"De staatsgreep van Absalom..."
en David's wonderlijke reactie

2 Samuël 15 (met enkele opmerkingen over 'Messiaans gedrag' van David)

[up] [home]

 

 

Op het eerste gehoor is dit een intrieste episode uit het leven David, een dieptepunt ook in zijn koningschap… Hij moet het meemaken, dat de profetie van Nathan uitkomt: zijn eigen zoon pleegt een staatsgreep en overtreft hem in politiek vernuft. Hij bespeelt de gevoelens van de mensen zo geniaal, dat David halsoverkop moet vluchten uit zijn ‘eigen stad’, Jeruzalem: kansloos is hij. Hij heeft het meteen door.

Maar er is meer in het verhaal. Als je er iets langer bij blijft stil staan en het verhaal iets dieper durft peilen, dan is deze zelfde episode ook het moment waar David, die een koning als alle koningen was geworden, teruggebracht wordt tot de kern van zijn koningschap, nl. dat hij enkele regeren kan èn mag bij de gratie Gods.

 

En de verteller – evenknie van en een eeuw eerder dan Homerus – heeft al vertellend ook deze diepere dimensie, met z’n persoonlijke, morele en geestelijke laag naar voren gehaald. Overigens zonder dat hij het verhaal tot een moralistische vertelling degradeert, want David blijft óók in deze episode even ongrijpbaar als voorheen. Al zijn daden zijn opnieuw dubbel te interpreteren en moeten dat misschien ook wel zijn.

Ik loop eerst een aantal opmerkelijke elementen van het verhaal langs.

 

1. afgang

Als David doorheeft dat Absalom de troeven in handen heeft (de harten van de mensen voor zich heeft ingenomen) dan neemt hij meteen zijn verantwoordelijkheid voor zichzelf en de zijnen op. Hij organiseert de vlucht. Geen semi-heldhaftige taal van: met het zwaard in de hand sterven of: tot de laatste man zijn stad verdedigen. Neen dan gaat Jeruzalem met haar inwoners de ondergang tegemoet. Neen: Hij wil niet alles kapot zien gaan. Dus gaat hij liever weg. Hij herkent een nederlaag en erkent die. Geen grootspraak, geen mooipraat. Niets.

Hij raadt zijn mensen aan te vluchten (want er komen gevaarlijke tijden), maar niet zo van: sorry jongens, mislukt. Ik ben weg en jullie trekken je plan maar. Neen. Hij voorkomt paniek door zèlf de organisatie van de aftocht voor te bereiden en de aftocht te leiden.

Ook in slechte tijden ontloop hij zijn verantwoordelijkheid niet en blijft hij voor de zijnen een betrouwbare vorst. De verteller neemt overigens uitgebreid de tijd om heel precies te beschrijven wie er met hem mee gaat. Bij het ‘Verre Huis’ [blijkbaar een bekende plaats aan de rand van de stad] neemt David zelfs een soort défilé af van zijn getrouwen en pas als ze allemaal gepasseerd zijn, steekt hij zelf als laatste de beek Kidron over. (associatieve vergelijking: Jakob bij de Jabbok in de nacht voor hij Ezau ontmoet)

 

Uit de beschrijving (15-24) krijgen we een goed beeld van de David-getrouwen.

David is weer terug bij af . Hij is weer de desperado-vorst, op de vlucht…


2. doorgang

En – zo staat er dan ter afsluiting van de uittocht – het hele land weende toen al het volk voorbijtrok. De koning stak de beek Kidron over en trok in de richting van de woestijn.

Voor onze begrippen is die beek Kidron geen indrukwekkende waterloop, maar in het verhaal is het toch een beladen overgang. Het is een doortocht zoals er vele in de bijbelse verhalen voorkomen. Het water is een grens. Een doortocht is in de bijbel altijd een geladen moment, een rite de passage…, een doop.

 

Dat hij straks zijn mensen bij de doorwaadbare plaatsen op nieuws zal laten wachten (vs 28) accentueert precies deze betekenis: het water als grens.

Zo’n passage markeert een belangrijk moment in een leven, een beslissend moment zelfs. Daarna zal het leven definitief anders zijn. Ook de doop duidt op een overgang van het ‘oude leven’ naar een nieuw, gemarkeerd door een oordeel Gods.

 

Welnu, dat is ook hier het geval, zodat je bijna van Davids doop zou kunnen spreken.

Als hij de beek is doorgetrokken stuurt hij de priesters en de Levieten terug naar de stad met de ark. Hij wil niet claimen dat God aan zijn kant staat èn wel met hem zal strijden.

Weet u nog het begin van de Samuelboeken: Hofni en Pinehas. Hoe zij de eer van god zo te grabbel gooiden. David laat de eer aan God…

Hij zegt het ook hardop: God moet nu maar eens duidelijk laten weten wat Hij wil… verder met mij, of niet.

 

Geen manipulatie meer, ook geen religieuze !… Indien ik genade vind in de ogen des Heren, dan zal Hij mij doen terugkeren… indien niet: hier ben ik, Hij doe met mij zoals goed is in zijn ogen. (v 25-26)
Pretentieloos en vol overgave…., maar pas op: tegelijk heel alert, want de teruggezonden priesters zijn tegelijk zijn spionnen in de stad en tussen het bidden en wenen door, waarmee hij de Olijfberg beklimt is hij wel in staat om de eerste berichten uit de stad te ontvangen.

 

Blootsvoets en wenend beklimt hij de Olijfberg: het hoofd omhuld: David de boeteling

En juist als zodanig claimt hij de troon van Gods rijk, de kroon van Gods volk.

 

3. opgang

David, als Messiaanse gestalte reageert tamelijk anders dan men verwacht, als hij in aanraking komt met kwade tegenkrachten, ondergang, neergang. Dat noopt tot bezinning:

Een Messiaanse gestalte is een drager van Gods heerschappij. Net als Jezus-Messias is David niet bang geweest voor afwijzing omdat ze niet aan de verwachtingen zouden voldoen. Beiden hadden ook de moed om in de strijd tegen het kwaad zeer realistisch te zijn. Beiden zijn daarom een heel eigen weg gegaan… de weg door het water heen.  Beiden hebben nog wat gemeen (maar dat komt vooral volgende week aan de dag): Zij willen uiteindelijk diegenen heel houden die hén kapot willen maken en zijn bereid daarvoor zelf een hoge prijs te betalen, tot het eigen leven toe… (maar daarover volgende week meer)

 

Nog enkele détails:

1. Bij beide Messiassen is er een doorgang door het water als signaal dat ze bereid zijn de gevolgen van het kwaad in het/hun leven te ondergáán in al z’n hardheid, eerder dan dat ze hun positie willen handhaven ten koste van alles. Beide belanden in een woestijn. 

2. in het Johannes-evangelie wordt vermeld dat Jezus de beek Kidron oversteekt als hij naar Getsemané gaat (18:1). Daar zou een toespeling op de David van 2 Samuel 15 in kunnen schuilgaan. (=zelfde route).

3. David wacht bij de doorwaadbare plaatsen op nieuws. Dáár is het waar later Johannes komend uit de woestijn als heraut begon op te treden en te dopen.

4. Hun lijdzaamheid is niet zonder plan. En ik denk dat daar vooral de les ligt.

 

David weet donders goed wat er aan de hand is, wat er op het spel staat en is volkomen bij de zaak.Hij heeft – ondanks zijn barrevoetse vertrek – zijn aanspraken op het koningschap niet opgegeven. Integendeel. En het is ook een misverstand om Jezus af te schilderen als een passieveling, die omdat hij geen andere weg weet maar kopje onder gaat in het water van de doop. Neen: zijn kopje-ondergaan is een bewuste daad. Het is een vorm van zich solidariseren met de mensheid, die gevangen zit in het kwaad, en die daar niet zomaar even 1-2-3 uit los te branden is… En zijn idee is – met God samen – dat de weg die hij zal gaan hen ertoe zal brengen om ook zelf op te staan en in nieuwheid des levens te gaan wandelen… [Dat is typisch voor het sacrament van de doop. ].

De gang door het water van David met de zijnen is echt als een doopsel, waarin de oude mens sterft, waarin verworven posities worden opgegeven… omdat ze niet geleid hebben tot het doel waarvoor wij er zijn. Dit is een essentieel en uiterst relevant onderdeel van de ‘doopgedachte’. Bij David heeft die doortocht duidelijk dat tweeledig karakter:

1. (verzuipen van de oude mens): dat van een boete en radicale evaluatie (nu moet God maar aangeven of Hij nog met me verder wil).

2. Tegelijkertijd zit hier een nieuwe toewijding aan zijn roeping in ‘om vorst te zijn van Israel’ niet in eigen naam, maar in Gods naam (opstanding van de nieuwe mens)

 

Ook bij Jezus zien we dat laatste: De doop in de Jordaan is het moment van de volkomen overgave aan zijn roeping, de toewijding aan zijn taak… Daar neemt hij zijn ambt van Messias aan. Dat is ook wat de stem uit de hemel zegt als Jezus de geliefde Zoon wordt genoemd… In hem heeft God een welbehagen. Ja, zegt God, vanuit de hemel tegen deze mens. Zó moet het. Zo zie ik het graag. En in het verdere verloop van de geschiedenis van David, komt ook het ‘ja’ van God uit de hemel. Zo’n David, die ook in neergang en ondergang het doel van zijn leven in het oog weet te houden… die boete doet, en zijn leven – onder tranen – uit handen durft geven aan God, vol vertrouwen èn vol initiatief… zo’n David ziet God graag… Immers:

 

Die met tranen zaaien,

zullen met gejuich maaien.

Zij gaan heen, en wenen

voorzeker zullen zij komen met gejuich,

dragende hun schoven,

amen.

[vervolg]