Deïsme (Gerrit Achterberg)

Up || Code || Deïsme || Onderweg

 

Een gedicht, dat ook binnen kerkelijke kringen grote bekendheid geniet. Zoals in ieder goed gedicht is het niet meteen duidelijk waarover het gaat. Toch spreekt het voor zich - althans als wij even onze mond kunnen houden. Immers, in een gedicht wordt een meervoud aan betekenissen middels de taal ‘verdicht’ tot een geheel. Hierbij krijgen bekende woorden een rijkere/andere betekenis. Poëzie heet dat, een Grieks woord dat o.a. ‘schepping’ betekent. Ik moet wel zeggen dat ik - zoals wel vaker bij Achterberg - vooral gepakt wordt door het begin. De eerste strofe... wat een zeggingskracht!

 

Deïsme

De mens is voor een tijd een plaats van God.
Houdt geen gelijkteken nog iets bijeen,
dan wordt hij afgeschreven op een steen.
De overeenkomst lijkt te lopen tot
deze voleinding, dit abrupte slot.

Want God gaat verder, zwenkend van hem heen
in zijn miljoenen. God is nooit alleen.
Voor gene kwam een ander weer aan bod.

Wij zijn voor hem een vol benzinevat,
dat hij leeg achterlaat. Hij moet het kwijt,
al de afval, met zijn wezen in strijd.

Sinds hij zich van de schepping onderscheidt,
gingen wij dood en liggen langs het pad,

wanneer niet Christus, koopman in oudroest,
ons juist in die conditie vinden moest;
alsof hij met de Vader had gesmoesd.

Uit: Vergeetboek (1961).

 

In deze bundel staan een aantal gedichten die terugverwijzen naar Achterbergs geestelijk milieu (waarover hij bijv. in het gedicht Komaf schrijft dat het te zeer 'verzuurd' is om nog in te kunnen leven). Achterberg komt uit een ‘zwaar hervormd’ nest, zoals dat dan heet. Hij is in 1905 geboren in Neerlangbroek: 'godsdienst hing zwaar tegen de hanebalken’ luidens het gedicht Eben Haëzer. Het hierboven geciteerde gedicht kreeg veel aandacht van kerkelijke zijde toen het in 1953 voor het eerst in Maatstaf werd gepubliceerd. Het was toen overigens nog een heel ander gedicht. Niet enkel het begin, maar ook het einde is totaal herwerkt. Om de verbeteringen te kunnen plaatsen heeft Achterberg zelfs niet geaarzeld om de vorm (een sonnet) op te blazen.

Oorspronkelijke versie van Deïsme (Maatstaf, ook opgenomen in de bloemlezing Voorbij de laatste stad van Paul Rodenko, 1955. Dit boekje werd een bestseller). Alles wat blauw is, heeft Achterberg herzien/herschreven.

 

 

DEÏSME


De mens is voor een tijd een plaats van God.
Als je die som aftrekt van iedereen,
blijft er een kerkhof over met een steen.
waaronder ligt die was gekomen tot

 

deze voleinding, dit abrupte slot.
Maar God gaat verder, strijkt over hem heen
in zijn millioenen. God is nooit alleen,
want hij bestaat uit levensoverschot.

 

Wij zijn voor hem een vol benzinevat,
dat hij leeg achterlaat en zonder spijt.

 

Sedert hij voortbeweegt en zich verspreidt
gingen wij dood en liggen langs het pad.

Als niet de herder Jezus Christus kwam
om ons te vinden als verloren lam.

Wim Hazeu schrijft in de biografie van Achterberg (p. 598) over de verandering van het slot : "A. Marja (= A.Th. Mooij, DW) vond dit beeld (van de herder en het lam, DW) te traditioneel. Achterberg nam zijn suggestie over en maakte het nieuwe slot." Dit is een understatement. Het is niet enkel het slot dat Achterberg aangepast heeft. Hij heeft het hele gedicht herwerkt. Meer blauw dan zwart, zoals u ziet. Het verhaal over de wijziging in dit gedicht gaat terug op ds. J.J. Buskes (in Gedichten die mij vergezellen, 1976), die de anecdote gehoord heeft uit de mond van A. Marja zelf en wel op diens sterfbed (januari 1964). Buskes las Romeinen 14:7-8 voor ("Niemand van ons leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf. Hetzij wij leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heren. Hem behoren we toe") waarop Marja er op stond om dit gedicht voor te lezen uit het net verschenen 'Verzameld Werk', waarbij hij dan onthult hoe hij met Achterberg (overleden 1962) over het slot van dit gedicht heeft gediscussieerd. Veel te traditioneel, cliché. Marja zou dan als alternatief beeld voor Christus de "koopman in oud roest" hebben aangedragen. Dat sluit aan op het 'benzinevat' dat door God na gebruik wordt gedumpt. (Is dat het 'Deïsme' uit de titel). Achterberg volgt het advies op en zet zich aan het werk.

 

Zoals gezegd, vind ik het begin sterker dan het eind. Anders gezegd:
- Supersterke eerste zin (3 regels) waarbij de definitieve versie uit 1961 de originele versie uit Maatstaf verre overtreft. Het 'afgeschreven op een steen' hakt erin.
- Ik volg nog tot aan het einde van de eerste vijf regels.
- Ik haak definitief af bij de wending, de 'volte'. Is die in het origineel nog verteerbaar (de sonnet-vorm bereidt je erop voor), in de lossere definitieve versie begint het gedicht te zwalpen. Het wordt het begin van een 'chute'. "God gaat zwenkend van hem heen..." Tsja.

- In de gewijzigde vorm, d.w.z. met het nieuwe beeld is het cliché (herder/lam) inderdaad weg, en het nieuwe beeld is een vondst (inderdaad 'A. Marja-achtig.') die beter aansluit bij het volle/lege benzinevat. De koopmans-taal wordt een verbindend principe dat ook in het eerste deel al wordt aangekondigd ('afgeschreven'). Maar het is ook niet meer dan dat: Leuk bedacht. Ik weet dat veel mensen (uit calvinistisch middens) lyrisch worden bij 'Christus als koopman in oud roest', en bijna in extase geraken als ze de bijzin lezen 'alsof hij met de vader had gesmoesd' (=predestinatie): ik niet. Sorry.

 

Over de titel: 'deïsme' = een godsdienstig-wijsgerige levensbeschouwing die niet op de openbaring, maar op de rede is gebaseerd en die er van uit gaat, dat God zich sinds de schepping nìet meer met het geschapene bemoeit, maar de dingen aan hun beloop overlaat, waarbij de natuurwetten de loop bepalen. Dit past zeker bij het eerste deel (God die ons 'zonder spijt' achterlaat, dumpt), maar wordt ook weersproken in het tweede deel (Christus die zich ontfermt).