Paul Gerhardt

Vrome dichter en anti-calvinist.

home | up

 

Inleiding

In 2007 viert de christelijke wereld het 400ste geboortejaar van Paul Gerhardt, de man van “O Haupt, voll Blut und Wunden”, “Beveel gerust uw wegen”, “Du, meine Seele, singe” en nog veel meer. Overal wordt hij gevierd en herdacht. De Deutsche Post drukt een zegel en terecht. Bonhoeffer leefde bij zijn liederen en in Günter Grass’ schitterende verdichtsel “Das Treffen in Telgte” krijgt Gerhardts lied “Nun ruhen alle Wälder” de spottende collega’s, tot hun eigen verbazing, stil. Ik wil in dit artikel echter op iets anders ingaan dan op zijn liederen, namelijk op het pijnpunt in zijn biografie: De vrome dichter was namelijk ook een steile Lutheraan, die zich “erschreckend kompromisslos” opstelde in een geloofsgesprek met “Reformierten”.[1]

Calvinisme is syncretisme

Erkenning van een calvinistische dominee als collega stond volgens Gerhardt gelijk met syncretisme, omdat calvinisten eigenlijk “geen christenen” waren. Dit had te maken met de dubbele predestinatie en de sacramentsopvatting. Meestal wordt deze discussie snel geklasseerd (achterhaalde studeerkamer-discussie), maar dat is zeker in dit geval niet eerlijk ten opzichte van Paul Gerhardt. Voor hem was het namelijk geen studeerkamerdiscussie. Het heeft hem in 1667 zijn baan gekost als dominee van de Nikolaikerk in Berlijn, terwijl hij zijn opvatting maar iets had hoeven nuanceren en hij had kunnen blijven. Voor hem was het dus een wezenlijk punt. En hij was de eerste grote Lutherse dichter niet, die de calvinisten hierom verketterde. Ph. Nicolai is hem in het begin van de 17de eeuw voorgegaan (om over Luther zelf nog maar te zwijgen). Dat doet je afvragen: Wat is daar nou eigenlijk aan de hand ?

 

Wat was er aan de hand ?

Gerhardt heeft over de discussie niet zelf geschreven en in zijn gedichten maakt hij er ook geen allusies op, maar de historische aanleiding is bekend: Het betreft de godsdienstgesprekken tussen Calvinisten en Lutheranen, op instigatie van de keurvorst Friedrich Wilhelm (1640-1688), die in 1662 in zijn Landeskirchen ruimte wilde creëren voor “Reformierten”. Van de debatten zijn de “Akten” bewaard. Daaruit blijkt dat Gerhardt niet zo heel veel zei, maar de enkele uitspraken die zijn opgetekend, liegen er niet om. Zeer interessant, want door ons als buitengewoon aanstootgevend ervaren, is de reeds genoemde conclusie die Gerhardt trekt uit het theologische verschil van mening. Calvinisten kunnen eigenlijk niet als “Mitchristen und Mitbrüder“ beschouwd worden, omdat ze de lichamelijkheid van Christus’ tegenwoordigheid in de tekenen van het Avondmaal ontkennen en de genieting met de mond van zijn lichaam en bloed loochenen. De officiële Lutherse leer is dat Christus bij de viering van het Avondmaal niet slechts reëel, echt aanwezig is, dat spreekt voor zich. Dat zal een goede calvinist ook zeggen. Zegt hij het niet, dan heeft hij geen sacramentstheologie. De Lutherse sacramentstheologie – voortbouwend op de christologie – gaat er vanuit de de opgestande Heer niet alleen werkelijk leeft, maar ook alomtegenwoordig is, beide naar geest èn lichaam, want die twee mag je nooit scheiden, leert ons het aloude dogma der kerk (ubiquiteitsleer). Dus is hij ook fysiek aanwezig bij brood en wijn. Niet enkel spiritueel, niet enkel geloofsmatig, niet slechts in de herinnering of symbolisch, of in zijn “lichaam, dat is de gemeente”: neen, lichamelijk echt. Con-substantiatie: er vindt geen stoffelijke verandering (trans-substantiatie) plaats, maar de praesentia realis is ook stoffelijk.

Voor deze opvatting wilde Gerhardt zijn maatschappelijke positie op het spel zetten.

Ook over de calvinistische leer van de dubbele praedestinatie heeft hij zich uitgelaten. Hij vond deze godslasterlijk omdat deze leer – dixit Gerhardt – het evangelie zelf (het aanbod van het heil van Godswege) ontkracht. Ze stelt Gods genadeaanbod onder een voorbehoud. Een predikant die zegt dat hij die leerstelling gelooft, is volgens Gerhardt in principe niet te vertrouwen en kan dus nooit als collega (Mitbruder) beschouwd worden. Dit alles leidde bij Gerhardt – maar hij was de enige dus niet – tot de opvatting dat calvinisten eigenlijk helemaal geen christenen genoemd mochten worden. Alle andere opvattingen waren vormen van syncretisme en de eenheidsformule die de vorst had opgesteld (Toleranzedict) was niets anders dan een “fauler Friedenskompromiss.” Het is een extreem standpunt, maar wel consistent. Voor Gerhardt was de reële ook lijfelijke tegenwoordigheid van Christus op aarde, m.n. in de omgeving van het sacrament, blijkbaar essentieel voor het christelijke geloof. Loochening leidde tot een status confessionis.

 

Historisch intermezzo: Waarom speelde dit probleem in Berlijn ?

De keurvorst – zelf ook calvinist – probeerde in zijn rijksgebied (Brandenburg) de calvinistisch minderheid te beschermen. Veel van de calvinisten waren immigranten, gastarbeiders, die de keurvorst zelf had uitgenodigd (o.a. uit Nederland) om te helpen bij de economische wederopbouw na de alles verwoestende oorlog. Hij wilde deze economische onmisbare krachten alle ruimte geven, ook kerkelijk. Sterker nog: Hij wilde deze kleine minderheid gelijke rechten geven in de Landeskirche, zelfs middels positieve discriminatie. Hij veranderde het inzegeningsformulier, schrapte de eed op de Konkordienformel (die anti-calvinistische veroordelingen bevat), zodat ook “Reformierten” in zijn Landeskirche konden proponeren voor het predikambt.

Toen er hevig protest kwam vanwege de Lutheraanse geestelijkheid verplichtte hij beide partijen tot godsdienstgesprekken (1662). Het was echter wel duidelijk dat er maar één uitkomst mogelijk was voor de keurvorst. Toen het niet goedschiks ging, ging de vorst over tot dwang: Iedere predikant moest persoonlijk een “Revers” komen ondertekenen, waarin hij de eed op de Konkordienformel ongedaan maakte en beloofde de “anderen” als collega’s te accepteren. Velen weigerden en werden geschorst. Gerhardt was één van hen. Onder grote druk milderde de vorst enkele bepalingen, waardoor bijna iedereen uiteindelijk tekende. Eén Berlijnse predikant hield echter de poot stijf: Paul Gerhard. Hij bleef dan ook geschorst. Dankzij enkele hooggeplaatste vrienden, druk vanuit andere Landeskirchen en – heel bijzonder – een petitie van het gewone kerkvolk voor ‘hun Pfarrer’, besloot de vorst Gerhardt een voorkeursbehandeling te geven. Hij hoefde niet te komen tekenen, omdat de vorst er ook zonder handtekening wel van uitging dat Paul Gerhardt wel in de geest van het Toleranzedikt zou handelen. Na rijp beraad bedankte Gerhardt voor de eer. Zijn geweten – zo schreef hij aan de keurvorst in een alleronderdanigste brief – zou door deze daad ernstig schade worden toegebracht en dat kon hij zich als mens en christen niet veroorloven. Hierop verklaarde de vorst zijn plaats vacant (febr. 1667) en moest de familie Gerhardt weg uit Berlijn en buiten Brandenburg een betrekking gaan zoeken.

Waarom wilde Gerhardt op dit punt geen water in de wijn doen ? Was hij koppig, raakte hij verstrikt in de dynamiek van het conflict, heeft hij zijn hand overspeeld ? Neen, juist zijn afwijzing van het laatste aanbod, verplicht ons om uit te gaan van “existentiële onmogelijkheid”, vergelijkbaar met Luther voor de keizer te Worms. De diepte van deze exisentiële crisis zou wel eens te maken kunnen hebben met het feit dat Gerhardt was naast theoloog en dominee ook dichter was.

 

Dichters en dominees

Dichters zijn gevoelige mensen, op z’n minst voor taal. Maar omdat in de taal een hele wereld schuilgaat, zijn ze meestal ook gevoelig voor de werkelijkheid. En juist omdat ze weten wat woorden zijn, zijn ze het meest gevoelig voor dat wat niet zomaar in woorden gevat kan worden. Hoe paradox het ook moge klinken: Echte dichters weten niet hoe ze het moeten zeggen, daarom schrijven ze gedichten en zwijgen. Ik bedoel: als het over werkelijke belangrijke zaken gaat.

Dit onderscheidt de dichter van sommige dominees. Die spreken veel gemakkelijker dan dichters en ook goed en duidelijk over belangrijke zaken. Ja ze weten zelfs wel eens van geen ophouden. Dat al sprekend de taal wel eens zou kunnen vervlakken, daarvan zijn ze zich niet altijd bewust. En dat als de taal vervlakt, dan ook de wereld die in de taal kan schuilen platter wordt, ontgaat hen wel eens. Dan begint de redevoering te buigen voor de redelijkheid en nemen redeneringen het over van de werkelijkheid. Vooral calvinistische predikanten zijn vatbaar voor dit euvel, echter zonder dat zij zich daarvan bewust zijn. De heldere en rationele manier (claire et distincte) van omgang met taal, die Calvijn deelt met Descartes, heeft naast veel verlichting ook een aantal delen van de werkelijkheid buiten spel gezet.

 

Een poging om Paul Gerhardt te begrijpen

Paul Gerhardt was als dichter en dominee “dienaar des goddelijken Woords”. Hij was ervan ovrtuigd dat dat Woord uiteindelijk niet in woorden, redeneringen en theologieën kon worden gevangen, maar in Christus Jezus werkelijkheid was, reële, levende en levenscheppende werkelijkheid. Meer dan in welke leer, ervoer hij de realiteit van dat Woord tijdens het Avondmaal. Dan “communiceerde” hij met Christus, werd deel van, nam deel aan zijn leven en dood, naar lichaam en ziel. Niet als een geestelijke oefening in geloofssyllogismen (“Zo waarachtig als dit brood voor uw ogen gebroken wordt, zo waarachtig is Christus voor u gestorven”), maar als een proeven en smaken met de mond van Christus (“mündliche Nießung seines Leibes und Blutes”). Zijn lichamelijk bestaan met al z’n zintuigen was opgenomen in de waarachtige gemeenschap, commmunie, met de Christus. Als ik Gerhardt goed versta, dan is het dit aspect van zijn geloofsleven, dat hem de “status confessionis” opleverde, die wij boven beschreven hebben. Hij vond de calvinisten eigenlijk spiritualisten. En spiritualisme vond hij een niet-christelijke godsdienst. God wil geloofd worden met hart en mond en handen, want het woord van God is vlees geworden en woont nog steeds onder ons.

 

De dichter en de dominee

Een dichter zegt nooit dat iets maar enkelvoudig is. Een dichter ziet en hoort meerdere dingen tegelijk. Een dichter ziet een “visje” (ichthus) op het strand getekend, bedreigd door de golven en ziet tegelijk Christus verzwolgen worden door de zee en nog veel meer… (gedicht “Ichthus” van Ida Gerhardt, geen familie). En dit laatste is niet maar beeldspraak, gebaseerd op het eerste, maar een werkelijkheid die reeds sluimerde in het eerste en er enkele op wachtte om ontsloten te worden. En het medium waarin beide tegelijk bestaan is de taal.

Een zonnebloem (het voorbeeld is ontleend aan J.H. van den Berg) is niet maar een Helianthus annuus, behorende tot de eenjarige composieten, maar is ook een zonnebloem, zoals Van Gogh hem schilderde. In de lijn van Paul Gerhardt zou het niet genoeg zijn om te zeggen dat een zonnebloem ook wel gebruikt kan worden als een symbool van de zon, indien wij dat onderling afspreken, of – laten we royaal wezen – omdat ze een zonnige indruk op ons maakt. Neen: de waarheid van de uitspraak zit – redenerend in de lijn van Paul Gerhardt – in de letterlijke betekenis van het woordje “is”. Ja sterker nog: Van Gogh’s zonnebloemen doen meer recht aan de realiteit van de zonnebloem dan de botanisch beschrijving. Die is correct, maar onwerkelijk en vooral irrelevant.

Brood is niet maar brood dat – bij onderlinge afspraak – verwijst naar Christus, of – laten we royaal wezen – dat door z’n voedzaam karakater en gebroken staat een link legt naar Christus: neen: brood dat gebroken wordt en gedeeld is Christus voor ons, in ons, met ons, reëel, fysiek. Dat dat natuurlijk ook nog gewoon ‘brood’ is, doet er even niet toe.

 

Conclusie

Eens je deze gedachten op je hebt laten inwerken valt op dat de zaak zelf in bijna elk lied van Gerhardt aanwezig is. Hoe concreet is zijn beeldspraak. Hoe fysiek beleeft en belijdt hij zijn geloof in zijn liederen. Ook dat deelt hij met Ph. Nicolai. De natuur komt in zijn gedichten niet alleen maar voor om de Schepper te prijzen. Neen, de natuur komt voor als een fysieke realiteit, die ook als zodanig alreeds vol is van Christus en juist daarom vooruit kan wijzen naar een nog rijker leven. Gezang 425 (“Ga uit o mens en zoek uw vreugd”) viert de lente, het leven, en is dus een paaslied en gezang 214 (“O morgen van verblijden”) viert Pasen en gaat dus over dit mijn lijfelijke leven. Het hart brandt, daar wordt gelachen en gejuicht, daar worden de handen opgeheven, en gaan de voeten op weg, een concreetheid die Gerhardt ongetwijfeld van de psalmen heeft geleerd. Tornen aan de realiteit van het met ziel en lichaam, hart en zintuigen geleefde geloof, was voor Gerhardt niet maar een theologische dwaling, maar kwam voor hem neer op een totale ondermijning van de grond van zijn bestaan, als gelovige, als mens en als dichter (en die drie zijn één). Logisch dat je je dan verzet.

 

Antwerpen, Dick Wursten


[1] Paul Gerhardt. Geh aus mein Herz – Sämtliche deutsche Lieder (uitg. Reinhard Mawick, Leipzig 2006). Het zeer gedétailleerde inleidende essay van prof. dr. Inge Mager heeft de feiten voor dit artikel geleverd.