Preek over Filippenzen 3, 2-11
Genk, 20 april 2008
inleiding op de lezing
[All animals are equal but some animals are more equal than others]
Voor de apostel Paulus waren alle gemeenten gelijk maar toch was één
gemeente voor hem iets meer gelijk dan de anderen: De gemeente
van Filippi.
Met deze mensen had hij een sterke persoonlijke band. Dat blijkt met
name uit de brief die is overgeleverd. Tijdens z’n 2de
reis was Filippi de eerste plaats waar Paulus wat succes had gehad,
maar waar hij ook in de gevangenis was beland. Weetunog Paulus en
Silas met hun voeten in het blok in de onderste kerker psalmen
zingend in de nacht, waardoor die degelijke Romeinse kolonie,
vooral bevolkt door gepensioneerde legionairs, op z’n grondvesten
begong te schudden. De die zich liet dopen (alles op de kop, dan ook
hij kopje onder), maar de rest van de stad houdt de poot stijf:
Paulus wordt uit de stad gezet.
De romeinse zeden en de christelijke boodschap verdragen elkaar
niet.
Juist daarom moet het voor Paulus een geweldige ervaring zijn
geweest als hij achteraf merkt dat zijn werk niet tevergeefs is
geweest. Met name enkele vrouwen (4:2-3) hebben hierin schouder aan
schouder met Paulus gestaan. De gemeente blijft opmerkelijk
aanhankelijk aan de persoon van Paulus. Als ze bijv. – enkele jaren
later – vernemen dat Paulus gevangen zit in Efeze, kent hun
bezorgdheid geen grenzen en sturen ze één van hun jonge mannen naar
Paulus om hem ‘gaven te brengen’ en ook verder met al het nodige bij
te staan.
De berichten die Paulus van hem hoort over de Filippenzen waren voor
hem een verkwikking (2:19)… Deze Epafroditus was echter ziek
gevallen en weer naar Filippi teruggekeerd, waar men hem dat (zijn
terugkeer) blijkbaar kwalijk heeft genomen.
Naar aanleiding van dit alles schrijft Paulus een brief naar de
gemeente van Filippi.
Hij bedankt voor het medeleven (1:3‑11 ). Hij meldt dat hij hun
gaven in goede orde heeft ontvangen (4:10‑20) en dat het hem
eigenlijk heel goed gaat (1:12‑26). Tegelijk neemt hij Epafroditus
in bescherming door te melden dat de jongen echt doodziek was en dat
hìj hem naar huis heeft gestuurd (2:19‑24). Als vanzelf komen
hier dan nog allerlei andere kleine en grote zaken ter sprake. Over
elkaar hoog blijven achten ook als er conflicten zijn. Over het
gevaar van scherpslijperij en dwaalleer in de gemeente etc…
Al met al een heel persoonlijke brief.
We lezen nu een klein stuk uit deze brief. Paulus waarschuwt voor
allerlei perfectionistische scherpslijperij, die zich vooral op
uiterlijkheden richt. Daar gaat het niet om. Hij als ex-farizeeër
weet dat als geen ander. Daarom drukt hij hun op het hart vooral
geen gehoor te geven aan mensen die zulke dingen verkondigen...
Filippenzen 3: 2‑11
preek
Gemeente,
Filippi was dus een gemeente, die Paulus na aan ‘t hart lag en juist
daarom klinkt die waarschuwing / vermaning die wij gelezen hebben zo
fel.
Hij is namelijk ongerust, ondanks alle goeie berichten - en dat
laat-ie merken ook.
Zijn geliefde gemeente wordt bedreigd. Andere arbeiders zijn de
wijngaard binnengekomen en aan het ‘werk gegaan’. Honden -
noemt-ie ze. Een scheldwoord ! straathonden - vuile,
blaffende agressieve rotbeesten…
.
Wat is er dan aan de hand ?
‘Slechte arbeiders’ zijn het. Niet dat ze niets doen, integendeel.
Ze doen juist veel.. veel te veel en precies het verkeerde. Ze
leiden de gemeente af van het ene waar het om gaat in het geloof.
Het is niet helemaal duidelijk tegen wie Paulus zich precies richt,
maar wel is zonneklaar dat deze enkele collega’s van Paulus
(arbeiders =zendelingen) een andere mening hadden verkondigd in de
gemeente omtrent ‘wat een christen nog behoorde te doen naast
geloven in Jezus Christus’. Zij hadden nog een andere grond
in hun bestaan gevonden, c.q. gelegd en ze vonden dat ook de
Filippenzen daaraan moesten gaan werken.
Geloven is mooi, zeiden zij, maar niet genoeg!
Je moet zelf toch ook nog wel iets doen, iets zichtbaars…
Wat ze precies eisten wordt niet gezegd, wel is het zo dat ze hun
gezag ontleenden aan het behoren tot het uitverkoren volk van
God. Daardoor bezaten zij enkele bijzondere vervolmakingen, die zij
dan toch maar wèl hadden in tegenstelling tot de Filippenzen, die
bijna allemaal bekeerde Romeinen (heidenen) waren.
Bekeerde heidenen zouden volgens hen toch ook wel een beetje
Jood moeten worden… om echt tot Gods volk te kunnen worden gerekend…
besnijdenis bijv.
En dan wordt Paulus woedend,
“Honden, slechte werkers!
Besnijdenis? - Versnijdenis
zal je bedoelen!”
Hiermee heeft onze vertaling Paulus woordspel willen overnemen, maar
het klinkt wel een beetje raar ((NBV / WV / Naardense bijbel:
idem). Er staat gewoon: Pas op… Doe het niet: laat je niet
verminken…
Om zulke uiterlijke dingen gaat het niet!
Op zich is er niets verkeerd aan. Die wetten zijn goed, de
besnijdenis ook. Allemaal van God gegeven omheiningen om het
verbond tussen God en zijn volk te beschermen…
Maar losgemaakt van dat volk en dat verbond is het levensgevaarlijk.
Het bederf van het beste is het slechtste…
Een scherp mes snijdt beter, maar de verwondingen zijn ook erger…
Elkaar aftroefen is nooit goed, maar religieuze wedijver is wel het
ergst van allen.
Trouwens, zegt Paulus, als het gaat over de wet en over de Joodse
tradities dan heb ik meer recht dan spreken dan eender wie.
Ik ben besneden op de achtste dag.
Precies volgens de wet.
Ik ben uit het volk Israël - geen
bekeerling, maar een echte afstammeling van Abraham, Izak en Jakob.
Ik ben van de stam Benjamin.
Ik ben een Hebreeër uit de Hebreeën: een
rasechte, en ik spreek nog Hebreeuws ook - beter kan het niet.
En niet alleen m’n afkomst is perfect - ik heb binnen dat kader van
de wet ook nog het nodige op mijn conto !
Ik ben naar de wet een Farizeeër. Eentje
van de hoogste en allerbeste soort, als het gaat om de wet en de
traditie.Zelfs Christus stelde de Farizeeërs tot voorbeeld, als het
ging om gerechtigheid en ijver voor de wet.
Mijn ijver ging zelfs zover, dat ik
iedereen achterna zat, die de wet verachtte - de grote Gamaliël was
trots op mij!
Voor de wet was ik
onberispelijk.
Als je ‘t dus van die kant wilt bezien, dan zou ik toch wel weten
hoe het zit met die andere grond, waarop je een leven kunt
bouwen… Voor de wet onberispelijk.
Zo was ik, zegt Paulus… Daarom luister naar mij: - ik heb recht van
spreken…
Al die dingen, die schitterende stamboom, die indrukwekkende
religieuze carrière - waar ik toen zo trots op was – geloof
me: het betekent niets !
Ik dàcht dat ik grond onder de voeten had, maar het was niet zo.
Sterker nog: als het gaat om Christus, d.w.z. om het werkelijke
leven, dan heb ik er eigenlijk alleen maar last van
gehad: dan werkt het tegen. Het houdt je bij het ware leven vandaan
als die eigen prestaties, al dat heldendom…. al die ijver ook.
En dan laat Paulus het beeld op spectaculaire wijze kantelen. Hij
gaat eventjes op onnavolgbare wijze boekhouden.
Hij gaat de hele creditzijde: (Jood zijn, ijverig zijn,
onberispelijk zijn) overzetten naar de debetzijde. wat in de kolom
winst staat in de kolom verlies te zetten…:
Maar alles wat mij winst was, heb ik als verlies leren beschouwen
vanwege Christus
Ja echt waar: ik acht alles verlies en omdat de kennis van Christus
Jezus, mijn Heer, alles te boven gaat...
ja sterker nog: het was niet alleen verliesbrengend, nadelig…
Nee: het was vuilnis… het moest weggedaan worden.
Dat was voor Paulus de grote openbaring van z’n leven geweest.. en
zoals bij echte openbaringen was het meteen ook de grote crisis in
zijn leven. Alles kwam op z’n kop te staan, alles draaide,
kantelde…. een revolutie, een Umwertung aller Werte.
Hij viel niet voor niets van zijn paard… hij was niet voor niets
dagenlang verblind.
Alles van waarde moest weg:
z’n besnijdenis, z’n afkomst, z’n opleiding, z’n ijveren voor de
goede zaak….
Toen het er op aan kwam in zijn leven kon hij het allemaal
bij ‘t grof vuil zetten – “schade en drek” zegt de StatenVertaling
plastisch.
Dat is natuurlijk ongelooflijk. En ik denk dat wij ook maar moeilijk
kunnen navoelen wat dat voor Paulus heeft betekend, hoe totaal en
radicaal die omkeer was. En hoe pijnlijk beschamend ook…
Alles was hij kwijt, wat hij dacht dat hij had… waar hij zijn leven
op gebouwd had ook, z’n normen en waarden stelsel: in
gruzelementen … het had de verkeerde zaak gediend. Niet het
leven had het gebracht, maar de dood.
Je zou van minder wanhopig worden..
En zichzelf redden, was er nu helemaal niet meer bij.
Enkel omdat er een krachtbron buiten zichzelf bleek te bestaan:
Jezus Christus, gekruisigd en opgestaan… is hij er niet aan
onderdoor gegaan.
En het leren kennen van die Naam… was tenslotte het enige
‘winstpunt’ in heel z’n persoonlijke boekhouding, maar die ene
winst woog voor Hem blijkbaar royaal op tegen al die dingen die
hij bij ‘onvoorziene verliezen’ moest afschrijven…
Hij heeft Christus gewonnen en dat is hem genoeg.
Dat klinkt mooi… en ik zou nu kunnen doorgaan met u op het hart te
binden dat u ook enkel door Christus het leven zult vinden… maar
toch bevredigt dat niet…
Je vraagt je af: Wat bedoelt Paulus nou eigenlijk met dat kennen
van Christus en met die winst die dat oplevert… Hoe werkt dat
dan ?
Het klinkt zo abstract… kennen van Christus. Terwijl er
zoveel hartstocht en passie in de omringende woorden zit. Woorden
kunnen zo ontoereikend zijn om de geloofswerkelijkheid uit te
drukken, ter sprake te brengen.
Zeker de taal die Paulus in het volgende vers aanslaat. Ze klinkt zo
dor en juridisch: 9 om niet een eigen
gerechtigheid te bezitten, uit de wet, maar de gerechtigheid door
het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof.
Ja, kortere samenvatting van Paulus verkondiging kun
je niet geven…
Maar die woorden ‘zeggen’ zo weinig, communiceren haast niet meer
met ons…
Gelukkig dat Paulus het aan z’n vrienden in Filippi ook iets
persoonlijker durft zeggen:
Het gaat om (10) kracht, die je put uit (11)
dat je jouw eigen ondergang kunt verbinden met Christus’
ondergang.. Niets is hoopvoller dan dat,
omdat dat je ook uitzicht geeft op opstanding.
Paulus’ wereld was ingestort in Damascus. Hij ging over de kop,
totaal, tenonder. Hij werd zo goed als verpletterd door de
brokstukken van zijn vorige leven…
Opbouw leek niet meer mogelijk. In elk geval niet op eigen kracht…
Alleen de naam van Christus was er nog. En hij begon te zien, te
ervaren, vanaf het moment dat Ananias hem de handen oplegde dat het
einde van het ene leven niet het einde van alle leven
hoefde te betekenen, maar ook kon duiden op een nieuw begin…
De ondergang van zijn eerste leven, zou ook het begin kunnen zijn
van een nieuw, ander leven. Zijn val bij Damascus was de voorwaarde
om te kunnen opstaan… een nu te beginnen aan een heel andere leven,
het echte leven.
Gemeente, Veel van wat wij in ons leven opbouwen, het lijkt
onmisbaar, nodig, we kunnen niet zonder.. Zo ervaren we het. Toch is
veel daarvan niets anders dan een aangeklede en uitgestelde dood. En
dat geldt ook voor de reeks die erbij hoort: Succes, prestatie,
rijkdom, aanzien.., Paulus leert ons vanmorgen twee dingen:
Wat winst lijkt kan verlies opleveren…En omgekeerd: Verlies kan
winst blijken te zijn.
Ja zelfs wat het vitale leven raakt en bedreigt: lijden hoeft niet
negatief te zijn, Zelfs dat kan volgens hem in verbondenheid met
Christus winst opleveren... Een diepe, niet te verstoren vreugde zit
er bij Paulus onder alle dingen in het leven, de goede, maar ook
onder de kwade: In zijn verbondenheid band met Christus hoopt hij
zelfs zijn sterven tot winst te maken…
liturgie
- welkom
-
aanvangslied: gezang 380: 1, 2, 3
- stil
gebed / votum & groet
- lied:
psalm 86: 4
Heer, ons hart is verdeeld… de eenheid van het leven gebroken.
Wij komen er nauwelijks toe respect te hebben voor uw heilrijke
naam…
En zo zakken wij weg… wordt het leven een chaos en wordt het soms zo
koud in de wereld..
Heer: Doe wonderen aan ons leven,
Zet uw goedertierenheid tegenover het geweld van de wereld dat om
ons en in ons heerst…
om Christus wil.
- lied:
psalm 86: 5
- woord
ten leven:
- lied:
psalm 86: 7
- gebed
bij de opening van het Woord
-
inleiding op de lezing
-
Schriftlezing: Filippenzen 3:2-11
- lied:
gezang 328: 1
- preek
- lied:
gezang 224: 1, 5 en 6
-
geloofsbelijdenis: melodie gezang 429
-
gebeden
-
collecten
-
slotlied: gezang 446: 1, 2, 3,
4
-
heenzending en zegen
-
“amen..” (gezang 456:3)