Mattheus 20: 1-16 (de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard)

 

Een paar opmerkingen

1. Wij denken vaak dat parabels de gemakkelijk stukken van het evangelie zijn. Dat is niet zo. Integendeel zelfs. Ze zijn wel opgebouwd met elementen ontleend aan het gewone leven, dagdagelijkse dingen, maar er zit altijd een ‘twist’ in, een draai, een wending, waardoor je uit evenwicht geraakt en je begint af te vragen: wat wil Jezus hier nu eigenlijk mee zeggen? Het is dus veelzeggend dat Jezus naar dat middel grijpt: wat hij wil zeggen vertelt hij middels een verhaal.

Zijn leerlingen vonden dat trouwens behoorlijk vervelend. Ze hebben hem er zelfs een keer op aangesproken: “Waarom doet u toch zo ‘moeilijk’ en spreekt u altijd in gelijkenissen. Kunt u her niet gewoon rechtuit zeggen? Zijn antwoord: … neen, dat kan niet omdat ik ‘de dingen die verborgen waren’ aan het licht moet brengen. En dat kun je niet even in een tweet van 140 tekens doen. En ook niet in een simpele redenering. Dat kan alleen maar middels een verhaal.

Wil je dus aanvoelen wat God nu eigenlijk wil, dan zul je dus mee moeten gaan in die verhalen. Die houden je a.h.w. een spiegel voor. Je ziet je zelf en je eigen leven erin, je kijkt ernaar en door die ‘onverwachte wending’, die ‘twist’ zie je de vertrouwde dingen plots in een ander licht, in ‘Gods licht’ zo te zeggen. En dat is het evangelie, heilzaam.

 

2. In de parabel van vandaag gaat dat zeker zo. Het is een heel gewoon verhaal, uit het leven gegrepen: het is oogstseizoen en de landheer gaat als het licht wordt, 6u, naar de arbeidsmarkt: letterlijk: de markt van de stad, waar de dagloners zich hebben opgesteld in de hoop ingehuurd te worden voor een dag. Heel gewoon. Er wordt onderhandeld over het loon: Een denarius: fair dagloon. Handjeklap, en ze gaan aan het werk.

Dat de landheer om 9, 12, en 3 uur terugkeert naar de markt en nog krachten bijhuurt, is ook niet abnormaal. Vandaag zijn de druiven rijp, morgen zijn ze rot. Ja erger nog: wie weet wanneer het de laatste zomerdag is. De slagregens kunnen vanavond al vallen en dan kun je de oogst wel vergeten. Ook te elfder ure , 5u ‘savonds keert hij nog eens terug en huurt de laatste krachten in. Alle hens aan denk, plukken, verzamelen, persen en stockeren. Allen belooft hij een ‘billijk’ (rechtvaardig) loon.

 

Ongewoon wordt de gelijkenis pas aan het eind. Als de uitbetaling plaatsvindt: Niet de eersten komen het eerst aan de beurt, maar de laatst aangeworvenen mogen het eerst langs de kassa passeren.

Ziet u het voor u: de werkers van het elfde uur, frisse kerels nog, helemaal niet moe, vrolijk babbelend. En kijk: wat ligt daar in hun hand te blinken? Een volle denarius… De werkers van het eerste uur, die uitgeteld tegen de muur zitten, kapot, zien het gebeuren. En als zij aan de beurt komen, als laatste: wat krijgen zij? Ook een denarius.

 

Dat valt niet in goede aarde. Logisch. Ze beginnen te mopperen, eerst onder elkaar, maar dan besluiten ze ermee naar de heer te gaan. Dit is niet rechtvaardig: Deze laatsten hebben maar een uur gewerkt en gij hebt hen met ons gelijkge­steld, die een zware dag en de hitte hebben door­staan.

 

Dat sluit als een bus. Daar is geen speld tus­sen te krijgen. Jezus laat dat ook staan. Dat is niet fair. Zo voelt dat. Een gelijkenis moraliseert niet. Hij vertelt gewoon zoals het leven is, zoals het gaat. En zo is ook het antwoord van de heer antwoordt: Vriend, ik doe u geen on­recht. Zijt gij het niet met mij eens geworden voor een denarius.

Hij speelt het formeel. Het contract sprak van één denarius. Welnu: die heb je gekregen. Neem het uwe en ga heen.

 

Maar dan gebeurt het. De heer schuift het rekenkundig correcte wet­boek terzijde en suggereert dat er ook nog een hoger recht is, een goddelijke manier om mensen ‘recht te doen’. Gegrond in zijn vrije souvereine wil: Ik wil deze laat­sten hetzelfde geven als u. Staat het mij niet vrij met het mijne te doen, wat ik wil? Of is uw oog boos (zijt gij kwaad), omdat ik goed ben?

Dit zijn de woorden die dit verhaal tot een ‘parabel van het koninkrijk Gods’ maken.

Dit is de ‘twist’, de wending’, waardoor de dingen van het leven in een ander licht komen te staan.

 

3. De dag van loon naar werken is voorbij. De dagelijkse gerech­tigheid is geschied. Laten zij, die daarop blijven insisteren naar huis gaan. Neem het uwe en gaat heen… Laten zij die niet verder willen zien, denken en voelen, dan in: meer of minder, krijg ik wel genoeg, heeft de ander niet teveel. laten die hun loon nemen en vertrekken.

Maar besef: als je dat doet dan loop je iets mis, namelijk: het het feest der goedheid Gods, de hogere gerechtigheid die de dingen niet tegen elkaar wegstreept, maar die graag het een bij het ander optelt, die brood vemenigvuldigt door het te delen.

 

Vriend... mooi: uitnodi­gend klinkt dat tegenover de verzuur­de opmerking van de arbeider… staat het mij niet vrij met het mijne te doen wat ik wil.

Ik ken de wetten van de arbeidsmarkt wel, maar mag ik daar dan ook niet eens boven uitgaan?

Is er naast de wereld van de maat geen ruimte voor die van de overvloed?

Kan de ‘hardwerkende mens’ niet ook eens ‘vriend’ worden van de Heer die gul is, die graag geeft. En de medemens gewoon ‘gunnen’ wat die krijgt, zonder scheve blikken.

In een ander beeld gezegd:

Mag het misschien ook nog eens ‘sabbath’ worden na al die werkdagen...

 

Of is uw oog boos, (zijt gij kwaad) omdat ik goed ben?

Als je in de afgunst blijft steken, dan mis je zoveel moois in dit leven.