historisch christendom

   

Home
Up
Nock's Conversion
historisch christendom

Enkele excerpten uit: "Het christendom als novum en als product van de antieke wereld" (Anton van Hooff).
 

Het christendom kwam niet uit de lucht vallen. En - vreemd maar waar - in zekere zin paste het eind van de 3e eeuw wonderwel bij de Romeinse wereld. Historicus Anton van Hooff schreef hierover een mooi artikel (lezing voor sceptici, de moeite) Het hele artikel kunt u hier lezen.

Wat geloofden de Romeine eigenlijk
Over de Griekse mythen en sagen: Mythen verklaren veel (etiologie), alles eigenlijk.

Hoe wisten Grieken en Romeinen wie de goden waren? Zij hadden geen heilig boek waarin de allerhoogste(n) zich openbaarden. Hoe de goden werkten, wisten zij uit de talrijke mythen. Veel van die oude verhalen geven een oorzaak, aitia. Deze ‘etiologie’ kan heel triviaal zijn, bijvoorbeeld als zij een naam verklaart.

  • De Egeïsche Zee heet zo omdat Aigeus zich in wanhoop om zijn dood gewaande zoon in het water stortte.

  • Waarom de spin zo naarstig weeft, wordt uitgelegd door het verhaal van Arachne, die het waagde een weefwedstrijd met Athena aan te gaan. Toen het meisje de godin van het handwerk dreigde te overtreffen, vernielde deze haar weefsel en veranderde haar in een spin.

  • Waarom de negers zwart zijn? Wel, Phaëton, bastaardzoon van de zonnegod Helios, dwong van zijn vader de toestemming af één keer de zonnewagen te besturen. In zijn onervarenheid raakte hij uit de koers, kwam te dicht bij ‘Ethiopië’ en verschroeide voor altijd de plaatselijke bevolking.

  • Het raadsel van de wisseling der seizoenen wordt op narratief niveau opgelost door het verhaal van aardmoeder Demeter die een deel van het jaar haar dochter Persephonè moet afstaan aan de onderwereldgod Hades. Als je ooit in Griekenland de omslag van winter naar voorjaar hebt meegemaakt, begrijp je deze mythe volkomen. Binnen enkele dagen staan de velden vol bloemen: de Moeder jubelt over de terugkeer van haar lieveling. De zogeheten Homerische hymne aan Demeter verklaart ook waarom Eleusis het cultuscentrum van Moeder en Dochter is geworden: op haar zoektocht vond Demeter er een gastvrij onthaal. Als beloning verordende de godin zelf de bouw van een tempel.

Dit verhaal is slechts één voorbeeld van een mythe die rite legitimeert. Het hoeft natuurlijk helemaal niet zo te zijn dat er eerst het verhaal was en toen pas de heilige handeling. Oude tradities kunnen in hun onbegrijpelijkheid mythen genereren. De riten en mythen van Sinterklaas illustreren dit tweerichtingsverkeer. Was er eerste de gewoonte van het strooien en het deponeren van geschenken door de schoorsteen? Of voeren we op sinterklaasavond een verhaal op over de bisschop van Myra? Hij wierp op een avond een zak goudstukken door het venster bij een arme weduwnaar, wiens dochters in de prostitutie dreigden terecht te komen.

Mythen kunnen ook de etiologie van maatschappelijke instellingen geven. Waarom mochten Griekse vrouwen niet stemmen? Historisch is het fenomeen uitstekend te begrijpen. De kantonnale staat die de polis was, berustte op weerbaarheid. Geen wonder dus dat alleen mannen polisleden, politai, waren. Niettemin zorgde een mythe voor een afdoende verklaring. In het conflict tussen Athena en Poseidon om het bezit van Attika, hadden de vrouwen voor de zeegod gekozen. Daardoor hadden zij zich gediskwalificeerd en werd hun door de goden voor altijd het stemrecht ontnomen. In elk geval moet de oude Grieken worden nagegeven dat zij de politieke asymmetrie problematiseerden. 

 

Geloofden ze dat nu echt?
Ach er is geloof en geloof, en vooral tussen geloofshandelingen uitvoeren en dogma's aannemen.

Voor zover het woord geloof van toepassing is op de antieke religie moet men denken aan gradaties van overtuiging. Weer is Sinterklaas een aardige parallel. Een kind gelooft in zijn lichamelijke existentie. Later geniet je van de heerlijke riten en verdedigt hem als stukje Nederland, dat door de UNESCO zou moeten uitgeroepen tot onvervangbaar cultuurgoed. Bovendien is Sinterklaas zo’n handig symbool: namens hem kun je de geheime geliefde een geschenk doen toekomen of door middel van een gedicht kritiek uitoefenen. Wie is zo flauw om helemaal niet in de Goedheiligman te geloven? Zo was het in de oudheid ook met de gevestigde religie. Echte loochening van de goden kwam niet voor. Epikouros ging nog het verste door goden aan te nemen die zich absoluut niet met de mensen bemoeiden.

Intellectuelen die zelf aan de religieuze sentimenten waren ontgroeid, waarschuwden voor ondermijning van het volksgeloof. Volgens de Griekse historicus Polybios (ca. 200-120 v.C.), die met het superioriteitsgevoel van een oude wereld naar het opkomende Rome keek, waren de Romeinse leiders slim geweest door de godsvrees van de massa te voeden met riten en andere poppenkast. Godsdienst was voor hem dus opium voor het volk en handige politici dienden de massa de nodige dosis te geven. Deze rechtvaardiging van religie heet de politieke theologie, theologia politikè of in het Latijn theologia civilis. Later zouden Machiavelli, Bolkestein en Poetin – bien étonnés de se trouver ensemble – zich in gelijke zin uitlaten.

Men kon zich ook tot een religieus collectief toewenden door zich te laten inwijden in een speciaal genootschap. Een inwijdeling heet in het Grieks mystes, vandaar de term mysteriediensten. Door een ceremonie trad men toe tot het gezelschap dat een bijzondere relatie had tot een godheid zoals Apollo, Dionysos of het Eleusinische godinnenpaar Demeter-Persephonè. Zulke genootschappen hadden wel iets weg van kerken, maar ze misten het exclusieve van een gemeenschap die de waarheid in pacht denkt te hebben. Menigeen deed aan religieus winkelen en liet zich in diverse mysteriediensten inwijden.

Het Homerische antropomorfisme was sommige intellectuelen te vulgair. Xenophanes (ca. 565-470 v.C.) merkt al spits op dat runderen als ze konden schilderen ongetwijfeld goden naar hun beeld en gelijkenis zouden maken. De filosoof pleit met hartstocht voor het volmaakte Ene als verbindend principe. Ook het Platonisme, dat de ziel als het goddelijke element in de kerker van het lichaam beschouwt, en de Stoa, die alles door een goddelijke plan bestierd acht, schiepen bij de intellectuele en maatschappelijke elite ontvankelijkheid voor een ene god.

Zo loopt er een lijn van het veelgodendom naar het monotheïsme, via het zogeheten henotheïsme. Dit gekunstelde woord betekent ‘ééngodendom’, maar tegenover ‘monotheïsme’ brengt het de nuance aan dat de ene god weliswaar de belangrijkste, maar niet de enige is.

 

Rijp voor de godmens.
de opkomst van het christendom eind 3e eeuw.

In veel opzichten betekende het christendom helemaal niet zo’n radicale breuk met heersende voorstellingen. Van oudsher was het bestaan van heroën aangenomen, mensen die door bijzondere prestaties en met hulp van de goden, hun menselijkheid hadden afgelegd. Sinds de tijd van Alexander de Grote was het gangbaar geworden dat vorsten zich uitgaven voor zulke halfgoden. Zij lieten zich meer dan manshoog afbeelden en naakt. De gewone stervelingen begroetten deze machtige vorsten als Weldoeners. Andere goden zijn maar van hout, zegt een hymne, maar u bent tastbaar. Uw gunsten voelen wij tenminste aan den lijve. De hellenistische koning en later de Romeinse keizer wordt aangeduid met predikaten waarvan christenen dachten dat ze voor Jezus van Nazareth waren gereserveerd:

  • Verlosser, Heiland, Redder, soter. De koning werd gezien als een ‘verschenen’ god (epiphanes of in het Latijn: manifestus).

  • Na de dood realiseerde de goddelijkheid van zo’n godmens zich volkomen. De goden stuurden kometen en adelaars als teken dat zij de gestorvene in hun midden opnamen. Dan wisten de mensen zeker wat zij altijd al vermoedden, namelijk dat de overledene eigenlijk een god was.

  • Zij erkenden zijn goddelijkheid, zoals de katholieke kerk mensen niet heilig maakt, maar ‘verklaart’. De vergoddelijking, apotheosis of divinatio, werd dan uitgebeeld, er werden tempels gesticht en een cultus voor de Divus ingevoerd.

Christenen zelf konden het in het begin maar moeilijk verkroppen dat hun leermeester zo ellendig aan zijn einde was gekomen. Het was even slikken om ‘de ergernis van het kruis’, het scandalum crucis, te verwerken. De eerste eeuwen wordt de kruisiging dan ook helemaal niet uitgebeeld. Jezus verschijnt in antieke uitmonstering als herder of gebaarde filosoof. De vroegst bekende afbeelding van de kruisiging betreft een spotgraffito. Pas vier eeuwen na Jezus’ infame dood wordt de kruisiging bestanddeel van de christelijke iconografie.

Afgezien van Zijn schokkende einde had Jezus veel te bieden wat antieke mensen vertrouwd voorkwam.

  • Het doopsel is een typische inwijdingsritueel. Ook in andere opzichten voldoet het christendom aan de kenmerken van een mysteriegodsdienst:

  • heilige geheimen, exclusieve symbolen en heilige schriften.

In zijn oervorm onderscheidde het christendom zich alleen van andere religieuze genootschappen door het geloof in de enige God, met uitsluiting dus van andere. In de loop van de tijd werd er flink water bij de christelijke wijn gedaan.

  • De ene God werd uitgesplitst in drie goddelijke personen.

  • De enorme afstand tussen de mens en de verre God werd overbrugd door christelijke heroën, de ‘bloedgetuigen’, martyres in het Grieks, die tot verbijstering van de heidense Umwelt voor zoiets triviaals als een geloofsovertuiging hun leven veil hadden. Voor gewone christenen waren deze kampioenen kortweg de ‘heiligen’, de sancti.

    • In het besef van de eigen zondigheid rekende men op de voorspraak van de martelaren die er zeker van konden zijn aan het einde der tijden in Gods gunst te worden aangenomen. Daarom verzekerde men zich van een grafplaatsje zo dicht mogelijk bij de sanctus. Als hij zou opstaan, mocht men hopen in het heilige kielzog te worden meegenomen. In afwachting werd de gestorvene geacht in vrede te slapen, vandaar de wens requiescat in pace.

De belofte dat aan iedereen een eeuwig leven met ziel en lichaam te wachten stond, was ongetwijfeld een sterke troef van het christendom. Andere mysteriereligies zoals die van Mithras, Kybele of Isis waren niet zo pertinent in hun toezeggingen. Het christendom heeft om zo te zeggen de hemel gedemocratiseerd. Bovendien hadden vrouwen, slaven, vrijgelatenen en vreemden een volwaardige plaats in de aardse prefiguratie van de gemeenschap der heiligen, de Kerk – al werden ze niet licht ouderling, presbyteros (priester), of opzichter, episkopos (bisschop).

Zulke functies werden gaandeweg voor de oude maatschappelijke elite aantrekkelijk. Niet voor niets stapte Ambrosius van de keizerlijke administratie over naar het bisschopsambt van Milaan. Intellectuelen als Origenes en Augustinus leefden hun Neoplatoonse speculaties uit in de ontwikkeling van de christelijke theologie. Er was dus voor elck wat wils. Zowel aan de eenvoudigen van geest stond het Koninkrijk der Hemelen open als aan de geletterde elite, die de orthodoxie uitdacht.

Door de organisatie in lokale gemeenten was het christendom goed opgewassen tegen de crisis van de derde eeuw. Deze beroofde de ‘officiële’ godsdienst van de financiële steun van de overheid, die andere dingen aan het hoofd had. De zorg voor armen, zieken, weduwen en bejaarden maakte het lidmaatschap van een christelijke gemeente voor velen aantrekkelijk – sommige moskeegemeenschappen winnen tegenwoordig op dezelfde manier aanhang.

Constantijn

Ondanks deze gunstige factoren had het christendom na bijna drie eeuwen niet meer dan 10% aanhang onder de bevolking. Maar toen ontwaakte op 28 oktober 312 de Romeinse keizer Constantijn uit een onrustige slaap en sprak: ‘I had a dream.’ Hij had de nacht vóór de beslissende slag tegen zijn rivaal Maxentius aan de Milvische brug een verschijning gehad. Hij zou overwinnen als hij een nieuw logo aannam. Met een beetje goede wil leek het nieuwe symbool, het labarum, op de ineengevlochten eerste letters van Christos. In elk geval zag Constantijn in het christendom een nuttige bondgenoot. Spoedig verklaarde hij het tot een legale religie, in 313 bij het zogeheten Edict van Milaan. Al gauw begon hij de Kerk te begunstigen. Toen de politieke wind zo stond, bekeerde men zich massaal tot het christendom. De toeloop was zo groot dat Constantijn zijn militaire architecten grote markthalkerken, liet bouwen, basilica’s, zoals de Sint-Jan van Lateranen en de Sint-Pieter. Zelf liet hij zich pas op zijn sterfbed dopen, want als je eenmaal gedoopt was, mocht je geen zonden meer doen. Dat was een beetje lastig voor een keizer die zijn eigen vrouw en zoon vermoordde. Voor de oosters-orthodoxe kerk waren deze misstappen geen beletsel om Constantijn heilig te verklaren en hem zelfs de status van dertiende apostel toe te kennen. Zijn persoonlijke keuze heeft het christendom tenslotte aan de zege geholpen.

Waarschijnlijk was het Constantijns opzet dat het christendom zich met de andere religieuze krachten van het Rijk zou verenigen om de gunst van de ‘Goddelijkheid’ af te smeken. De inscriptie op de boog die in Rome zijn overwinning op de ‘tiran’ Maxentius viert, spreekt dan ook vaagjes van een zege die hij ‘op instigatie van de Goddelijkheid’(instinctu divinitatis) had behaald.

Tot zijn ergernis ontdekte Constantijn alras dat het christendom helemaal niet zo’n solide geestelijk blok was. In de vrede die de Kerk nu gegeven werd, was er alle gelegenheid voor theologische haarkloverijen. Als Jezus de Zoon was, was Hij toch niet helemaal van het goddelijk kaliber van de Vader, wel? Arius (ca.280-336) wilde niet verder gaan dan de Zoon wezensgelijkelijk, homoiousios, aan de Vader te verklaren. Onder keizerlijke druk hakte het concilie van Nicaea (325) de knoop door: Jezus was wezensgelijk, homousios, aan de Vader. Het is dus Constantijn die verantwoordelijk was voor de Latijnse tongbreker uit mijn roomse jeugd: consubstantialem Patri. Met zo’n geloofsuitspraak is de Umwertung aller antiken Werte voltooid: orthopraxie had plaatsgemaakt voor orthodoxie.

Dr. Anton van Hooff (2003)

Anton van Hooff (1943) was tot 2008 hoofddocent klassieke geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.Hij publiceerde onder andere over Caesar, Polybius, banditisme, Spartacus en zelfdoding in de Oudheid. Hij schrijft voor diverse kranten en tijdschriften, en hij geeft lezingen over onderwerpen uit de klassieke geschiedenis. Sinds zijn pensionering doceert hij klassieke talen aan het Stedelijk Gymnasium Nijmegen.

 

 

 

This site was last updated
 February, 2017