\r\n" ); floatwnd.document.write( WPtext ); floatwnd.document.write( '
Close'); floatwnd.document.write( "" ); floatwnd.document.close(); floatwnd.focus(); } } function WPHide( WPid ) { if( bInlineFloats ) eval( "document.all." + WPid + ".style.visibility = 'hidden'" ); }
 

Ambt herdacht

   

Home
Up
Wat is protestantisme ?
profiel van protestant
Oecumene
Ambt herdacht
1 juli 1523
Max Weber
Wie was Calvijn?
450 jaar geleden
hugenoten
Hagepreken
reformatie vogelvlucht
Luther over de aflaat
die vreemde Luther ?
Zwingli uit de kunst

van papa-priest naar coach2Christ

Het ambt in de gereformeerde traditie

De redactie vroeg mij om naar aanleiding van het proefschrift van Eddy Vanderborght ‘Het ambt her-dacht’ aandacht te schenken aan de gereformeerde traditie Footnote en wel in het bijzonder aan Noordmans. Dat zal ik met de beperkte kennis die ik van die traditie in haar nederlandstalige gestalte heb ook doen, maar voor ik begin lijkt het me verstandig even in te zoemen op de pre-reflexieve ambtsopvatting binnen de gereformeerde traditie.

Men is het namelijke over veel dingen oneens ook wat het ambt betreft, maar enkele dingen staan toch ook buiten kijf (Hongaren, Schotten, Walen, Zwitsers en Fransen moeten op sommige punten even een oogje dicht doen).

1.   Een dominee is geen priester, d.w.z. hij is niet noodzakelijk voor het contact met God. Hij wordt dan ook niet gewijd en ingeordend in het Lichaam van Christus op aarde, de Kerk, maar als dienaar van het Woord bevestigd (en/of ingezegend, al is die term omstreden) met handoplegging en gebed. Daarna wordt hij verbonden aan een plaatselijke gemeente.

2.   In die gemeente zijn nog twee ambten aanwezig die mede-constituerend zijn voor het de kerk: de ambten van ouderling en diaken (ze zijn wezenlijk, horen bij het ‘esse’). De drie ambten zijn functioneel van elkaar te onderscheiden, maar niet in een orde van belangrijkheid ten opzichte van elkaar te stellen; ze zijn niet gelijk, maar wel gelijkwaardig. ‘Geen ambt heerse over een ander’, citeert men Emden foutief Footnote .

3.   Er is ook op bovenplaatselijke niveau geen hoger/lager. Een classis of een synode is geen hoger orgaan dan een kerkeraad, maar slechts een breder orgaan, een meerdere vergadering: d.w.z. meer van hetzelfde (sc. ambt). Er is dus ook geen bovenlocaal ambt. Ook dat is rooms zuurdesem Footnote .

4.   Alle overige taken/diensten in de kerk (van cantor-organist tot kuisman) zijn van een andere orde dan de drie ambten. Zij dragen zeker bij aan het wel-zijn van de kerk (bene esse), maar horen niet tot het ‘esse’. Het zijn functies van gemeente-zijn.

5.   Dat deze ordening van het kerkelijk leven in de bijbel wordt voorgeschreven zal men over het algemeen niet meer durven beweren Footnote , wel zal men vaak stellen dat in deze drievoudige ambtsstructuur het drievoudig ambt van Christus (koning, priester, profeet) wordt recht gedaan, weerspiegeld, gerepresenteerd of gerealiseerd, net hoe zwaar men het wil zien. Daardoor blijft de ordening van de kerk en een zeker geloofsgewicht behouden en valt niet onder de ‘adiaphora’ waar iedereen het zijne mee mag doen.

Eerste ronde: ‘meneer de dominee’


het klopt niet

Ik heb deze 5 punten voorop gezet omdat dit de uiterlijke kenmerken van de gereformeerde traditie zijn (zoals wij die in het Nederlandse taalgebied waarnemen). Pre-reflexief noemde ik ze. Dat is niet erg maar bij velen zijn ze ook hyper-reflexief, d.w.z. beyond questionability en dat is minder mooi. Doorvragen ligt namelijk erg voor de hand, want de (theo-)logische willekeurigheid druipt er van af en vanuit katholiek, oecumenisch perspectief bezien bezitten ze een hoge graad van provincialisme. En dan heb ik het nog niet eens over het feit dat ze door de praktijk van het gereformeerde kerkelijk leven (en beleven) al eeuwen worden gefalsifieerd. Het is immers gewoon niet wáár dat de dominee en de ouderling gelijkwaardig zijn in de praktijk van het kerkelijk leven en beleven (om van de diaken maar nog maar te zwijgen). Waarom wordt anders de één voor het leven aangesteld, met handoplegging en bijna ex-clusieve sacramentsbevoegdheid en de ander maar voor vier jaar zonder handoplegging en zonder sacramentsbevoegdheid (noodsituaties daargelaten, maar die kent Rome ook). Of: waarom mogen predikanten elkaar bevestigen, maar hebben ouderlingen en diakenen een predikant nodig in hun bevestigingsdienst ? Idem wat de bevestiging van nieuwe lidmaten betreft Footnote . Of pastoraal bezien: Waarom is ‘de kerk’ pas geweest als ‘de dominee’ is geweest alle ouderling- en diaken-bezoeken ten spijt.


een ideologie

Als de 5 kenmerken tot een hyper-reflexieve status worden verheven krijgen ze een ideologisch karakter en blokkeren ze de voortgang van het denken. In onze kerken is dit m.i. in hoge mate het geval. Zoals elke ideologie probeert ook deze ideologie de aandacht van de eigen innerlijke zwakte af te leiden door een vijandsbeeld te creëren en de blikken altijd weer daarop te richten, op de fouten en tekortkomingen van andere visies op ambt en kerkorde wil dat dus in ons geval zeggen. Dat de sterkte van de één de zwakte van de ander is en men dus met een spiegelgevecht bezig is, is voor een buitenstaander vaak zeer duidelijk, maar wie binnen een ideologie leeft en dus geïndoctrineerd is, meent dat het gaat om zaken van principieel belang en om onverzoenbare tegenstellingen.

De strijd om kerkorde (en ambt) die in de jaren ’30 van de vorige eeuw opnieuw werd ingezet, is vanwege de ideologische bepaaldheid ervan in Nederland al snel ontaard in een loopgravenoorlog tussen hoog- en laagkerkelijken, waarbij van beide zijden tegenwerpingen van theologische en empirische aard niet meer ècht rustig ‘gewikt en gewogen’ konden worden. Alle argumenten werden altijd ideologisch bijgekleurd, zelfs als ze door bepaalde deelnemers aan het gesprek niet zo bedoeld waren. Wie mèt ons niet is, is tegen ons; òf – òf. Bemiddelaars en bruggenbouwers hebben er tot vandaag de dag een hele kluif aan.


van twee zijden getrokken

Er wordt dan ook constant van twee zijden getrokken aan de gereformeerde ambtsopvatting. Aan de ene kant rijst het machtig gebouw van de sacramentele kerk, waarbij het ambt rechtstreeks op Christus wordt teruggeleid en waar het volk het heil parochiegewijs krijgt aangereikt via de ordelijk gewijde priester. Deze ambtsopvatting ráákt aan het wezen van de gereformeerde leer en wordt dus meestal automatisch afgewezen. Ieder spreken en denken over het ambt dat maar van verre hierop lijkt, wordt met argwaan bekeken. Katholiek denken binnen de gereformeerde kerken was (is?) héél moeilijk, want je zit zo in het ‘andere kamp’ ook als je daar helemaal niet wil zitten. Aan de andere kant zijn er de vrije kerken, met een congregationalistische kerkordening. Hoewel het wel een officiële vijand is, is de gereformeerde ambtstraditie op dit front veel minder alert. Enerzijds omdat het haar eigen kind is en men er heimelijk mee sympathiseert en anderzijds omdat het veel meer aansluit bij het (post- ) moderne levensgevoel. Volgens deze opvatting is de plaatselijke gemeente het lichaam van Christus waarin Hij met zijn geest aanwezig is in de vele charismata. Een goede organisatie van deze charismata (talent-scouting) in een bijbels jasje en je organigram van de ambten is klaar.


een laatste grootse poging: Van Ruler

Ik kan nu niet ingaan op de détails van 70 jaar strijd om kerkorde en ambt, maar wil alleen nog wel aanstippen, dat in de periode Van Ruler / Noordmans (pakweg de jaren 1930 – 1970) er nog heel duidelijk op beide fronten werd gevochten en zeker Van Ruler op virtuoze wijze tot in de jaren ’60 is blijven betogen dat de gereformeerde traditie echt een ‘derde weg’ biedt, die op hegeliaans-paulinische wijze veel hoger voert dan beide anderen. Een zekere fixatie op de vraag of het ambt Christus representeerde (Het ‘tegenover’ noemde men dat toen vaak) of de gemeente, of dat het toch nog veel ingewikkelder zat (en dat zat het natuurlijk) is achteraf gezien opvallend Footnote . Van Ruler kende de materie, signaleerde feilloos de aporieën en loste ze met zijn geweldige denkkracht bijna spelenderwijs op, maar wees halfweg de jaren ’60 blijkbaar geen reëel begaanbare weg (meer?). Hij heeft – wat mij betreft – het luchtgevecht met glans gewonnen, maar de grondtroepen lagen onderwijl amechtig op het veld, of verschansten zich meer en meer in hun loopgraven.

 

nivellering en functionalisering van de ambten

Daarna kiest men in de discussie over de ambten vaak resoluut de weg van de nivellering, bij voorkeur naar onderen. De ‘dominocratie’ moet worden doorbroken ! Men heeft – geheel in de geest van de moderne tijd – een voorkeur voor platte efficiënt ogende organisatiemodellen Footnote . Alles wat boven het maaiveld uitsteekt moet worden ‘gelijkgeschakeld’. De grootste vereiste voor een praktisch theoloog hedentendage lijkt niet zozeer theologisch inzicht maar organisatiedeskundigheid. Dit leidt tot een functionalistische en pragmatische aanpak van de ambtsvraag. Dat wil zeggen: De ambtsvraag wordt herleid tot de vraag naar de organisatie van het gemeenteleven, waarbij de ‘gemeente’ wordt beschouwd als een ‘organisatie’ een ‘vereniging’, wat zij sociologisch gezien natuurlijk ook is. Zo wordt ambt een functie van en binnen de gemeente en de definitie van ‘wat gemeente is’ bepaalt welke functies/ambten er moeten zijn. Praktische theologen met een dunne ecclesiologie leveren zeer gestroomlijnde modellen voor gemeente-opbouw af, die juist daarom soms erg weinig om het lijf hebben Footnote .

Tegenwoordig wordt in liturgische kringen ook wel eens een pleidooi gehouden voor een nivellering naar boven. Niet de dominee moet van zijn hoge zetel af, neen: de ouderling en de diaken moeten worden opgewaardeerd door ze bijv. met handoplegging en gebed in te zegenen in het ambt (voor even of voor het leven?). Naar mijn gevoel komt het in de praktijk op hetzelfde neer, alleen ziet het er dan wat mooier uit.


anything goes...

Nivellering naar boven, nivellering naar onderen. Puur functioneel of juist hoogkerkelijk, wie zal het zeggen. De postmoderne tijd eist haar tol. A. van de Beek probeert het positief te zien (tenminste in 1985) door in een artikel n.a.v. het Lima-rapport onder het hoofdje Ambt als functie van de gemeente vrolijk te schrijven: “Men zou zelfs een stap verder kunnen gaan en zeggen: de aard van het ambt maakt niets uit. Het mag hiërarchisch, het mag presbyteraal, het mag communaal gestructureerd zijn; de structuur maakt niet uit, als het maar functioneel is voor de opbouw van het lichaam van Christus. Met andere woorden: de ambtelijke structuur is puur pragmatisch. Zij is geen heilig moeten, geen nota ecclesiae, geen kenmerk van het ware kerkzijn, maar slechts een manier waarop men het leven der kerk vorm kan geven. [...] het geeft ook het meest weer waarom het in de de christelijke kerk gaat: niet om het ambt, zelfs niet om de gemeente, maar om het koninkrijk, om de belijdenis: ‘Christus is Heer’.” Footnote


...maar niets werkt.

Het zijn allemaal pogingen om uit een impasse te geraken, maar bij al deze modellen blijft er een gevoel van onvrede hangen, het klopt niet. De crisis is te groot, en niet alleen onder predikanten, maar ook onder de andere ambtsdragers. Onduidelijkheid over hun functie en over de grenzen van hun roeping (voor even of voor het leven) overheerst en maakt allen onzeker en zal ook wel iets met de vele verhalen over ‘burnt-out’ te maken hebben.

Naar mijn aanvoelen zijn veel artikelen over het ambt en kerkelijke beslissingen hieromtrent eerder uitingen van een theologische machteloosheid met het oog op het ambt, dan richtinggevende gedachten of beslissingen; meer symptomen van een dieperliggende aporie dan uitwegen daaruit. Sterker nog: soms hebben stellingnames rond het ambt zelfs alle trekken van een Freudiaans proces van ontkenning en verdringing, want wat is de roep die men niet wil (of kan of mag) horen, mijns inziens deze: Ook de protestantse gelovige roept na 4½ eeuw reformatie nog steeds om een priester.


En toch wil ik een een papa-priest !

Men zegt het niet zo (want dat is verboden), maar men voelt het wel zo: Als de ouderling al geweest is bij een stervende is dat niet genoeg: ‘Dominee moet komen’. Een ouderling die avondmaal bedient, tsja, toch liever een dominee en dat ècht niet alleen in verband met de kerkordelijke correctheid. Ambt en sacramentsbediening: ze moeten gekoppeld blijven Footnote . Het ambt heeft iets met het sacrament, het is blijkbaar minstens (para-)sacramenteel.

En hoe priesterlijk is de domineesrol, zowel in liturgicis als in het pastoraat. En als je het dan niet bent, hoe speel je dan die rol ?

Ik bedoel dit: Hoe democratisch men ook georganiseerd is en hoezeer men ook hecht aan inspraak en werkt met commissies, toch dragen dominees steeds vaker liturgische gewaden, zijn avondmaalstafels als Gods altaren bekleed en hangen antependia van de preekstoel. Kleren maken de man; kleding maakt de priester in de dominee zichtbaar en kerkbekleding verraadt de zelfbeleving van een gemeenschap. En hoe vol men de mond ook heeft met begrippen uit de woordgroep rond ‘zelf-ontplooiing en autonomie’, een dominee die zich als een herder ontfermt over zijn schapen en met ‘vaderlijke hand’ zijn gemeente bestuurt, krijgt nog steeds vele beroepen: de papa-priest.

Ik oordeel niet, ik stel alleen maar vast, dat ondanks alle nivellering, postmoderne afplatting in denken en organisatie de roep om in de kerk en in het persoonlijk leven bediend te worden door een mens die God in persona vertegenwoordigt blijft klinken.


Mijn voorstel is om deze vraag nou eindelijk eens voluit serieus te nemen in de protestantse discussie over het ambt en die niet op voorhand te discrediteren vanuit onze protestantse ideologie. De vraag serieus nemen betekent grondig beluisteren. Wat vraagt men nu precies ? Welke behoefte zit hier achter, welk verlangen spreekt hier uit. En pas dan, maar dan ook voluit, op zoek gaan naar antwoord op deze vraag. Behoeften hoeven niet per se bevredigd te worden, maar kunnen enkel genegeerd worden op straffe van levens-onechtheid.

 

Tweede ronde: de ‘pion van de ouderling’

Voor we deze vraag bij de kop pakken laat ik twee kerkvaders aan het woord, Calvijn en Noordmans, die vooral geassocieerd worden met de ‘ouderling’. Toch is er een direkt verband met de ‘roep om de papa-priest’. Calvijn probeert namelijk het ambt te definiëren precies tegen deze achtergrond: Wat is ‘het ambt’ als het niet meer een priesterambt is, dat zijn legitimatie ontleend aan een kerk die Christus’ presentie op aarde voortzet, dat is de vraag waar Calvijn zich voor gesteld weet.

En volgens Noordmans heeft Calvijn de de pion van de ouderling op het schaakveld gezet en stond de paus tot zijn eigen verbazing plots schaakmat. Op de precieze betekenis van de uitspraak van Noordmans kom ik straks terug, maar de suggestie is duidelijk: De ‘ouderling’ is de geniale greep van Calvijn. Vanuit roomse optiek is hij een leek: een man van het volk, een niet gewijde, bij wijze van spreken de ‘slager op de hoek’. En deze ‘leek’ wordt betrokken in het opzicht en de tucht over de gemeente. Wij zouden zeggen: bij bestuur en beleid. Dat is de schriftuurlijke correctie die Calvijn zou hebben aangebracht op de sterk uitgebouwde en met de politiek vergroeide roomse kerkordening, waarbij de bisschop meer een wereldlijk kerkvorst was met een heel ambtenarencorps om zich heen (de clerus), dan de gezagrijk prediker, theoloog en pastor, die hij in de oude kerk was (denk aan de bisschop van Hippo, Augustinus).


‘ouderling’ is een hulpambt (Calvijn)

Toch bedriegt de schijn. Calvijn ‘waarnemen’ vanuit de 20ste eeuw is een riskante zaak. Je leest de Wirkungsgeschichte in in de historische figuur. En als die figuur dan ook nog als autoriteit functioneert binnen bijna alle eigentijdse redeneringen omtrent kerkorde dan kan het haast niet anders of de perceptie wordt vertekend door eigenbelang (bewust of onbewust).

In deel II van de studie van Vdb wordt haarfijn uit de doeken gedaan, zowel wat Calvijn toen heeft bewogen – voorzover wij nog in zijn hart en in zijn hoofd kunnen kijken – als hoe ‘Calvijn’ als inaugurator en legitimator van een concrete traditie is gaan functioneren. De heel respectvolle, maar tegelijk grondige deconstructie van het (Hollandse) Calvijnbeeld is een must voor iedere ‘calvinist’. Hier wil ik slechts één opvallend resultaat met u delen. Voor de rest geldt: tolle et ipse lege.

Het meest saillante punt van Vdb’s onderzoek naar de ‘historische Calvijn’ blijkt samen te hangen met het ouderlingenambt. Bij nauwkeurige lezing van de Institutie speelt dit ambt bij Calvijn een veel beperktere rol dan over het algemeen wordt aangenomen De term ‘senior’ (Latijn) of ‘ancien’ (Frans) komt in de Institutie slechts net iets meer dan tien keer voor. Zijn taak is de ‘predikant’ te helpen bij de uiteoefening van de tucht. Met de leer of met de liturgie heeft hij niets te maken. In de meeste vertalingen is deze beperkte betekenis van het seniorenambt verdonkeremaand omdat men zowel verwijzingen naar de vroegkerkelijke presbyters als naar de 16de eeuwse tuchttoezichthouder (= het eigenlijke seniorenambt van Calvijn) met termen uit de woordgroep rond ‘ouderling’ weergeeft (alzo Sizoo), terwijl de vroegkerkelijke presbyters veel meer op onze ‘predikanten’ leken dan op onze ‘ouderlingen’. Van gelijkwaardigheid van de ambten is bij Calvijn ook helemaal geen sprake. Calvijn was een aristocraat en de hele samenleving was geordend in ‘hoger-lager’. Om in de ‘consistoire’ van het theocratische Genève een prototype van de moderne kerkeraad te zien is pure retro-jectie. Wel is het zo, dat via de roeping door de gemeente ‘God’ zelf roept tot het ambt, waarmee er een communaal aspect in de ambtsvraag is aangebracht. Toch groeit het ouderlingenambt in de Institutie niet uit boven de status van hulpambt. Loopjongens zijn het van de ‘Vénérable Compagnie des Pasteurs’. Zelfs hun kerkelijk ambtelijke status is onduidelijk Footnote .


Calvijn is niet gereformeerd

Ik stel vast: Als Calvijn het offerpriesterschap afwijst, schuift hij ter vervanging niet drie, maar duidelijk één figuur naar voren, die notabene een noodzakelijke rol in de bemiddeling van het heil vervult: de dienaar des Woords. Hij is de ambtsdrager bij uitstek. Alleen voor hem is er een ordinatieritus voorzien. De overige ‘ambten’ hebben niet dit gewicht. Iets anders is dat bij de praktische doorwerking en uitwerking van ‘het heil’ in het ‘leven’ deze predikanten worden bijgestaan door andere ambtsdragers (die ‘een ander ambt’ hebben) en die vooral praktisch werk leveren. Twee functies vallen op: tuchttoezichters en armenverzorgers (ouderlingen en diakenen), maar er is ruimte voor functionele improvisatie. De instelling van het aparte ambt van ‘doctores’ verantwoordt Calvijn met de heel pragmatische uitspraak dat hij dat nuttig achtte “selon que les choses sont aujourdhuy disposées” Footnote .

Dit genuanceerde Calvijnbeeld maakt duidelijk, dat Calvijn niet aan de 5 kenmerken van gereformeerdheid voldoet. Ook is duidelijk dat hij eigenlijk heel dicht aansluit bij de ambtsordening zoals je die voor en buiten de gereformeerde traditie aantreft. Altijd is er ook één ambt dat doorweegt op alle eventuele andere ambten en functies. Tenslotte blijkt de getrapte waarneming en beleving van het ambt van de doorsnee gereformeerde christen zeer calvijns.

Maar Noordmans heeft toch gezegd dat het de ouderling was die Calvijn als pion heeft uitgespeeld op ambtelijk schaakbord en dat hij daarméé de paus schaakmat heeft gezet. Hoe zit dat dan ? Tijd dus om ons aan deze kerkvader te wijden om daarna alle gedachten te verzamelen om een eigentijds antwoord te geven op de blijvende roep naar een ‘papa-priest’.


een schaakspel met pion èn bisschop (Noordmans)

Noordmans heeft zich twee keer intensief met de vragen rond ambt en kerkorde bezig gehouden. De eerste maal in de jaren ’30 in de strijd om de hervorming van de kerk. Deze artikelen zijn verzameld in VW 5. Gedeeltelijk met teruggrijpen op de daar ontwikkelde gedachten publiceert hij na de oorlog zijn ‘hervormde overpeinzingen’ in het laatste gedeelte van de meditatiebundel ‘Gestalte en Geest’ Footnote . Onderwijl blijkt het front veranderd en komt Noordmans met dezelfde redeneringen de tweede keer ergens anders uit dan de eerste keer. Deze ontwikkeling is een aparte studie waard, maar in het kader van dit artikel kan ik daar niet uitgebreid op ingaan. In de jaren ’30 is de strijd om de hervorming van de kerk en de ambten in volle gang. Noordmans probeert bruggen te bouwen en oude hervormde tegenstellingen te overwinnen. Zijn rol in de verzoening tussen de bewegingen ‘Kerkopbouw’ en ‘Kerkherstel’ is bekend Footnote .


de bisschop de ruimte geven

Interessante momenten voor ons onderwerp zijn het wanneer Noordmans komt te spreken over de bisschoppelijk geest en over de ouderling van Calvijn. In de jaren ’30 breekt hij een lans voor meer bisschoppelijk geest in de gereformeerde kerkorde. Onbevangen en vrijmoedig tast Noordmans de bisschopsfunctie af, zoals hij die in de Anglicaanse kerk ziet functioneren, bijv. in de door Noordmans wel vaker naar voren geschoven F.D. Maurice, “deze breed-episcopale Engelse predikant, die de dragende en dienende geest van een bisschop bezat, zonder de naam en zonder een zweem van machtsbegeerte.” Footnote Hij vervolgt dan met te stellen, dat het “mogelijk [moet] zijn op de stam van het ‘klassiek-gereformeerde leven’ iets van dit hout te enten” Noordmans ziet vooral winst in het feit dat zo het opzicht en de tucht in de kerk een persoonlijk in plaats van een burokratisch karakter krijgen. Hij schrijft: “Ook moet op die wijze voorkomen worden dat, waar het opzicht overgaat in tucht, aan de zijde der kerk het verantwoordelijkheidsgevoel zich over te vele personen verdeelt. In iedere tuchtzaak behoort iets te zijn van een smartelijke persoonlijke breuk. Anders wordt het een civiele strafzaak. Aan dit waarachtig bisschoppelijke, dat tot de wezenstrekken van een ware kerk behoort, heeft de gereformeerde kerk bij haar behandelinge van tuchtzaken in hogere instanties een tekort en dit zal ook wel mede de reden zijn waarom haar geschiedenis op dit punt zo weinig inhoudrijk en verkwikkelijk is. [...] Buiten de plaatselijke gemeente wordt een zaak al spoedig een zuiver formeel rechtsgeding. [...] daarmee zou in het gereformeerde kerkelijk leven een kostelijk stuk kerkregering zijn ingevoegd. Geen Marinussen maar Augustinussen hebben we nodig.” Ja, u hoort het goed. Noordmans schrijft unverfroren dat dit waarachtig bisschoppelijke tot de wezenstrekken van een ware kerk behoort.


en tegelijk de ouderling uitspelen

Het lijkt wel alsof Noordmans in 1932 in zijn kerkelijk schaakspel eerder gokt op de geest van de bisschop dan op de pion van de ouderling. Hoe zit dat ? Welnu, Noordmans ziet de ouderling inderdaad een centrale plaats innemen in de kerkordening, maar niet tégen de bisschop maar mèt de bisschop (die volgens Noordmans geestelijke banden onderhoudt met de predikant). Samen vervullen zij de ‘taak’ die de kerk heeft in deze wereld. In zijn Stellingen over Kerkorde (1935) Footnote behorend bij een ‘Inleiding voor een vergadering van Kerkopbouw’ brengt Noordmans dit heel kernachtig onder woorden:

“De kerk heeft tweeërlei taak: prediking en ordening van het leven met het oog op de eeuwigheid. Uit deze beide bestaat de ware katholiciteit. De gereformeerden hebben dat beter verstaan dan de luthersen.”

De prediking, (de dienst des Woords) is het ene Lutherse ambt. Noordmans waardeert bij Luther dat hij dit ambt centraal heeft durven stellen èn dat hij het ambt naar buiten heeft gekeerd. Dat wil zeggen: In de Romana zijn volgens Noordmans de ambten binnenkerkelijk en staan op elkaar gericht. Het priesterambt is daar het centrale ambt en de rest van de clerus is daaromheen geschaard en wordt daarrond geordend. De dienst des Woords is echter een publiek ambt. Het is er volgens Luther niet voor de christen, maar voor de ‘Turk’ (excusez le mot). Daarmee is heel de kerk en ambtsleer in missionair perspectief gesteld. Daarachter wil Noordmans niet meer terug.

In Calvijn waardeert Noordmans dan in het bijzonder dat hij daarin nog een stap verder is gegaan. En daar komt dan de ouderling op de proppen. De tweede taak van de kerk is immers de ordening van het leven met het oog op de eeuwigheid, wij zouden zeggen: met het oog op het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid. Het gewone leven (huis, beroep, stad, natuur) moet op het evangelie betrokken worden. In deze taak komt de ouderling de predikant te hulp. De meesterzet van Calvijn is dus dat hij het gewone leven weer direkt bij de kerk betrokken heeft en daarmee de kerk van van cultische gemeenschap heeft omgevormd naar een ethische leefgemenschap. Daar had de paus met al zijn ceremoniën en bisschoppelijk macht niet van terug Footnote .

Noordmans spreuk omtrent de ‘pion van de ouderling’ is hier inhoudelijk volledig aanwezig, maar zij valt bij mijn weten voor het eerst in de discussie met prof. A.M. Brouwer over Kerkorde en beroep op de Schrift (1937) Footnote . Noordmans houdt in deze discussie staande dat je ‘ambten’ niet puur pragmatisch of functioneel mag invoeren of afschaffen. Je kunt wel nieuwe taken en diensten ontdekken, maar je mag die niet à l’improviste tot ambten omvormen. “Er moet een hogere noodzaak achter schuilen. Een ambt is een kerkelijke vorm, uit de bijbel afgeleid, waarin iets van de macht der schepping ligt. Toen Calvijn op het bord de pion van de ouderling trok, zette hij daarmee de paus schaakmat (curs. DW)” Footnote .


een zeer fijn en tactisch spel

Noordmans schept taal als hij schrijft. Zo ook nu. In het gesprek met Brouwer worden ambten ‘wereldhistorische vormen’. Daarvan zijn er niet zo veel zijn en die kunnen ook niet zuiver pragmatisch of rationeel verstaan worden. Hij heeft het over ‘mystische verbanden’ in de Schrift, die altijd samenhangen met de ‘belijdenis van de Una Sancta’, d.w.z. met het geloof dat de Kerk uiteindelijk één is en ‘van alle tijden en plaatsen’. Daarom kunnen ook oudkerkelijke vormen (en oecumenische argumenten) een zekere geldigheid hebben, niet omdat ze oud of wijdverbreid zijn, maar omdat ze gedrenkt zijn in waarheid.

Maar alles welbeschouwd komt het er op neer, dat Noordmans probeert aan te tonen, dat er in zaken van kerkordening en ambt eigenlijk niets kan zijn, dat er al niet eerder was, tenzij in een hoogstuitzonderlijke tijdsgewricht, op een ‘wereldhistorisch kruispunt’ (waarop Calvijn stond, maar zelfs dan!) . Daarom is het zaak om het oude altijd weer opnieuw te bestuderen en te zien of je de oude vormen via de bekende Noordmansiaanse denksjablonen van ‘gestalte en geest’ niet kunt openbreken tot de ‘mening des Geestes’ weer opnieuw duidelijk wordt.

Zo is de protestantse predikant geen noviteit in de kerkgeschiedenis is, maar eigenlijk altijd voluit actief geweest in de oude kerk in de ‘lerende’ presbyter en ‘prekende’ bisschop. Tijdelijk kan die ‘vorm’ onderduiken omdat bijv. de bisschop zijn ambt en plicht verzaakt, maar dan zul je zien dat er nieuwe gestalten gevormd worden waarin de geest datzelfde dienstwerk voortzet (Zo bijv. in de predikende bedelmonniken van de late Middeleeuwen). Voor de ouderling probeert Noordmans hetzelfde te bewijzen Footnote .

Brouwers voorstel om ‘functioneel’ te denken en in de nieuwe kerkorde bijv. ook het ambt van doctor (kerkelijk hoogleraar) of van zendeling in te voeren heeft volgens Noordmans dus niet dezelfde dwingende kracht als de instelling van het ouderlingambt indertijd bij Calvijn had, want de figuur van de gereformeerde ouderling ‘moest’ wel gevonden worden, zo waarachtig als de Geest de kerk bestuurt. Anders had Calvijn met hem ook nooit de paus schaakmat kunnen zetten. Dat Noordmans het dan niet heeft over de ouderling, zoals (hij en wij) die vandaag kennen, moet wel onderlijnd worden. Noordmans heeft een hekel aan de ouderling die sinds het convent van Wesel en de synode van Emden de dominee controleert op rechtzinnigheid (zoals ouderling ‘Marinus’ bij Geelkerken, z.b.). Deze ouderling is volgens Noordmans een vertekening van de origineel gereformeerde. Het is een ouderling die zijn wereldhistorische plaats heeft verlaten Footnote . De èchte gereformeerde ouderling staat de dienaar des Woords bij door hem te helpen de hele levenswerkelijkheid van de mens onder het beslag van de prediking van het evangelie te brengen.


stroomopwaarts èn stroomafwaarts

Eigenlijk had Noordmans het allemaal in 1932 al gezegd, toen hij zei dat de gereformeerde kerkorde zich zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts moest ontwikkelen, c.q. corrigeren. Met stroomopwaarts bedoelde hij in de richting van de brede bisschoppelijk geest die het predikambt moet doordringen (het apostolisch christendom doet een appèl op de de gereformeerde theoloog, de bisschop op de predikant). Met stroomafwaarts bedoelt hij dat de ouderling zijn wereldhistorische positie opnieuw moet innemen, nl. niet als controleur van de prediker, maar als diegene die zorgt dat iedere gelovige ‘zijn priesterambt’ zèlf getrouw opneemt. (De Quakers kloppen op de gereformeerde poort). In één zin vat hij deze spannende gedachtengang samen: “De ene hand grijpt naar Christus, de ‘Herder en Opziener (onzer) zielen (1Petr 2:25). De andere naar de zondaren, de ware leken. Beide malen wordt de grens lang niet bereikt.” Footnote


schaakmat of pat

Nog een kort woord over Noordmans tweede ronde over het ambt. In 1952 herhaalt hij het hele dicours over de wereldhistorische figuur van de gereformeerde ouderling, maar nu lijkt hij zich te verzetten tegen een ‘episcopale correctie’ van de gereformeerde ambtsopvatting. De verklaring hiervoor is volgens mij te vinden in het feit dat in de tussentijd Noordmans zijn privé-oorlog met de katholiserende liturgische beweging heeft uitgevochten. De hervormd-episcopale stroming pleitte in de jaren ’50 voor de invoering van ‘bisschoppelijke elementen’ in de Hervormde Kerkorde. Scherper dan in de jaren ’30 verzet Noordmans zich nu tegen elke correctie ‘stroomopwaarts’, waarbij hij in deze discussie met een extra probleem zat, doordat zijn opponent de discussie tussen Brouwer en Noordmans zéér slordig, om niet te zeggen, gewoon verkeerd weergaf Footnote , zodat zijn eigen argumenten nu tégen hem werden gebruikt. Noordmans kon de humor daarvan blijkbaar niet inzien en heeft zich (net als in de discussie rond Liturgie) in zijn eigen gelijk verschanst. Hij trekt zich echter tegelijk terug op de positie van de ‘presbyter’, met afwijzing van de bisschop, daarmee zijn eigen dialektisch denken dodend. Ook de Anglicaanse kerk kan geen goed meer doen. Integendeel . Footnote

En als iemand van het kaliber van Noordmans zich verschanst, dan zit de zaak goed vast. Zelfs een commissie onder Van Ruler en een studierapport van Berkhof krijgen de ambtsgedachte dan niet zomaar weer in beweging. Een nieuwe aanzet is nodig. Vdb’s proefschrift bezit alle kwaliteiten die hiervoor nodig zijn, omdat hij het hele slagveld overziet.

 

Derde ronde: van papa-priest naar coach2Christ

geen nivellering, maar differentiëring

Ookal lijkt het misschien wel zo, toch voel ik helemaal geen behoefte om 4 ½ eeuw gereformeerd kerkelijk leven en denken af te schrijven als een fiasco. Wel zou ik (in het voetspoor van VdB) willen pleiten voor het doorknippen van het ‘heilige snoer’ van het drievoudig ambt. Ook zou ik (eveneens in het voetspoor van VdB) de uitweg niet zoeken in nivellering (naar boven of naar onderen is lood om oud ijzer), maar resoluut willen kiezen voor een diferentiëring in ambtelijke taken en een duidelijke omschrijving van verschillende ambtelijke niveaus. Dit heeft naar mijn aanvoelen vooral volgende consequenties.

1.   Met de wereldwijde kerk belijd ik, dat de kerk maar één bestaansgrond heeft, nl. dat God zich in Christus met deze wereld bezig houdt. Binnen die wereldwijde kerk onderscheidt de protestantse traditie zich door te zeggen, dat Hij dat met name doet door het Woord. Wij bewijzen Christus een dienst als wij het het Woord dienen: Dat is ons aller taak. Om deze taak in het bijzonder te vervullen kan ik me dus gemakkelijk een bijzonder ambt voorstellen, nl . dat van dienaar des Woords. U merkt het, we zijn terug bij Luther.

2.   Dat deze taak niet puur zakelijk vervuld en pragmatisch georganiseerd kan worden ligt aan de aard der zaak. Christus stichtte geen vereniging, waar je je op vrijwillige basis tegen betaling bij aansluit om je religieuze behoeften vakkundig te laten bevredigen. Christus proclameerde het Koninkrijk en toen kwam de Kerk. In de spanning tussen die beide polen moet de dienst aan het Woord plaatsvinden door die spanning elke keer weer op te roepen. Met mìnder dan een persoonlijk op zich genomen ‘engagement’ zal het wel niet gaan, wat overigens niet weg neemt dat deze taak functioneel kan worden ingevuld en collegiaal (in teamverband) moet worden uitgeoefend. Een bisschoppelijke geest (al dan niet in een aparte persoon, maar het is hetzelfde ambt) in de zin zoals Noordmans die in 1932 beschreef is wat mij betreft een méér dan welkome aanvulling. Hij geeft in persona de Una Sancta gestalte en schept zodoende wereldwijd perspectief en ademruimte voor dienaar en gemeente Footnote .

3.   Met de gereformeerde traditie zou ik tegelijk een pleidooi willen houden voor het college van de kerkeraad, als de vergadering waarin de ‘dienaar des Woords’ met de ‘gekozenen der gemeente’ probeert het leven onder het Woord in en buiten de kerkgemeenschap gestalte te geven. Ik formuleer het doel van dit college bewust functioneel. Dit college garandeert tegelijk de betrokkenheid van de gemeente op de bediening van het evangelie en geeft een communaal aspect aan de uitoefening van het ambt. De kerkeraadsleden Footnote trekken de krijtlijnen (pionierend en de gemeenteleden stimulerend) om het leven in al z’n verbanden in verbinding te brengen met het evangelie. Het zijn hulp-ambten, maar even noodzakelijk voor de bediening van het Woord, als een concreet lichaam is voor een ziel Footnote . Hier krijgt het evangelie ‘handen en voeten’. Of de functies van deze kerkeraadsleden beperkt moeten blijven tot de klassieke ‘ouderlingen en diakenen’ is een kwestie van inschatting van de roeping van de kerk en van beoordeling van het huidige functioneren van dit college. Hier moet vooral niet ‘angstig’ worden gedaan. Noordmans ervaar ik hier als verkrampt.


en de papa-priest dan ?

Moet die dienaar des Woords nu ook een priester zijn. Ik denk het juìst niet. Hier luistert alles heel nauw. De roep om een papa-priest heeft alles te maken met de oermenselijke behoefte om verlost worden van schuld, zonde, dood en angst, van oudsher de gangmakers van elke religie. Géén mens kan een ander mens hiervan verlossen, zegt de gereformeerde traditie eenstemmig (en eigenlijk knikt de hele katholieke kerk dan mee). Toch hoeft hij er niet onder gebukt te gaan, want Christus heeft zich al deze zaken aangetrokken. Hij is de Pastor en Episkopos in eigenlijke zin (en nog steeds zeggen alle kerken ‘amen’). Enkel in de ‘wijze waarop en de mate waarin’ een ‘mensje uit het stof verrezen’ Footnote hierin betrokken wordt, gaan de wegen uiteen.

Naar mijn aanvoelen wordt hier gauw te veel gezegd. In zoverre wij – als dienaren des Woords – in staat zijn naar Hem te verwijzen, doen wij aan pastoraat en oefenen wij heilzaam opzicht, zijn wij herders en opzieners in afgeleide zin. Het grootste gevaar is hier om op Christus’ plaats te gaan staan. We moeten zowel in liturgie als in pastoraat het ‘lege midden’ blijven respecteren.

Met een correcte ambtshouding zal de ambtsdrager altijd van zichzelf afwijzen, terwijl hij zich toch persoonlijk engageert. Hierin ligt het eigene van het ‘beroep’ van predikant en is het ook anders dan alle andere beroepen. Het is sociologisch in ons verzakelijkte leven nergens goed onder te brengen. Het is een ‘ambt’. Zo opgenomen heeft de uitoefening van het ambt een toerustend en prikkelend effect op het ‘priesterschap’ van alle gelovigen. Het ontslaat de gemeente niet van haar roeping om zelf een ‘heilig priesterschap’ te zijn, maar bepaalt haar daar juist zeer nadrukkelijk bij. De ene bedelaar wijst de andere bedelaar waar brood te krijgen is, meer is het ècht niet.

In de roep om een ‘papa-priest’ hoor ik de onvolwassene die van z’n problemen af wil door ze op iemand anders te schuiven. Niet het roomse zuurdesem is in deze roep het grote gevaar, maar het verborgen verlangen om van de eigen verantwoordelijkheid af te kunnen komen middels een plaatsvervanger in de Sölliaanse zin zal ik maar zeggen. Deze ondertoon in de roep om een papa-priest moet in het antwoord weersproken worden, hoewel de vrije markt van vraag en aanbod het heel verleidelijk maakt om hier op in te gaan. Rent-a-Priest is om meer dan één reden een succes. Religieuze behoeftebevrediging is echter niet wat ik in het evangelie als opdracht heb gehoord. De spanning is er dan uit.


een coach2Christ

Toch mag je die roep niet negeren, zoals de Hollandse gereformeerde traditie, op papier tenminste, eeuwenlang heeft gedaan. Als wij weigeren om de behoefte aan een papa-priest direkt te bevredigen, dan hebben we de taak om aan te tonen, dat de niet-bevrediging van de behoefte ook een antwoord is, en zelfs het begin van bevrijding kan zijn. Dat kan bijv. door in de roep om een papa-priest niet alleen angst te horen, maar ook een diep verlangen te verstaan. Op een averechtse wijze komt dit tot uiting in de roep om een papa-priest. Ik hoor in die roep namelijk ook het verlangen om ‘leiding’ te ontvangen van Godswege zodat men zijn leven aankan, inclusief zonde, schuld, angst en dood. En dàt is een volwassen vraag, die ook onder de juiste spanning staat. En daarop ingaan levert een faire verhouding op tussen de hiervoor (al dan niet tijdelijk) apartgestelde ambtsdrager en het ‘gewone’ gemeentelid en de ‘Dritte im Bunde’. De predikant kan dan voluit ‘dienaar des Woords’ zijn door te proberen een ‘life-coach’ in de richting van Christus te zijn, van wie al de Schriften (Lukas 24: 27) getuigen.

Laat hij/zij samen met zijn collega’s zoeken naar adequate vertolkingen van de Schrift. En bij de concrete uitvoering van zijn taak, de ‘waarheidsverwerkelijking’ (om het eens met een woord van H. Jonker te zeggen), worde hij bijgestaan door een team van (leke-)ambtsdragers die helpen bij het concreet vertalen van het ‘in het woord gehoorde’ naar de binnen- en buitenkerkelijke praktijk, tot ‘heil van de naaste en tot opbouw van het koninkrijk’.

 

Antwerpen, Dick Wursten


 

 

This site was last updated
 November, 2018