Nijhoff - het licht

   

Home
Up
J.W. Schulte Nordholt
Toon Tellegen
Gerrit Achterberg
Paul Gerhardt
Petrarca
T.S. Eliot
Wallace Stevens
Herbert's Temple
Ida Gerhardt
Nijhoff - het licht
Victor Hugo
Charles Péguy
Franz Kafka
Revius
sprokkels

HET LICHT

 

Het licht, Gods witte licht, breekt zich in kleuren:

Kleuren zijn daden van het licht dat breekt.

Het leven breekt zich in het bont gebeuren,

En mijn ziel breekt zich als ze woorden spreekt.

 

Slechts die zich sterven laat, kan ’t leven beuren:

O zie mijn bloed dat langs de spijkers leekt !

Mijn raam is open, open zijn mijn deuren –

Hier is mijn hart, hier is mijn lichaam: breekt !

 

De grond is zacht van lente. Door de bomen

Weeft zich een waas van groen, en mensen komen

Wandelen langs de vijvers in het gras –

 

Naakt aan een paal geslagen door de koorden,

Ziel, die zichzelve brak in liefde en woorden:

Dit zijn de daden waar ik mens voor was.

 

            uit: Martinus Nijhoff, De wandelaar (1916)

 

Tijdens een vroege ‘voorjaarsschoonmaak’ van mijn buro trof ik bovenstaand gedicht aan van de nog zeer jonge Martinus Nijhoff (geb. 1894). Ik las het en vroeg mij af : waar gaat het nou eigenlijk over ? Over God of over Nijhoffs dichterschap ? over Jezus’ kruisdood of over de angst van Nijhoff voor het leven ? En wat doet die lente daar en die vijvers ?

Genoeg prikkels om opnieuw te lezen dus. Enige dagen later – want zo gaat dat als je een echt gedicht leest (of een gedicht ècht leest) – heb ik voor mezelf besloten dat het sonnet zeer geschikt is voor de tijd voor Pasen. Als u door deze inleiding nog niet afgechrikt bent, nodig ik u uit met mij door dit gedicht te wandelen.

 

breken

Het eerste woord waar we al wandelend in het Licht over struikelen, is ‘breken’. Het komt maar liefst voor in alle 4 regels van het eerste kwatrijn en sluit strofe twee af (r. 8). Dan keert het nog één keer terug in de laatste strofe (r. 13). Ook opvallend is dat dit werkwoord op een vreemde manier wordt gebruikt, nl. reflexief: ‘zich breken’. Duidelijk is wel dat in dit gedicht de combinatie van de woorden ‘licht’ en ‘breken’ wordt verkend. Zonder breking kun je het licht niet zien. Het kan wel wit en goddelijk zijn, maar je kunt het enkel zien als het gebroken wordt en uiteenvalt in ‘kleuren’. Idem met het leven. Je kunt het alleen ervaren in het ‘bont gebeuren’. Dat klinkt nog positief, maar het klinkt toch wel een beetje dubbel als de dichter in de vierde regel zegt: ‘en mijn ziel breekt zich als ze woorden spreekt’. Spreken is niet zonder risico.“Taal is een verstandhouding van hart tot hart en wie spreekt geeft zijn hart” heeft Nijhoff in een ander verband ooit gezegd en… een hart kan ‘breken’.

 

sterven

En inderdaad wordt in de tweede strofe de metafoor van ‘breken’ geïntensiveerd tot er gestorven wordt. Neen dat staat er niet: weer is er een een bevreemdende syntaxis: zich sterven laten ! Een combinatie van actief en passief die enkel in de lijdenstijd een zekere logica heeft. Niet verrassend, maar wel vermetel, is het slot van het tweede kwatrijn: Hier is mijn lichaam, breekt ! Samen met het ‘bloed’ en de ‘spijkers’ is de religieuze verwijzing in deze strofe onmiskenbaar, maar toch lijkt mij de gedachte dat het hier om een metafoor gaat voor de spanning waaronder het leven van de mens/dichter Nijhoff is gesteld, volstrekt verdedigbaar. Hij biedt ‘zijn ziel’ aan de wereld aan in zijn ‘woorden’, in zijn gedichten. Hij moet/wil zichzelf ‘uiten’, weet dat dat niet zonder risico is en toch doèt hij het, wìl hij het: het raam ìs open, zo ook de deuren.

‘Zich breken’, ‘zich sterven laten’ – ik blijf nog even in Nijhoffs vreemde idioom, combinatie van passiviteit en activiteit – is noodzakelijk om ècht te kunnen leven. Zelfs de meest introverte mens ex-isteert pas als hij het ‘buiten’ toelaat of ‘naar buiten’ gaat, contact zoekt hoe vol risico’s dat ook is. In de beide kwatrijnen is dit op scherp gezet, zéér scherp: Het zich openstellen voor de wereld daarbuiten, het ‘bonte leven’ is gevaarlijk voor de menselijke ziel. En toch moet het gewaagd worden: Om het ‘innerlijk leven’ te laten openbloeien, moet het openbreken: open, breken. Om vrucht te kunnen dragen (‘beuren’ r. 5) moet er gestorven worden: Si le grain ni meurt…

De angstige vraag blijft echter: zal in dit proces, deze uittocht in het bont gebeuren van het leven, de ziel niet onherstelbaar gekwetst worden, schade lijden, verloren gaan ?

 

lente

Het antwoord – als het er is – zullen we moeten zoeken in de terzinen (de twee laatste strofen). Op het eerste gezicht slaan ze een heel andere toon aan. Het beeld verspringt: zacht is de grond, groen de natuur. Je ziet mensen komen en gaan. Er wordt gewandeld langs de vijvers. Het contrast met het voorgaande kwatrijn is groot. Van een ‘gebroken lichaam’ naar de ‘zachte grond’. Maar is dat contrast wel echt zo groot ? De breuk tussen kwatrijnen en terzinen kan niet totaal zijn in een sonnet. De twee gedachtestreepjes overbruggen trouwens de ‘chute’. De dichter is niet met een ander gedicht begonnen. Hij benadert hetzelfde nu alleen van een andere kant. Hetzelfde ? Is het licht niet de bron van warmte en wordt zachte grond niet gevormd door stervende planten. De graankorrel die in de lente veel vrucht draagt is in de winter begraven in de aarde en daar gestorven. Vergis ik me nu, maar zien die ‘vijvers’ waarlangs de mensen wandelen er plots ook niet een beetje dreigend uit ?!

 

liefde

Zo gelezen is het niet verrassend dat in de laatste strofe in het groene waas tussen de bomen een ‘paal’ verschijnt: dor hout. Ook het woord breken keert terug. En weer is de ziel het subject. ‘Naakt aan een paal geslagen’ breekt zij zichzelf . ‘Ziel, die zichzelve brak in liefde en woorden’. Of wordt nu toch de gedachte aan een ‘andere ziel’ opgeroepen ? De verleden tijd ‘brak’ doet dat vermoeden. Hier wordt teruggeblikt op hoe een ‘ziel’ zichzelf ooit brak. Net als de ziel van de dichter zich breekt ‘in woorden’ (r. 4), zo ook deze ziel, maar naast ‘woorden’ verschijnt nu ook het woord liefde. ‘In liefde brak zij zich’. Niet prekerig, maar poëtisch wordt hier naar Christus verwezen. Ik parafraseer prozaïsch: Hij was mens om ons de kans te geven in de lente te gaan wandelen langs de vijvers. Om ramen en deuren van de ziel open te zetten naar de wereld daarbuiten, om met onze kwetsbare zielen voluit in te gaan op de wereld daarbuiten, om – in één woord – te ex-isteren.

Het risico gekwetst te worden is er gedurende onze rondgang door dit gedicht niet kleiner op geworden. Toch moet die wandeling gewaagd: voor zulke ‘daden’ is Hij mens geweest (r. 14) en heeft zich laten breken. Zulke daden zijn de kleuren waarin het goddelijk licht zich breekt (r. 2): scheppings­licht is paaslicht: het straalt in z’n gebrokenheid.

 

post scriptum

Nijhoff publiceerde de bundel ‘De Wandelaar’ ter gelegenheid van zijn huwelijk.

 

Dick Wursten

 

artikel verschenen in 'Ark-berichten' voorjaar 2003

 

This site was last updated
 November, 2018