De dood van Absalom

David's klacht: Och ware ik in uw plaats gestorven... 

[Voor de liefhebbers: toonzetting door Pierre de la Rue van David's rouwklacht over Absalom: Fili mi, Absalon, door Graindelavoix]

 

2 Samuël 18-19

[up] [home]

 

Slotoverwegingen bij een reeks preken over 1 en 2 Samuel

Preek over 2 Samuel 18:1 – 19:8 (Antwerpen, 18/01/2004 )

 

Gemeente,

Vandaag beëindigen we de weg die we afgelegd hebben met David. We hebben met hem meegeleefd vanaf het moment dat hij als jongeling bij zijn schapen vandaan geroepen werd en tot koning gezalfd werd. We hebben gelezen over zijn glorieuze opkomst aan het hof èn over de af-gunst van Saul, zijn vriendschap met Jonathan, zijn vlucht, zijn omzwervingen als desperado en toch ook altijd zich vastklemmend aan Gods belofte.

De troon die dan eindelijk hem toevalt, hoe hij Jeruzalem tot hoofdstad van een nog steeds vescheurd rijk maakt, de ark in een feestelijke reidans de stad in brengt..

Hoe hij zich daarna weer verschrikkelijk mispakt in de ‘zaak van de Hethiet Uria’ en bloedschuld op zich laadt..

 

En we hebben hem zien boeten. Het zwaard dat hij tegen Uriah ophief, keerde zich tegen hemzelf en we hebben hem opnieuw zien vluchten – vorige week – voor zijn eigen zoon nu, voor Absalom, die een staatsgreep pleegt

 

Blootsvoets vluchtend meer koning dan ooit.

Volledig op God gericht : Die moet nu maar laten zien wat-ie wil, met hem verder of niet. t is hem beide goed… En tegelijk: Volledig geconcentreerd op de zaak: hij organiseert zijn inlichtingendienst, hij sluit bondgenootschappen en stuurt zowaar een intrigant naar Absaloms hof, met succes.

 

Hij geeft uit handen en steekt tegelijk vastbeslotener dan ooit zelf de handen uit de mouwen.

Passief en actief ineen.

Nederig èn trots tegelijk.

Boetedoende geeft hij de troon niet op.

 

En zo blijkt uit het vervolg: Terecht, want nog steeds is hij de man naar Gods hart. Achter alle gemanoeuvreer ziet de verteller immers de hand van God, die Achitofels raad verijdelt, David zegent op z’n vlucht, zodat hij zich kan voorbereiden op een beslissende veldslag met de opstandige legers…

 

Wij lezen de ontknoping… 2 Samuël 18-19:8


Gemeente van Christus,

De mens wikt, God beschikt.

En niemand kent de raad Gods, voordat zij is uitgevoerd.

Enkel Gods profeten licht(t)en wel eens ene tipje van de sluier op…. maar ook dan niet om de mens voor een voldongen feit te plaatsen, maar om ze juist des te meer op hun verant­woordelijkheid te wijzen…

Dat ze m.a.w. nog beter moeten ‘wikken’, juist opdat God zal kunnen ‘beschikken’.

 

De verhalen rond David zijn van hiervan een mooi voorbeeld.

 

Nergens in deze geschiedenis verdwijnt de menselijke verantwoordelijkheid achter de goddelijke voorzienigheid, laats staan achter Gods verkiezing.

Gods activiteit en de activiteit van de mens… zijn zozeer verwezen, dat je ze niet kunt ontwarren. En: God kan evenzeer in de nederlaag als in het succes werkzaam zijn. En nog: Zelfs in het kwade kan hij werken aan zijn plan. De moraal blijft dubbel, zo dubbel als het leven van een mens.. als David.

Het is niet zo simpel dat het goede wordt beloond en het kwade niet verschoond en daarmee basta… Neen: het goede kan jarenlang tot niets leiden (zo bij David) en het kwade kan geplooid worden tot Gods wil daardoorheen geschiedt…

 

Terzake. Naar het verhaal.

 

Terwijl David zijn zaak in Gods hand beveelt… mobiliseert hij zoveel mogelijk mensen en werkt aan een taktiek om de overmacht van Absaloms leger te weerstaan.

Het wordt uitgebreid beschreven in de hoofdstukken 16-18.

Zijn snel geïmproviseerde inlichtingendienst werkt perfect. Hij krijgt steun in het land èn zelfs van daarbuiten Israel (want hij belandt uiteindelijk weer over de Jordaan, in Gilead, waar het allemaal begon… ook waar Jakob stond om Ezau te ontmoeten… Pniel).

Daarbij heeft hij wel wat geluk ook, meevallers… of is dat nou Gods voorzienigheid ? Het verhaal laat het vertellend in het midden. Juist daarom is het zo levensnabij. Wij weten dat ook niet… Het is een kwestie van interpretatie. Vaak achteraf.

 

Zo maakt hij zich op voor de beslissende slag met de legers van zijn zoon Absalom.

De mens heeft gewikt (en de mens David deed z’n uiterste best).

Wat God beschikt zal nu snel duidelijk worden.

Slechts in enkele tussenzinnen (waarvan de meeste als algemene religieuze phrasen moeten worden beschouwd) is Hij aanwezig in deze geschiedenis. Het hele verhaal kan perfect binnen een binnenwerelds raam gelezen worden: historische, politieke, militair-strategische categorieën. Oorzaak en gevolg, actie en reactie, macht en zwakte. Hominum confusione Dei providentia. De goddelijke voorzienigheid werkt doorheen de menselijke verwarring.

 

Toch wordt het verhaal nergens metafysisch in de romantische zin die wij daar vaak aan geven: dat God direct en metterdaad (met een wonderdaad) ingrijpt in het gebeuren. Neen. Door het menselijk handelen werkt hij zijn voorzienigheid uit. De veldslag verloopt volgens de gekende patronen en de geniale veldheer David wint glorieus…

David wint… en zijn koninngschap wordt hersteld, eerst in Jeruzalem, dan ook in Juda en tenslotte in geheel Israel. Aldus blijkt de beschikking Gods te zijn.

 

 

Even tussen haakjes: Je kunt er eigenlijk niet naast kijken: De 12 stammen`zijn ook onder David nog verre van verenigd in één rijk. Met name de stam Benjamin staat er buiten. En David blijft voor de Noorderlingen toch te veel een koning van het Zuiden, niet de hunne. Dat na de dood van Salomo het rijk scheurt is eigenlijk geen verrassing. De breuklijnen lopen hier precies hetzelfde. Het is altijd al latent aanwezig geweest.

 

Maar, daar gaat het nu niet om. Om de veldslag ook niet.

Die wordt opmerkelijk kort beschreven. De voorbereidingen en de nasleep vindt de verteller veel belangrijker. Daar vallen de beslissingen èn die vallen in het hart van de mens…

 

Over de voorbereidingen hebbben we het al even gehad. David gaat clever te werk en houdt het hoofd koel èn bij de zaak… Hij blijft ook moreel op ‘hoog niveau’ zal ik maar zeggen. U moet er de episode met de scheldende Simeï maar eens op na lezen. Hoe hij daar zijn lijfwacht verbiedt geweld te gebruiken tegen deze hem uitscheldende nakomeling van Saul… Had hij Jonathan niet beloofd alle nakomelingen van Saul te sparen ? Dus ook deze. En – verrassend zelf-kritisch – had hij die scheldpartij niet verdiend ? Al dit geweld… hij had toch zelf de spiraal in gang gezet met Bathseba te verkrachten en Uria te laten vermoorden. David: met al z’n fouten, een betrouwbaar mens; complex, maar ook een man uit één stuk.

 

Totnutoe weten we van Davids innnerlijk niet veel. We hebben hem eigenlijk nog niet in het hart kunnen kijken. Hij hield immers het hoofd koel, peilde de situaties, ook t.o.v. God (coram Deo is zijn vlucht een boetedoening) en nam gepaste maatregelen.

 

Wat de ontdekking dat zijn eigen zoon tegen hem in opstand was gekomen hem als mens, als vader had gedaan, dat komen we pas te weten als David zijn troepen monstert vlak voor de beslissende veldslag. Hij weet het: Het zal er op en er onder zijn. En hij weet ook dat dat normaliter betekent: Hij dood of Absalom dood.

Veel andere mogelijkheden waren er in die dagen niet. Een morele doodstraf uitspreken en die dan niet voltrekken is een typisch laat-modern-westers idee.

 

Daarom is het zo verrassend en ook aangrijpend, dat het verhaal plots inzoomt op Davids innerlijke verscheurdheid. Want dat blijkt er aan de hand te zijn… en waarschijnlijk al heel de tijd dat hij bezig was met de voorbereidingen. Nu, nu het gaat gebeuren en hij zelf geen invloed meer kan uitoefenen.

 

Hij moet thuis blijven. De koning is een symbool van grote waarde. Zijn leven is 1000-en krijgers waard… en dat is ook zo. Hij weet het wel.

Hij moet gaan wachten, afwachten, bang afwachten… Neen, niet wat de uitslag betreft. Ik denk dat hij die eigenlijk al wel kent. Hij is een door de wol geverfde krijger. Met de zonen van Zeruja (Joab en Abisai) aan zijn zijde, met de Gatiet Ittai aan het hoofd van het derde legioen: hij gaat winnen….

…. maar juist daarom moet hij vrezen voor het leven van zijn zoon !

 

En hij kan het niet meer voor zich houden.

 

Wat zal het stil geweest zijn, toen de koning zijn speech beeindigde door zijn 3 generaals bij zich te roepen om hun de laatste bevelen te geven… En het is niet : en als je Absalom, die gemene opstandeling ziet: geen genade ! Ook zijn leven is 1000-en krijgers waard… neen:

        Behandelt de jongeling, Absalom, met zachtheid… Nog mooier in de Oude Vertaling:

Handelt zachtkens met de jongeling…

 

En ieder hoorde het… en ieder zag het… en allen begrepen het.

Het was een woord van vader David over de jongeling die zijn zoon was…. knaap noemt hij hem hier (na’ar v. 5), de volwassen man… voor David zal het altijd zijn jongen blijven.

 

En als de strijd dan al snel beslist blijkt en het angstaanjagende woud van Efraim zijn 1000-en verslindt, zien wij Absalom hangen, aan zijn haren, zijn prachtige lange haren – tenminste zo wil het de traditie, het staat er niet – aan een boom… een eik, een terebint…

En de muilezel waarop hij gevlucht is, loopt onder hem weg, zodat hij tussen hemel en aarde blijft hangen… moederziel alleen.

 

Niets is er meer over van de charmante jongeling, die de burgers van Jeruzalem om zijn vingers wond. Niets is er over van de vorstelijke koningszoon die elke dag met 50 paarden uit rijden ging… Niets.

 

Hij hangt daar eenzaam tussen hemel en aarde.

de man, die het maken zou…

 

Indachtig de wil van de koning, zien de soldaten van David het wel, maar ze doen niets… Ze laten hem hangen… Tot Joab arriveert.

En Joab is een nuchter man, een steun en toeverlaat voor zijn koning, in goede en kwade dagen. Hij had al eens een dwarsligger voor David uit de weg geruimd, trouwens wel meer dan één.

Verwonderd ziet hij het tafereel aan ? Waarom laat men die rebel hangen ?

Ja hij weet ook wel wat de koning heeft gezegd. Maar dat heeft de kóning niet gezegd. Dat was de váder in de koning en die moet je ‘overrulen’… Voor zijn eigen bestwil…

David zal koning zijn, zijn troon zal vaststaan in der eeuwigheid…. ? Welnu: dan moet Absalom dood… want alleen dood is hij onschadelijk, dat is wel duidelijk, deze aartsonruststoker.

 

Joab aarzelt geen moment: Drie spiezen boort hij in het hart van de aan de takken hangende prins (vs. 12-14). Hij zal zijn heer, de koning beschermen – zelfs tegen zichzelf.

Tien wapendragers maken het werk af en slaan hem mors- en morsdood. Het lijkt bijna een ritueel. Het levenloze lichaam gooien de tien in een grote kuil en op het graf plaatsen zij een grote steenhoop.

 

Een monument van oneer…. voor Absalom.

 

Is dat verdiend ?

Wat heeft hem er eigenlijk toe aangezet naar de macht te dingen?

Hoe zou deze prins zich in de nachtelijke stilte van zijn slaapkamer hebben gevoeld, wanneer hij aan zijn vader dacht? Ziet hij het beeld van zijn zuster Tamar voor zich, wiens verkrachting hij zo bloedig gewroken heeft ? Verwijt hij het zijn vader, nog steeds ?

Of is het de persoonlijke trots die gekwetst is... Zijn verbanning, zijn tweederangsrol…

 

 

Je bent nieuwsgierig: je zou zijn moeder eens willen vragen, hoe Absalom als kind was, vóór zijn rebellie. En ook aan David… Wie was toch die Absalom. Kon je hem als kind niets weigeren, niets echt kwalijk nemen…

David, leek hij soms te veel op jous, en zoon die naar zijn vader aardt… charismatisch man.

Zo graag zouden we deze mens wiens leven zo vergroeid is en zo jong afgebroken beter willen kennen… Maar dat kan niet. Tussen hem en ons is er een onoverbrugbare kloof.

Voor David moet hij duidelijk meer dan ‘het zwarte schaap in de familie’ geweest zijn, want de impact van zijn dood is ongelooflijk sterk op David.

 

De wonde die dit doodsbericht slaat is dieper nog dan de dood van Jonathan, zijn vriend.

Hij is gewoon totaal ontredderd. Aangrijpend hoe het verteld wordt.

 

Ahimaäs (vs. 19), de man die altijd goede tijdingen brengt, werpt zich op om zo snel mogelijk ook de goede tijding van de totale overwinning aan de koning te brengen. Zijn gretigheid onthult dat hij van mening is dat David dit ook een goede tijding zal vinden: de HEERheeft de koning recht verschaft tegenover zijn vijanden. God heeft beschikt ten gunste van David. Hij denkt dat koning David op bericht wacht, dat David nog in zijn ambt staat….

 

Joab weet wel beter. Hij is een oude soldaat, hij heeft de wereld gezien. Hij kent de mensen, hij kent David, door en door, z’n leven lang al. Hij beseft dat de boodschap van Absaloms dood voor de koning slecht nieuws zal zijn (vs. 20,23).

Hij kent trouwens ook zelf de band van het bloed, hoe die band bindt en hoe vergoten bloed een eigen stem heeft en krachtig roept…

Weet u nog zijn jongere broer, de gazelle-achtige: Hasael, gedood door Abner. Deze Abner heeft Joab later verraderlijk in de val gelokt en eigenhandig omgebracht.

Joab geeft daarom een Kusj-iet, een buitenlandse knecht (een Ethiopier), de opdracht de tijding aan David over te brengen. Pa na sterk aandringen krijgt ook Ahimaäs toestemming om naar David te gaan om deze het nieuws te gaan vertellen. (vs. 21-23).

 

David weet nog van niets. Hij wacht vol spanning de afloop van de strijd tussen zijn mannen en die van Absalom af. Tussen de regels door bespeuren we ongerustheid. Hoopt hij op een goed bericht ? Tot driemaal toe zegt hij wanneer in de verte een boodschapper wordt gesignaleerd, dat het wel een goede tijding zal zijn (vs. 25-26, vs. 27 met tov, 'goed'). Hij moet zichzelf blijkbaar overtuigen…

 

En het is wel duidelijk wat David verstaat onder 'goede tijding'… Het is niet de uitslag van de strijd die hem nerveus maakt… Het is niet koning David die wacht op nieuws. Het is de vader die wacht op bericht omtrent zijn zoon. Handelt zachtkens met de jongeling (St.V.) was zijn laatste woord geweest. Het was zijn diepste. ‘Zwei Seelen wohnen, ach, in meiner Brust’

De vader wil zijn jongen, ondanks alle kwaad dat van hem uitgaat, geen letsel toebrengen.

De koning toont zijn hart: het is het vaderhart.

 

Het is alsof Achimaas het voelt als hij voor David staat en plots begint te stamelen als David naar het lot van Absalom vraagt (en zich hult in vaagheid). De andere bode – niet betrokken – voelt het blijkbaar niet en zegt rechtuit, zoals het is. Winst op alle fronten en Absalom ? Is het wel (tov) met hem ? De formulering van de bode is duidelijk: Moge het al uw vijanden vergaan als uw zoon… Dóód is hij, uitgeschakeld voorgoed.

 

In vers 33 (in de grondtekst 19:1) verhaalt de verteller in een paar zinnen Davids reactie op dit bericht. Het beeld dat wordt geschetst raakt ons tot op de dag van vandaag. Nooit zullen we die aanblik van de troosteloze vader vergeten. En de woorden grijpen diep in de ziel.

We herkennen er onze eigen wereld in met zijn doodsberichten die door vaders, moeders, zoons en dochters, broers en zussen moeten worden aanhoord.

 

Het is zo herkenbaar. Toen David het bericht hoorde, toen ontroerde hij, letterlijk staat er dat hij beeft, schokt…. zoals een aardbeving de aarde heen en weer schudt. Dat is het gevolg van het doodsbericht… èn heel precies waar…

 

Vervolgens zoekt hij de afzondering. Hij trekt zich terug in een bovenvertrek. Hij wil alleen zijn, alleen met zijn verdriet, alleen met zoveel en tegelijkertijd zo weinig.

 

Daarna horen we hem wenen, huilen, rouwklagen. Alle woorden die het Hebreeuws rijk is, vallen hier. Zo barst het verdriet naar buiten, zo baant zich de pijn een weg, van binnen naar buiten. Zo komt de verscheurdheid eruit, zo wordt de gebrokenheid zichtbaar… totale breuk.

De dood van Absalom, voor hem nu niets anders meer dan Absalom, zijn zoon gaat hem door merg en been. Desolater dan de rouwklacht over zijn vriend Jonathan klinkt zijn schreeuw over Absalom:

 

Mijn zoon Absalom,

mijn zoon, mijn zoon Absalom!

Och, dat ik, ik voor u gestorven ware,

Absalom, mijn zoon, mijn zoon!


Hartverscheurend is het, deze kreet uit de mond van een vader over het verlies van zijn jongen. Ik wil er niet veel over zeggen.

Eén ding: In het Hebreeuws valt er nadruk op 'ik'. Was ik maar in jouw plaats doodgegaan, horen we hem roepen. Zo roept een vader die zijn kind – ookal is dat een kind dat een verkeerde keuze heeft gemaakt – definitief kwijt is geraakt in de orgie van het geweld, die hij notabene over zichzelf had afgeroepen…. maar die tegelijk Davids schuld is…

 

David de koning is niet meer. Hij is hier gewoon David, de vader. En niets meer.

 

In deze kreet wordt een wereld van verzet, verdriet, pijn en wanhoop verwoord en het vervolg (19:1-8) maakt duidelijk hoe dìep het bij David ging. Hij blijft treuren, wenen, verbergt zich herhaalt de rouwkreet zelf nog eenmaal. We zien hem ijsberen, diep gewond, gekwestst van binnen.


En dan is daar opeens Joab weer… en baant zich een weg tot de koning. En met een vlijmscherp woord boort hij nogmaals in Davids ziel. Hij die Absalom heeft omgebracht bepaalt vader David bij zijn roeping.

En zijn roeping is niet – en voelt u hoe zwaar dat nu weegt – om vader van Absalom te zijn, maar koning van gans Israel. Daartoe is hij door de zoon van Hannah gezalfd.

Joab verplicht David om goed en kwaad weer in groter verband te zien, zijn persoonlijke gevoelens en privé emoties opzij te zetten… anders gaat de vrede voor het volk verloren.

David moet m.a.w. hardop zeggen dat het goed is dat Absalom dood is.

Hij moet de manschappen danken die hem hebben omgebracht. Hij moet op het balkon verschijnen en zijn soldaten toespreken, hij moet juichen. Anders is de hele veldslag en zijn alle doden voor niets geweest…Hij moet doen waartoe hij geroepen is: koning zijn in Israel.Het volk leiden als een goede herder…

Want God heeft beschikt dat hij de uitverkorene is en blijft… (uitverkoren zijn is niet altijd een pretje, kan ook een last zijn…)

 

En David vermant zich en doet het. Wenend van binnen zet hij zich triomferend op de troon.

En hij roept hallellujah, prijs de heer, maar het is een gebroken hallelujah (Jeff Buckley).

En gemeente, ik waag nog één opmerking. Hij staat niet in de Schrift, maar ik vermoed dat de auteur van II Samuel, ons dat toch ook wel heeft willen laten voelen.

 

Dat David nu meer dan ooit is wie hij wezen moet: een messiaanse gestalte.

Net als de Messias, zoals wij hem kennen, is hij getekend door zijn lijden, moffelt hij zijn eigen wonden niet meer weg.

 

En zó regeert hij over Israel.

En we zien hem vlak hierna niet meer bezig met oorlogen, maar met verzoeningsacties: Hij spant zich in om tegenstellingen te overbruggen tussen Juda en Israel, tussen Benjamin (Sauls huis) en het zijne. Hij probeert vijanden van weer tot vrienden te maken, verzoenend en verrassend vergevingsgezind. Zo probeert hij als ene goede herder zijn verdeelde kudde te leiden naar grazige weiden…

 

En zó – als een verhaal van mensen – is het het verhaal van God, de Heer.

 

Die heeft zich met groot incasseringsvermogen voor eeuwig aan David en zijn huis verbonden, poneert de Schrift. Zìjn macht wist Davids zwaktes niet uit, maar vangt ze op. Zijn wijze van regeren schakelt Davids regering niet uit, maar in, daagt hem uit.

David en zijn volk hebben met deze God geleefd. Soms te haastig, soms te traag. Soms in gehoorzaamheid, soms in schandelijke afval. Soms in onderwerping, soms spelend met vuur.

Hierbij is David bij tijden tot grote hoogte geklommen, maar ook heel diep gevallen.

De schrijver heeft nergens zijn complexe persoonlijheid gladsgestreken of zijn misstappen verheimelijkt… God ook niet… Zijn oordelen waren rechtvaardig.

 

Maar wat meer is: op een subtiele, bijna verborgen wijze stuurt God hier de geschiedenis.

Op zijn goede momenten getuigt David van het nieuwe dat God de mensen wil bijbrengen. En op zijn zwakke momenten laat God zien hoe je ook daar een aangrijpingspunt van kunt maken om opnieuw te beginnen.

 

Waar het nou precies op aankomt, in de beide boeken Samuel… in heel deze geschiedenis van Samuel, Saul en David. Het is moeilijk te zeggen.

Kon je het in één zin samenvatten, hoefde je het hele verhaal niet te vertellen.

Het moet te maken hebben met de goede tijding die de profeet Jesaja de vreugdebode laat brengen: einde aan de oorlog èn oorlof tot nieuw leven… einde aan de strijd / gunning van nieuw leven.. einde-loos.Het moet ook samenhangen met de goede tijding die Jezus heeft uitgedragen en uiteindelijk gestalte heeft gegeven in zijn levensgave voor ons…

 

Zoveel is duidelijk: dat een mens slechts gaande de weg van het leven leert met God te leven.

En: dat David heeft geleerd God te aanbidden, zowel in zijn zegen als in zijn straf.

Hij heeft het leven beaamd, zoals God het hem gegeven heeft.

Uw wil geschiede heeft hij leren zeggen, kome wat komt.

 

Zouden wij het goede uit de hand des HEREN aannemen en het kwade niet ?

Of: Naakt zijn wij uit de moederschoot gekomen. Naakt zullen wij daarin wederkeren

De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen

De naam des Heren zij geprezen.

Amen