er oorlog is, zijn die verhalen anders dan wanneer je vrede probeert te bereiken. De president heeft een paar weken geleden besloten op de vredeskoers te gaan. En daarin paste dit feuilleton niet langer.”
,,Maar uw arme lezers dan” – probeerde ik opnieuw – ,,die zitten toch nu met een verhaal dat niet af is en dat uzelf voldoende de moeite waard vond om voor de zoveelste maal opnieuw af te drukken? Laat u hen niet in de kou staan?”
,,Nee”, antwoordde hij.
,,Als de tijd daarvoor rijp is, zullen ze van de rest ook kennis kunnen nemen.”
Dit gesprek vond plaats in december 1977, enkele weken na Sadats geruchtmakende reis naar Israël, waar hij in twee dagen tijd honderden malen herhaalde dat er ‘nooit meer’ oorlog tussen Egypte en Israël zou zijn. En inderdaad, anderhalf jaar later sloten Egypte en Israël vrede.
Anis Mansour is tegenwoordig columnist van de semi-staatskrant Al Ahram – en zijn antwoord van destijds bleek profetisch te zijn. Opnieuw verkondigen de Egyptische media dagelijks – na 15 jaar ijskoude vrede, gevolgd door zeven jaar koude oorlog – dat de Israëli’s veel erger zijn dan de nazi’s, en dat de Holocaust nooit heeft plaatsgehad of het leven heeft gekost aan een veel te klein aantal joden. De muren naast de residentie van de Israëlische ambassadeur zijn volgekalkt met hakenkruisen. En een apotheek in de buurt heeft op zijn deur een bordje ‘verboden toegang’ met afbeeldingen van een hond, een hagedis en de davidster.
De vrede ging gepaard met een gigantisch Amerikaans hulpprogramma. Inmiddels hebben de Amerikanen meer dan miljard dollar in Egypte gepompt, de Egyptische strijdkrachten gemoderniseerd, en hebben de VS en West-Europa een groot deel van Egypte’s buitenlandse schulden kwijtgescholden. Maar de Egyptische media zeggen nooit ook maar één woord over die hulp, berichten daarentegen wél dagelijks over de schandelijke Amerikaanse militaire en politieke steun aan Israël. Een Egyptenaar legt na enig nadenken die merkwaardige incongruentie uit: ,,De hulp die wij krijgen is één ding, de haat die wij voelen is iets anders – die twee hebben niets met elkaar te maken.”
Hij heeft gelijk. Want de hele islamitische wereld wordt al vele decennia met een niet aflatende stroom van haatberichten overspoeld – door de overheden en hun vijanden. Nergens wordt vermeld dat het Westen de moslims van Bosnië (te laat, maar toch), de moslims van Kosovo (met succes) en de moslims van Somalië (zonder veel succes) te hulp schoot. Daarentegen zijn de berichten van de Arabische media ontelbaar over door de VS en Israël vergiftigde snoepjes, welbewust geëxporteerde aids, satansverering en homoseksualiteit, vergiftigd water en vergiftigde medicijnen, groenten en fruit.
Wie voortdurend onder zo’n douche staat, raakt ervan doordrenkt. Niet alleen in het Midden-Oosten, maar ook elders in de wereld, tot en met Rotterdam, voelen moslims zich achtergesteld en onderdrukt omdat hun dat zo wordt voorgeschoteld. Zo berichtte de correspondent van het inmiddels wereldberoemde Arabische televisiestation al-Jazeera in een reportage over een christelijk-islamitische dialoog in Rome: ,,Alle deelnemers waren het eens over het feit dat het Westen gewelddadig en onrechtvaardig optreedt tegenover de moslims” – een wat krasse vertolking van het standpunt van de roomskatholieke geestelijken aldaar.
In tegenstelling tot de lofprijzingen van Westerse journalisten over het democratische en kritische gehalte van al-Jazeera, stellen Arabische en Koerdische liberalen vast dat het
populistische tv-station (dat opereert dankzij een grote lening van de emir van het Golfstaatje Qatar, waar het is gevestigd) nimmer kritisch bericht over Qatar en – om commerciële redenen – vooral Arabische nationalisten en islamisten aan het woord laat, aangezien die de grote publiekstrekkers zijn.
Tijdens het bezoek van de paus aan Syrië werden er geschiedenisboekjes uitgedeeld aan de bezoekers. Eén daarvan had als titel ‘Een Synagoge Binnen de Kerk’ – waarin de auteur de pogingen van de joden beschreef om het Vaticaan over te nemen. Voordien al had president Bashar Assad de paus in zijn officiële begroetingsrede verteld dat de joden de Palestijnen op dezelfde wijze achtervolgen als zij Jezus hadden achtervolgd en geprobeerd hadden de profeet Mohammed te vermoorden. Na de kritiek uit het Westen over deze uitspraak, reageerde de president geërgerd: ,,Er zijn veel mensen in deze wereld die nog steeds bang zijn om zelfs maar de historische feiten te noemen.”
De stichting van de staat Israël in 1948 betekende voor lle Arabieren – zelfs voor hen die de laatste jaren naar vrede streefden – zowel diefstal van Arabisch-islamitisch gebied, als het opleggen van een vreemde, Westerse cultuur aan de Arabische en islamitische wereld. De daarop volgende nederlagen van de Arabische legers versterkten die gevoelens alleen maar.
Dat bleek na de zo smadelijk verlopen juni-oorlog van 1967. Arabische ministers en ambassadeurs overlegden eindeloos met hun Sovjet-collega’s in New York over de beslissingen die de Veiligheidsraad van de VN diende te nemen. ,,Wij noemden die oorlog een ’terugslag”’, vertelt één van de daar aanwezige Arabische ambassadeurs. ,,Keer op keer corrigeerden de Russen ons en zeiden: ‘Nee, dit was geen terugslag, jullie hebben een nederlaag geleden. Er zit niets anders op om dat te erkennen.’ Maar wij wilden er niet aan. Nee, ik zeg het verkeerd – we konden die feitelijkheid niet accepteren.”
De oktoberoorlog van 1973, die Sadat aan zijn landgenoten als een grootse overwinning van het Egyptische leger verkocht, stelde hem in staat vier jaar later het vredespad op te gaan. Want de eer van Egypte was gered en het land had dringend rust en vrede nodig. De vrede die hij sloot en waarvoor hij als verrader door de hele Arabische wereld werd uitgemaakt, werd vanaf eind jaren ’80 gevolgd door vredespogingen van koning Hoessein van Jordanië en de PLO. Die vredesgeluiden waren eveneens uit nood geboren, omdat Israël nog altijd de sterkste was en er geen Sovjet-Unie meer bestond die Arabische regimes tegen de Westerse dominantie kon beschermen. Maar ook zij gingen uit van het principe dat de nederlaag van 1967 hoe dan ook moest worden teruggedraaid.
De door de Amerikanen georganiseerde feestmuziek over de vrede verhinderde niet de gevoelens van schaamte en schande van miljoenen. Het islamisme dat begin jaren ’80 overal kwam opzetten, beloofde aan die capitulatie een einde te maken. De islamisten, die in eerste instantie alle heersers in de moslim-wereld ten val wilden brengen, werden door hun overheden te vuur en te zwaard bestreden – en verloren de strijd. Maar op één front wonnen ze gedeeltelijk: de Arabische leiders besloten hen op religieus-ideologisch gebied tegemoet te komen. Op de van staatswege gecontroleerde tv-stations kregen de meest reactionaire geestelijken het hoogste woord en in de samenleving kregen hun ideeën voorrang. Wie naar vernieuwingen in de islam zocht, werd de mond gesnoerd, moest naar het buitenland uitwijken of kon alleen in een door de politie zwaar bewaakte flat zijn ideeën aan zichzelf en het papier toevertrouwen.
De nederlaag van 1967 had nog een ander gevolg: Koning Faisal van Saoedi-Arabië en president Nasser van Egypte sloten vrede, nadat zij jarenlang oorlog in Jemen hadden gevoerd – met als uiteindelijke inzet de olierijkdommen van het Arabische Schiereiland. Nasser had in het openbaar gezworen dat hij de baardharen van Faisal stuk voor stuk zou uitrukken. Nu zaten ze daar in de Soedanese hoofdstad Khartoem tegenover elkaar en deed Faisal niet anders dan eindeloos zijn baard aaien: hij had hem nog en hij had gewonnen.
Kort daarop kondigde hij aan dat hij een Pan-Islamitisch front zou oprichten, dat net zoals het Pan-Arabisme de strijd tegen Israël zou opnemen. In Cairo, Damascus, Algiers en Bagdad lachte iedereen hartelijk om dat bespottelijke idee. Maar Allah kwam enkele jaren later Faisal te hulp: de Golf-Arabieren werden overstroomd door miljarden oliedollars, waarmee Faisal naar behoeven aan het werk kon gaan.
Geheel in de traditie van de Wahabieten (de meest letterlijke en vreugdeloze variant van de soennitische islam) besloot hij in de hele wereld moskeeën en koranscholen te stichten, die de ware leer zouden uitdragen. Veel van deze heilige instellingen voeden hun gelovige luisteraars en leerlingen met een dagelijks menu van minachting voor en haat tegen het ‘smerige Westen’, en het verlangen om in de djihad te mogen sterven en onmiddellijk het Paradijs binnen te gaan.
President Bush, premier Blair en Wim Kok kunnen per week 300 moskeeën bezoeken en uitleggen dat de nu gevoerde oorlog alleen maar tegen het terrorisme is en absoluut niet tegen de islam, het is vergeefse moeite. Ze worden door maar heel weinig moslims geloofd. Want met name in de door Saoedi-Arabië gefinancierde koranscholen en moskeeën krijgen de studenten te horen dat de VS een natie zijn van christenen en joden, wier enig doel is de islam te vernietigen.
In Pakistan, waar tussen de 7.000 en een miljoen jongens op 7.0 koranscholen zitten – bijna allen afkomstig uit armoedegezinnen, die hen niet langer konden kleden en voeden – worden de koran en de uitspraken en gewoontes van de profeet Mohammed nauwkeurig uit het hoofd geleerd, maar is discussie over de
teksten verboden. Veel van die koranscholen zijn nu gesloten om de leerlingen, die verder geen cent hebben, ertoe te bewegen richting Afghanistan te gaan en daar aan de djihad deel te nemen.
Op 24 augustus smeekte Ikrama Sabri, de door Arafat aangestelde Moefti van Jeruzalem, in zijn vrijdagpreek die door de Palestijnse radio werd uitgezonden, Allah om ‘de VS en hun aanhangers te vernietigen’.
Twee dagen na de aanslagen in Amerika publiceerde al-Risala, het weekblad van de Palestijnse radicaal-islamitische beweging Hamas, een open brief, getiteld: ‘Allah heeft onze gebeden beantwoord – het zwaard van de wraak heeft Amerika bereikt en zal steeds opnieuw toeslaan.’ En de hoofdredacteur van al-Risala, dr. Ghazi Hamad, legde uit dat ‘de straf in overeenstemming is met de misdaad’. Want ‘de VS proeven nu de bittere oogst van hetgeen zij in de harten van miljoenen hebben gezaaid’, aangezien zij ‘sinds het begin van de vorige eeuw hun macht hebben gebruikt om onderdrukte volkeren te vermoorden…’
Najah Wakim, een voormalig Libanees parlementslid van nasseristische huize zei twee weken geleden ongeveer hetzelfde tijdens een rouwdienst voor de door Israël vermoorde leider van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina: ,,Wij moeten in onze harten haat planten tegen Amerika. Het eerste wat wij onze kinderen moeten vertellen is dat de VS onze vijanden zijn. Wij huilen niet over de slachtoffers van de aanslagen van 11 september in de VS, omdat wij zoveel over onze slachtoffers hebben gehuild dat wij geen tranen meer over hebben.”
De conclusie? Steeds meer mensen in de islamitische wereld zijn ervan overtuigd dat er wel degelijk sprake is van een ‘oorlog tussen culturen’. De Westerse wereld, waar intussen miljoenen moslims wonen, ontkent dat hartstochtelijk – al was het maar uit bittere noodzaak. Want het ergste wat een multiculturele samenleving kan overkomen, is dat zij door haat wordt verscheurd. Alleen als de predikers van die haat keihard worden aangepakt, kan het Westen zichzelf beschermen. Wie propageert om ‘de diepere oorzaken’ van de nu wereldwijde islamitische haat te onderzoeken, zou in 1939, toen Hitler Polen overviel, begrip hebben getoond voor de motieven van deze Duitse patriot.
,,Hitler roeide de joden uit omdat zij hem hadden verraden en het contract met hem hadden geschonden”, legt sjeik Mohammed al-Gamei’a uit, zonder uit te wijden om welk contract het ging. De sjeik is de vertegenwoordiger in de VS van de achtenswaardige Al Azhar-Universiteit en de imam van het Islamitische Culturele Centrum in New York. Op 4 okober legde hij op een website van Al Azhar uit dat de Amerikaanse aanvallen op Afghanistan terrorisme zijn en het einde zullen inluiden van de VS. Bovendien vertelde hij dat als de Amerikanen nu maar doorhadden dat de joden de aanslagen van 11 september hadden gepleegd, zij hetzelfde met hen zouden doen als wat Hitler had gedaan.
‘Onze Lieve Heer op zolder’ is de negentiende eeuwse naam van de schuilkerk die de rooms-katholieken in de zeventiende eeuw inrichtten op de zolder van een groot (gecombineerde) herenhuis aan de Amsterdamse Oudezijds Voorburgwal. Van binnen een kerk, van buiten niets bijzonders te zien.
Peter Berger (1929-2017) was een invloedrijk godsdienstsocioloog. Zijn boek uit 1967 The Sacred Canopy vestigde zijn naam op dit terrein. In dit boek combineerde hij de secularisatiethese van Weber met zijn eigen visie op religies als ‘sociale constructies’. Al snel zag hij de blikvernauwing. In de jaren 1990 stelde hij dat Moderniteit leidt tot pluraliteit (als feit) op religieus terrein en dus tot de vaststelling dat men niet meer op dezelfde manier religieus kan zijn als vroeger, nl. vanzelfsprekend. Dit kan vervolgens zowel tot relativitering als tot fundamentalisering van het religieuze leiden. Secularisatie is dan een optie (Europa), maar geen dwingend gevolg.


Olivier Roy (








Maurice Merleau-Ponty (1908-1961).