Wat is protestantisme ?
Home | Up
noot vooraf: deze brochure dateert in laatste redactie uit 1999. De tand des tijds...

Wat is protestantisme ?

Le croix de Languedoc (hugenotenkruis)

een persoonlijke visie ds. Dick Wursten
uitgave in eigen beheer; herziene electronische versie
Antwerpen, januari 1999


inhoudsopgave


Als in België iemand zegt: 'ik ben christelijk', dan bedoelt hij/zij: ik ben roomskatholiek. Het begrip 'christelijk' is m.a.w. vanuit het verleden in onze samenleving zozeer synoniem geworden met 'roomskatholiek', dat alles wat daarnaast nog is alleen maar onder het dakje van 'andere godsdiensten' kan worden geplaatst. Dit taalgebruik is onthullend en voor een protestant ook altijd ietwat pijnlijk. Dat het protestantisme nl. óók een deel is van de 'katholieke' (= wereldwijde) christelijke Kerk, dat enkel niet 'Rome' als hoofdkwartier beschouwt, dat wordt misschien in een uithoek van het verstand wel geweten, maar wezenlijk niet of nauwelijks beseft, zoals uit bovenstaand Vlaams taaleigen blijkt. Toch is het protestantisme gewoon een variant van het christendom, meer en anders niet, net zoals als het roomskatholicisme of de (oosterse) orthodoxie dat is. Een complicerende factor hierbij is, dat 'het' protestantisme natuurlijk niet bestaat en daarom ook moeilijk te beschrijven of te definiëren valt, temeer daar het zichnietdefiniërenlaten misschien wel één van de weinige constituerende elementen van het protestantisme is. Toch wil ik vanuit de historie proberen wat hoofdlijnen te trekken, die samen a.h.w. de contouren schetsen, waarbinnen het protestantisme te situeren is. De hierna volgende gedachten maken in genen dele aanspraak op oorspronkelijkheid noch pretenderen zij enige volledigheid, laat staan dat zij objectief zouden zijn. Het is 'een persoonlijke visie'. Het geheel is een bewerking van enige lezingen en een cursus die ik in Antwerpen in 1994 en 1995 over dit onderwerp heb gegeven. Voorbeelden zijn dan ook meestal aan de Antwerpse situatie ontleend, wat dus niet uitgelegd moet worden als Antwerps chauvinisme. In de voetnoten zijn de voornaamste bronnen vermeld, waaruit ik geput heb. Tevens kunt u daar enkele uitweidingen aantreffen die ik mij veroorloofd heb. Omdat het ergens toch met 'Luther' begonnen is, heb ik aan zijn 'bekering' vrij veel aandacht geschonken, temeer daar zij m.i. 'typisch' is voor het protestantisme. P.S. Op de site van de VPKB kunt u voor verdere informatie over de protestantse kerk van België terecht
1. Het protestantisme wereldwijd en in België

Wereldwijd zijn er ±500 miljoen (½ miljard) protestanten, waarvan een groot deel zich in Noord-Amerika bevindt, maar ook Afrika en Azië moeten niet worden uitgevlakt. Europa telt er ±100 miljoen; Daarvan bevindt zich het grootste gedeelte in het Noorden van WestEuropa: Scandinavië, Duitsland, Engeland, Nederland. Ook Frankrijk telt nog ongeveer 1 miljoen protestanten. België telt in dezen niet mee. Als men zeer (zéér!) ruim telt, dan kan men op 80.000 personen komen, die min of meer betrokken zijn op enige protestantse of evangelische kerk. Dat is minder dan 1% van de Belgische bevolking. Zou men alleen de overtuigde (praktiserende) protestanten tellen, dan moet men niet meer in procenten maar in promilles gaan denken(1). Dit is in het verleden wel anders geweest, d.w.z. dat in de eeuw van de reformatie zelf (16de eeuw) het grondgebied van het huidige 'België' één van de belangrijkste broedplaatsen van de reformatie in Europa was. In "De Nederlanden"(een gebied dat zich van NoordwestFrankrijk uitstrekte tot NoordoostGroningen = ± de vorm van de Leo Belgica, c.q. Vlaamse of Nederlandse leeuw) heeft met name het Calvinisme zich breed gemaakt. Dit gebeurde in oppositie tegen de roomse koning van Spanje, die eveneens de rechtmatige heerser was in de Nederlanden. In de eerste helft van de 16de eeuw was het vooral de leer van Luther die in veel aanhang verwierf. Het Augustijnerklooster van Antwerpen (verwant aan de kloosterorde van Luther) speelde hierin een grote rol, zodat het ons ook niet hoeft te verwonderen, dat twee monniken uit dit klooster de eerste martelaren van de reformatie zijn geworden (1523, Hendrik Vos en Johan Van Essen, verbrand op de Grote Markt te Brussel). Hieruit blijkft dat de leer van Luther al heel vroeg in de jaren '20 wortel had geschoten. Een nog snellere opmars kende in de jaren daarna het Doperdom (anabaptisme), ook wel de radicale reformatie genoemd. Na nogal wat interne strijd(2)was het uiteindelijk het protestantisme volgens het kerkmodel van Calvijn, dat de overhand kreeg in onze streken. Vanuit Genève liepen de lijnen voornamelijk via Frans-Vlaanderen en Henegouwen naar de Nederlanden. Belangrijker voor de Nederlanden dan Genève waren echter zeker tot 1560 de twee vluchtelingengemeenten net buiten de greep van de Spaanse koning: Emden (Noord-Duitsland) en London  Austin Friars -  Engeland). Vandaaruit werden ook de eerste 'gemeenten onder het kruis gesticht', ondergrondse zelfstandige protestantse kerken met een eigen kerkeraad. Antwerpen nam hierin het voortouw (1555), de overige steden in Vlaanderen, Brabant, Zeeland en Holland volgden (apart aritkel hierover een vergeten jubileum, 450 jaar protestantse kerken in de Nederlanden).

De invloed van Genève werd later groter en uiteindelijk werd de Hugenoten-het voorbeeld in organisatie. wat het alleraardigste verschijnsel oplevert dat de 'Nederlandse geloofsbelijdenis' (1561, Guido de Brès, Doornik/Tournai) een Frans-Latijns geschrift is, dat eerst later in het Nederlands is overgezet). Een universiteit in Gent werd gesticht en vanuit Vlaanderen en Brabant verspreidde zich de reformatie over de hele Nederlanden. Vooral onder de burgerij en de handelaren genoot deze leer grote aanhang. In Antwerpen (maar niet alleen daar) leidde dit na vele troebelen en strijd zelfs op een gegeven moment tot een Calvinistisch stadsbestuur en werd in elke kerk (op enkele na) de liturgie gevierd en de prediking gehoord volgens protestantse opvattingen. Vanuit het zuiden echter slaagde de hertog van Parma, Alexander Farnese, er vanaf 1578 in één voor één de opstandige steden weer onder het bewind van de koning van Spanje te brengen. Na een beleg van meer dan een jaar viel tenslotte(3) ook de stad Antwerpen. Philips van Marnix, heer van St. Aldegonde, burgemeester van de stad tekende op 17 augustus 1585 te Beveren het capitulatieverdrag. Net als elders waren de voorwaarden van dit verdrag of 'reconciliatie' billijk, want de nietkatholieke inwoners kregen ruimschoots de tijd en gelegenheid om te overleggen wat zij zouden doen: terugkeren in de schoot van de roomse Kerk, of bij hun nieuwe religie (= calvinisme) blijven. In dat laatste geval moesten ze wel de stad verlaten, overigens zonder dat ze hun roerend of onroerend goed moesten afgeven (de Joden in Spanje waren er slechter afgekomen). Iedereen die het zich kon veroorloven, week uit, voornamelijk naar Holland en Zeeland. Van de 82.000 inwoners, die Antwerpen in 1585 telde, waren er in 1589 nog 42.000 over. Steden als Leiden, Haarlem en Amsterdam werden door deze 'migranten' groot en welvarend. Protestanten spreken in dit verband over de 'val van Antwerpen'; roomse geschiedschrijvers noem(d)en deze zelfde gebeurtenis: 'herovering van het afvallige Antwerpen'. De huidige (confessioneelneutrale) geschiedschrijving heeft als compromis de term: 'scheiding der Nederlanden'(4) uitgevonden. Hoe men het ook noemt, duidelijk is dat het jaar 1585 van doorslaggevende betekenis is voor de geschiedenis van zowel Nederland als het latere 'België'. Het directe gevolg voor De Vlaamse en Brabantse gewesten was dat ze onder Habsburgs bewind werden gesteld en stelselmatig gerekatholiseerd. Maar ondanks deze strikte en met grote dynamiek doorgevoerde contrareformatie (Jezuïetencolleges), zijn de protestanten nooit helemaal uit België en evenmin uit Antwerpen verdwenen. Ondergronds, in zogeheten 'kerken onder het kruis', bestonden enkele gemeenten voort tot betere tijden aanbraken. En die kwamen er aan het eind van de 18de eeuw (onder de 'verlichte' despoot, keizer Jozef II) en eerst goed nadat in 1815 Napoleon was verslagen bij Waterloo. Oostenrijk ruilde België tegen een stuk van NoordItalië en vervolgens werden Nederland en België samengevoegd tot één koninkrijk onder koning Willem I. De nog bestaande protestantse gemeenten werden ingelijfd in de Nederlandse Hervormde Kerk(5).
Toen in 1830 het koninkrijk België werd uitgeroepen, werd de nieuwe staat gegrondvest op een strikt neutrale grondwet, waarin de vrijheid van eredienst werd gewaarborgd voor elke onderdaan. De Belgische protestanten konden nu eindelijk gaan denken aan het vormen van een eigen Belgische Kerk. Ruim twee eeuwen repressie zijn echter niet in één dag middels een formeel grondwetsartikel uitgevaagd, ookal was de eerste Belgische koning Leopold I zelf protestant. Tot ver in de 20ste eeuw bleven 'protestanten' in de Belgische samenleving uitzonderingen en paria's. Vooral op school, bij het zoeken naar werk en rond typisch 'kerkelijke' zaken zoals doop, huwelijk en begrafenis, ervoer de protestant zijn uitgestotenzijn aan den lijve. Anderzijds kende het protestantisme ook zijn successen, maar dan voornamelijk bij de gegoede burgerij in het eind van de vorige en begin deze eeuw, die hun eigen kritiek op de roomskatholieke Kerk verwoord vonden bij de protestanten en die in het protestantisme een alternatief vonden voor de vrijzinnigheid. Sinds de oprichting van de "Bond van Protestants-evangelische Kerken in het Koninkrijk België"(1839) werden er in de 150 jaar die België jong is naast deze officieel erkende Belgische protestantse Kerk allerlei andere soms verwante, soms zeer onverwante protestantse kerken en groepen opgericht. Enkele van deze kerken hebben zich in 1979 verenigd in de "Verenigde Protestantse Kerk in België" (V.P.K.B. of Église Protestante Unie en Belgique (E.P.U.B.). Over het geheel van het zeer complexe protestantse leven in België (inclusief de nietV.P.K.B.groepen) verschaft een recent dossier, opgesteld door een groot aantal protestanten en gecoördineerd vanuit het hoofdbureau van de Verenigde Protestantse Kerk in België te Brussel, uitgegeven onder de titel: A la découverte du monde protestante en Belgique (mei 1994), een overvloed aan informatie(6). Betekenisvol is, dat het meewerkende sociologische studieburo na analyse van het dossier de opstellers meedeelt, dat het Belgisch protestantisme, zoals zij het beschreven hebben, niet als een betekenisvolle bijdrage aan de Belgische samenleving kan worden beschouwd. Er is geen 'protestantse wereld' (socioculturele zin). Ook is geen 'protestantse lobby' (bij de politieke overheid). Debet aan dit verschijnsel is niet zozeer de numerieke geringheid van aanhangers van de protestantse opvatting, maar vooral hun onderlinge verdeeldheid en versnippering over talloze los van elkaar en soms tegen elkaar opererende gemeenschappen. Een gebrek, dat reeds in de 16de eeuw van roomskatholieke zijde tegen het protestantisme is ingebracht, mooi verwoord in de 17de eeuw door Nicolas Boileau:
Alors n'admettant plus d'autorité visible
Chacun fut de la foi, censé juge infaillible
Et sans être approuvé par le clergé romain

Tout protestant fut pape, une Bible à la main.


proeve van vertaling:
Wanneer uitwendig gezag niet meer wordt geaccepteerd,

vindt elkeen zich qua geloof onfeilbaar en geleerd.

En zonder approbatie door de geestelijke stand

wordt elke protestant een paus met de bijbel in zijn hand
.

 


2. Waar liggen de wortels van de reformatie?

Bij Luther is het begonnen, het protestantisme. Dat is waar, zij het dat er in de tweede helft van de Middeleeuwen al wel allerlei protestbewegingen binnen de roomskatholieke kerk zijn geweest, die in meer of mindere mate als voorlopers van het protestantisme kunnen beschouwd worden, hoewel de term 'voorloper' natuurlijk een anachronisme is. Het is een 'claim' achteraf. In de Middeleeuwen wemelt het van allerlei ketterse stromingen die meestal stevig verworteld zijn in de lagere sociale lagen van de bevolking. Van sommige van deze bewegingen weten we niet veel meer dan de naam. Zo is bijv. in de 12de eeuw de beweging van de Katharen(of Albigenzen), vooral sterk in ZuidFrankrijk maar met brede vertakkingen in heel het christelijke Westen, zo radicaal uitgeroeid, dat een reconstructie van hun opvattingen bijna niet meer mogelijk is, hoewel zij op hun hoogtepunt de geloofsopvattingen en beleving van grote groepen 'christenen' vertegenwoordigde en eigen kerken en bisschoppen bezat. De kruistocht tegen de Katharen, de prediking vanuit de kloosters en het optreden van de inquisitie, hebben hier 'degelijk' werk verricht. Een andere min of meer gelijktijdige (en ook gelijkplaatselijke) beweging staat hier los van: De Waldenzen, genoemd naar de rijke koopman van Lyon: Pietro Valdès, die vrijwillig arm werd en al predikend in de landstaal in groepjes van twee gaat rondtrekken (de armen van Lyon) => sterke binding aan het geschreven Woord van God met verwerping van vele kerkelijke gebruiken, die niet in de bijbel beschreven staan: zielemissen, gebeden voor de doden, aflaten, eed en oorlog. Ook deze protestbeweging werd geëxcommuniceerd. In de streek van Piemont (N-Italië) zijn ze desondanks blijven bestaan en elders zijn in de 15de eeuw de resten ervan samengesmolten met de Hussieten(7) . Later sloten velen zich aan bij de 'hervormde kerken' (réformé). Nat de Clalvijnse reformatie Wat al deze bewegingen gemeen hebben, ondanks alle onderscheid is het element van protest (tegen wantoestanden en misbruiken in de kerk) meestal voortspruitend uit een hernieuwde concentratie op en interpretatie van de bijbel. Ook het publiek predikende karakter is opvallend. De storm, die rond en door deze personen de kop op stak, is altijd tamelijk adequaat onderdrukt door de kerkelijke overheid: een luis in de pels van het Heilige roomse Rijk, meer niet! Protesteerders zijn er in de kerk trouwens altijd geweest. Ook de opkomst van de bedelorden (12e eeuw), de wereldmijding van de eerste kluizenaars (wier opkomst samenvalt met de 'settling' van de kerk in de wereld onder keizer Constantijn, 4de eeuw), de vele mystieke stromingen en apokalyptische groepen/sekten kunnen hiertoe gerekend worden. Sterker nog: protest tegen de gevestigde religie hoort tot het wezen van de kerk. Kritiek, onthulling, eerlijkheid, (profetisch) protest: het zijn ingrediënten van de bijbel zelf en de hele kerkgeschiedenis is er dùs van doortrokken. Het is een stuk van de inwendige dynamiek van de christelijke kerk. Omwille van de ruimte behandel ik er slechts twee, namelijk de 'eerste de beste' en diegene die voor onze landstreken (kerk)geschiedenisbepalend is geweest.
De ideeën van Maarten Luther, Augustijner monnik te Wittenberg werden middels de (toen nog revolutionair nieuwe) boekdrukkunst en de inwendige correspondentie tussen de verschillende kloosters van zijn orde razendsnel over heel WestEuropa verspreid. Mede hierdoor was hem een ander lot beschoren dan bijv. Hus of Wiclif. De heersende kerk heeft deze 'ketterij' niet de kop in kunnen drukken. Het uiteindelijke gevolg was een substantiële scheuring in de christelijke kerk van het Westen (NB: In de oosterse Kerk was er geen voedingsbodem voor de gedachten van Luther en de reformatie, omdat deze Kerk in totaal andere begrippen, gedachten en gevoelens haar kerkzijn en geloof beleefde dan de Westerse Kerk). Voor alle duidelijkheid: Luther heeft nooit een kerkscheuring beoogd, enkel een 'reformatie', een 'hervorming', een 'herbronning' van de hele kerk. Een kort historisch overzicht van zijn loopbaan moge dit aantonen.
  • een stukje biografie
Martin Luther wordt 10 november 1483 te Eisleben geboren als zoon van een mijnwerker. Omdat zijn vader het beste met hem voor heeft èn hij de tweede zoon is, mag hij gaan studeren in achtereenvolgens Mansfeld, Magdeburg en Eisenach. April 1501 begint hij zijn studie aan de universiteit van Erfurt. In 1505 wordt hij als één van de besten van zijn jaar 'magister artium'. De hogere studies kunnen een aanvang nemen en zijn vader zag hem al als publiek notaris werken in Eisenach of Erfurt, of anders een baan aan het hof: Rechten zou het dus worden. Maar het loopt anders. Een existentiële onrust houdt Luther gevangen en onder de indruk van een onweder, waarbij hij bijna door de bliksem gedood wordt, treedt Luther in in het Augustijner klooster te Erfurt, tegen de wil, de wens en het uitdrukkelijke bevel van zijn vader in. Luthers wetenschappelijke gaven worden daar al snel door de prior Johannes von Staupitz onderkend en na zijn priesterwijding (1507) wordt Luther verder geschoold in de filosofie en de theologie. (voor de liefhebbers: Lombardus, de nominalisten (Ockham, Biel) en later vooral Augustinus en Bernardus van Clairvaux). Op 19 oktober 1512 promoveert Luther tot doctor in de theologie en wordt meteen daarop tot hoogleraar bijbelse exegese en theologie benoemd aan de universiteit te Wittenberg(8). Na een lange persoonlijke geloofsstrijd en op grond van zijn eigen ervaring als priester hoe schadelijk de aflaatmarkt was voor het verlangen naar èchte absolutie van Godswege, publiceert hij op 31 oktober 1517 zijn '95 stellingen tegen de aflaat'. Luther nagelt deze stellingen conform het toenmalige gebruik op de deur van de slotkapel(9) te Wittenberg teneinde een theologisch debat over deze materie op gang te krijgen. Van het één komt dan het ander en uiteindelijk komt Luther alleen te staan tegenover de paus en de keizer op de rijksdag te Worms (1521). De dreiging van een pauselijke en keizerlijke bul hangt boven zijn hoofd: vogelvrij. Grote belangen staan trouwens op het spel op de Rijksdag te Worms(10), die een half jaar duurt: aldaar wordt beslist over het culturele, economische en politieke lot van Europa. Tussendoor en dwars erdoorheen speelt ook de kwestie van de godsdienst een rol. De paus had in een bul reeds 41 stellingen van Luther als ketters gediskwalificeerd en de verbranding van diens boeken bevolen. Op 27 maart sluit de nog jonge keizer Karel V zich aan bij de pauselijke veroordeling van Luthers boeken en dagvaardt Luther om te verschijnen op de Rijksdag. Op de eerste dag (17 april) is hij ten overstaan van de keizer en de rijksgroten zo bedeesd, dat hij nauwelijks te verstaan is. De pauselijke nuntius Aleander schrijft nog diezelfde avond in een brief naar Rome, dat Luther hem voorkomt als een 'lachende dwaas', die in tegenwoordigheid van de keizer 'voortdurend met zijn hoofd schudde en knikte'. Aleander heeft voor hem slechts verachting. Zelden zal het 'lachen' van iemand zo verkeerd zijn uitgelegd. Staande oog in oog met de hoge heren van het Rijk siddert Luther inderdaad onder de zware last van de situatie. Maar dat is het niet alleen. Luther beseft wat er op het spel staat. Tegen zijn verwachting in, hadden de curie en de paus te Rome zich niet aan zijn kant geschaard in de strijd tegen de aflaat. Hij was er vast van overtuigd geweest: "De paus zal die Tetzel ( = monnik die aflaten verkocht alsof het loten voor een tombola betrof, DW) veroordelen en mij zegenen, maar terwijl ik zegen uit Rome verwachtte, kwamen bliksem en donder over mij." Van de paus had hij zich op een 'beter te informeren' paus beroepen. Toen ook dat niet bleek te kloppen, had hij zich op het canonieke kerkelijke recht beroepen. Toen ook daarin de paus bleek te mogen heersen over de Schrift en de genade, had hij zich op de 'kerkelijke concilies' beroepen. Ook die bleken echter te kunnen dwalen: Het concilie van Konstanz (1414-1417) had immers een aantal met Luthers gedachten gelijklopende stellingen van Johannes Hus veroordeeld. Alleen met de Schrift en zijn verstand bleef hij achter. Uit de kerk was hij al verbannen. En op de Rijksdag moest de beslissing vallen of ook het Duitse Rijk Maarten Luther zou 'excommuniceren'. De gehele macht van de heilige traditie keerde zich tegen hem. "Maarten Luther", vraagt in de namiddag van 18 april 1521 Johannes von der Ecken in opdracht van de keizer: "wil je werkelijk al je boeken verdedigen?" Een zware aanvechting overvalt Luther, nu de vraag die hij zichzelf al zo vaak van binnen had gesteld, officieel van Rijkswege wordt gesteld, een terechte vraag: Luther, ben jij alleen wijs, jij alleen tegenover zoveel eeuwen tegenover de heilige Kerk, tegenover de concilies, decreten, wetten en ceremoniën, zoals onze voorvaderen en alle mensen om ons heen die tot op de huidige dag bewaard hebben? De dag daarvoor had hij nog om bedenktijd gevraagd, "opdat ik zonder het Woord van God geweld aan te doen en zonder gevaar voor mijn ziel het juiste antwoord kan geven". Nu is een ontwijkend antwoord onmogelijk. De rede die Luther gehouden heeft mondt uit in het kernprobleem. "Ik voer geen strijd over mijn eigen leven, maar over de leer van Christus. En daarom heb ik niet de vrijheid om deze geschriften te herroepen, omdat juist door mijn herroeping de tirannie en de goddeloosheid versterkt worden en des te harder zullen woeden..." De scherp geformuleerde opeenvolging van zinnen eindigt met het indrukwekkende slot:
"Mijn geweten is in het Woord van God gevangen. Daarom kan en wil ik niet herroepen, want tegen het geweten in te handelen is noch goed, noch heilzaam. Ik kan niet anders, hier sta ik. God helpe mij. Amen."  
Voor de keizer is het niet moeilijk een beslissing te nemen. Over deze gevaarlijke verwoester van de fundamenten van het geloof van zijn wereldrijk moet 'de ban en nog eens de ban' uitgesproken worden. Op 26 mei 1521 kondigt hij die middels het 'edict van Worms' af. Luther vlucht en duikt onder bij een bevriende vorst. Het heilige roomse rijk is gescheurd, politiek en religieus. Het nieuwe van Luthers gedrag hier en dat staat ook rechtstreeks in verband met zijn herontdekking van het vanzelfsprekende gezag van de Heilige Schrift is niet zozeer het beroep op het geweten als kern van de autonome mens (dat is een moderne 'Hineininterpretierung'), neen nieuw bij Luther is het gehoorzaam luisteren naar de Heilige Schrift zelf, onafhankelijk van de autoriteit van instanties buiten de bijbel, hetzij paus, hetzij concilie, hetzij kerkvader. Zelfs zijn geweten is daarin gevangen. Zo is Luther een bewust individueel levend en denkend mens, die de raadgevingen van pauselijke decreten, het kerkelijke wetboek etc. naast zich neer durft leggen (en dat is nieuw, zo'n zelfstandigheid) en tegelijkertijd heeft Luther gepoogd diezelfde vrije mens in dienst te nemen te vangen door het Woord van God en verantwoordelijk te maken voor en in de dienst aan de wereld. Dat is het ècht nieuwe van de reformatie: Voor alle terreinen van het leven, of het nu huwelijk of sexualiteit is, of burgerplicht en politiek bedrijf en ook politiek is de reformatie een gebeurtenis van wereldhistorische formaat : overal en altijd moet er opnieuw geluisterd worden naar het Woord van God om dat vervolgens samen met de menselijke ervaring en verstand te onderzoeken op zijn consequenties voor het leven van elke dag. Er is geen 'heilig rooms rijk' meer, waar alles geregeld is op alle terreinen van het leven volgens één pauselijke codex... neen: Er is alleen nog de Schrift en daarnaast het leven zelf, dat overeenkomstig de Schrift moet worden geleefd en overdacht. De Schrift alleen, waarin het geweten 'gevangen' is, is bron en norm van het christenleven, van zijn vrijheid èn van zijn plicht. (voor meer info over Luther: klik hier) Jean Cauvin (verlatiniseerd tot Johannes Calvinus > Calvijn) wordt op 10 juli 1509 geboren. Zijn vader is eerste notaris van het Domkapittel van Noyon en weet als zodanig vrij gemakkelijk voor zijn begaafde zoon geld (in de vorm van prebenden en beneficiën) los te krijgen om hem in staat te stellen in Parijs te gaan studeren aan het beroemde Collège de Montaigue waar hij op 19 jarige leeftijd zijn licentiaat in de 'vrije kunsten' behaalt. Overeenkomstig de wens van zijn vader (hìj wel) gaat hij rechten studeren in Orléans en Bourges. Doctor in de Rechten wordt hij in 1533. In zijn vrije tijd beweegt hij zich in humanistische kringen en ook zijn eerste publicatie ademt geheel de humanistische geest. Het handelt over De Clementia van Seneca. Onduidelijk is wanneer Calvijn precies 'protestant' is geworden. Het zal bij hem wel geleidelijk zijn gegaan, zeker ook omdat humanisme en reformatie lange tijd erg sympathiek tegenover elkaar stonden. In elk geval is het zo, dat zijn kerkelijke voorkeur rond de tijd van zijn afstuderen moet uitgekristalliseerd zijn, want op 1 november 1533 houdt de nieuwe rector van de Parijse universiteit en goede vriend van Calvijn, Nicolas Cop, zijn inaugurele rede voor het verzamelde hooglerarencorps en andere hoogwaardigheidsbekleders. De inhoud van deze redevoering is duidelijk evangelisch (= protestants) geïnspireerd en er worden impliciet een aantal door de paus veroordeelde opvattingen van Luther in verdedigd. Er dreigt een arrestatie en de rector moet vluchten. Calvijn vlucht met hem mee, want al gauw wordt bekend, dat hij degene is, die de redevoering van de rector voor het grootste deel heeft geschreven. De formele breuk met de roomskatholieke kerk komt er, wanneer hij in 1534 zich naar Noyon begeeft om zijn prebenden en hun opbrengst vaarwel te zeggen. Zonder inkomen leidt hij enige jaren een zwerversleven, preekt in kelders en grotten her en der in Frankrijk, tot een nieuwe vervolgingsgolf hem doet uitwijken naar Zwitserland. Onderwijl studeert hij als een bezetene theologie en publiceert de eerste editie van een werk van wereldhistorische betekenis voor het protestantisme: de Institutie, een eenvoudige in heldere en logische taal geformuleerde uiteenzetting van de christelijke leer. In een bijgevoegde brief, gericht aan koning Frans I, van Frankrijk vraagt hij om precies clementie voor de 'protestanten'. Tegen zijn zin wordt hij predikant in Genève en groeit daar uit tot één van de vooraanstaande leiders van de reformatie, m.n. uitblinkend in het bedenken van passende structuren voor de nieuwe kerk. Ook sticht hij daar een theologische academie, waar het 'kader' wordt gevormd voor de kerken van de reformatie in geheel Europa, Engeland, ja tot in Amerika toe. De Nederlandse hervormers als Petrus Datheen, Guido de Brès, Herman Moded en later ook Marnix van St. Aldegonde zijn op deze academie geschoold. Ook de hervormer van Schotland: John Knox en één van de opstellers van de Heidelbergse catechismus: Caspar Olevianus. Ik denk dat dit korte beeld van de twee belangrijkste reformatoren kan volstaan. Het zij duidelijk: Calvijn is een reformator van de tweede generatie, staande op de schouders van Luther, trekt hij voornamelijk lijnen door.
Hieronder vindt u een zeer beknopte weergave van enige verschillen tussen de Luther en Calvijn, die in de verdere traditie een rol hebben gespeeld. Het eerste trefwoord duidt de Lutherse, het tweede de Calvijnse positie aan.
  1. avondmaalsopvatting: Christus is lijfelijk aanwezig 'in, rond en met' het element (consubstantiatie: nauw verwant met de Roomse opvatting, behalve dat identificatie van de hostie met het lichaam van Christus op grond van het misoffer wordt afgewezen) <versus> De gelovigen delen in de weldaden van Christus door een 'geestelijk genietening' ervan met de mond des geloofs. Brood en wijn zijn een teken en zegel van de geschiede verzoening.
  2. ambten: De vormgeving van deze dingen zijn een bijzaak (ze behoren niet tot het wezen van de kerk); uiteindelijk is er maar één ambt: dienaar des Woords. De rest (bestuur, organisatie etc..) is over te laten aan de plaatselijke zede en gewoonte. <versus> ambten en kerkorde zijn wezenlijk voor de kerk. En de Schrift leert ons dat er vier ambten zijn, die tezamen het ene ambt van Christus uitbeelden en vormgeven: leraar, herder, ouderling, diaken. In onderlinge collegialiteit geven zij de kerk 'vorm'
  3. liturgie: Al wat niet uitdrukkelijk in de Schrift verboden is mag in de eredienst gebruikt worden tot eer van God (soli Deo gloria) ): altaar, kaarsen, beelden, orgel, misliturgie blijven bestaan en worden enkel 'gezuiverd' voor protestants gebruik. <versus> enkel wat de Schrift gebiedt mag (èn moet): Dit leidt tot de bekende calvinistische kaalheid, steilheid en soberheid in liturgie en kerkruimte.
  4. kerkorde: De godsdienstvrede (cuius regio, eius religio) in het Duitse land leidde tot een systeem van min of meer onafhankelijke landskerken (Landeskirchen) met territoriaal systeem <versus> volkskerken met presbyteriaal-synodaal systeem (kerkeraad -> classis > provincie > landelijke synode) Zo bijv. de Verenigde Protestantse Kerk in België (VPKB) en de Nederlandse Hervormde Kerk.
  5. theologie: De kern van de geloofsleer en de spiritualiteit is vanuit de Lutherse inzet sterk bepaald door een anthropologisch uitgangspunt (de mens centraal). Het kenmerkende 'dogma' is dat van de rechtvaardiging van de enkele mens door het geloof alleen <versus> Het Calvijnse theologische uitgangspunt ligt in de belijdenis van de (absolute) soevereiniteit van God in alles en allen. Hier komt de Godsregering die het individuele leven te boven gaat (bijv. in de politiek) in het vizier.

  6. de wet: Luther heeft het 'evangelie' sterk ervaring als een verlossing van de 'wet' (in geboden en inzettingen bestaande). Daarom benadrukt hij: De 'wet 'geldt niet in 't geloof, daar geldt slechts de liefde. Enkel de staat heeft nog met de 10 geboden te maken, in de kerk geldt het liefdegebod alleen (2-rijken leer) <versus> Voor Calvijn blijft de 'wet' een theologische factor van belang, ook binnen een evangelisch raam. Zij normeert het burgerlijk leven, is pedagogisch van belang, kortom: normatief voor het gehele leven, persoonlijk en publiek (theocratie).

Deze onderscheiden zijn echter relatief. In onze eeuw is er een wederzijdse erkenning gekomen, vervat in de "Leuenberger Konkordie", door de VPKB tijdens de synodevergaderingvan 1998 onderschreven en opgenomen in de gewoonteregels van de kerk.   Het woord 'protestant' heeft een nauwkeurig te bepalen herkomst. Het is geboren in 1529 (toen er nog geen sprake was van Calvinisme) toen er een zogeheten Protestation is uitgegaan vanwege een aantal hervormingsgezinde Duitse vorsten en steden ter gelegenheid van een rijksdag van de keizer te Spiers. De zaak zit zo: Luther was op de rijksdag van Worms (8 jaar daarvoor, 1521) in de ban gedaan, maar er was nadien toch nog wat speelruimte gebleven voor de hervormingsgezinde vorsten (Luther kon niet voor niks vluchten en onderduiken). Op de 2de rijksdag van Spiers in 1529 slaan de paus en de keizer echter de handen in elkaar en besluiten alle kleine vrijheden en mogelijkheden die tot dan toe oogluikend waren toegestaan voor hervormingsgezinde vorsten en steden te herroepen. De genoemde Protestation is tegen dìt besluit gericht. De Luthers gezinde vorsten en steden willen hun eigenheid en onafhankelijkheid bewaren, tegenover de paus, maar zeker ook tegenover de keizer. Ze willen niet buigen! Hier zien we een wezenlijke trek van alle latere protestanten(11): modern gezegd: Ze willen ontvoogde mensen zijn, ze pikken de onderdrukking niet, ze zijn geëmancipeerd. De vrijheid op alle terrein: geloof en leven, handel (!) en wandel. Van den beginne is dit aan zijn beeld verkleefd. In het volgende hoofdstuk zullen we dit concreet uitwerken.  
3. de protestant in de 16de eeuwse maatschappelijke context
De protestant als gelovige, als mens, past heel goed in de snel veranderende wereld van de 16de eeuw. De maatschappij was ontredderd, Europa werd verscheurd door talloze oorlogen en oorlogjes. De oude Middeleeuwse staatsstructuur met zijn welbepaalde rangen en standen was aan het verdwijnen. De steden eisten hun rechten op en wel m.n. de burgerij, de ambachtslieden en handelaars. De wereldzeeën waren nog maar net ontsloten. De handelsgeest was ontwaakt. Het ongekende, het nieuwe werd gezocht en aarzelend gevonden. De mentaliteit die in die wereld ontstond, waarin Antwerpen een toonaangevende rol vervulde, was de mentaliteit van het ontluikend handelskapitalisme. En vele van de handelaren in die dagen sympathiseerden mèt of waren protestant. En meer nog dan de Lutherse geloofsleer, paste de Calvijnse goed bij hen en bij hun belangen. Met deze sociologische verklaring wil ik de oprechtheid van hun geloof niet ontkennen, enkel een element van verklaring toevoegen. De protestanten in Antwerpen in de 16de eeuw waren namelijk niet zozeer arbeiders of werkvolk, maar vooral handelaars, winkeliers, ambachtslui, in één woord: burgers. In de metropool die Antwerpen toen was, vonden zij de ruimte om 'hun gang' te gaan, zich vrij te ontplooien op godsdienstig èn economisch gebied(12). Onder hen bevonden zich trouwens ook veel inwijkelingen uit het Zuiden, vaak ook werkzaam in handel of nijverheid en op de vlucht voor de toenemende repressie aldaar. Allemaal mensen trouwens, die ook voldoende opgeleid waren om de kritiek op de roomse kerk en haar bedienaars te kunnen begrijpen.
De belangstelling vanuit deze sociologische groep voor de leer van Calvijn is ook nog wel verder te verklaren. Calvijn heeft nl. op verschillende manieren hun grond onder de voeten gegeven en mogelijkheden geschapen voor hun leven en werk. Hij heeft bijv. het verbod op winstgevende geldhandel dat in de roomse kerk in theorie altijd was gehandhaafd, versoepeld door een onderscheid in te voeren tussen rechtmatige interest en onrechtmatige woeker. Daarmee schiep hij een basisvoorwaarde voor de nieuwe tijd, die zonder kapitaalmarkt niet denkbaar was. En de nieuwe stand van de vrije handelaars en burgers, die in de oude driestandenmaatschappij van Middeleeuwen niet paste, er nauwelijks mocht zijn en al enkele eeuwen (sinds de opkomst van de eigenlijk op zoek was naar 'erkenning', die mag er nu wel zijn, niet oogluikend, maar voluit. Calvijns' leer was modern, bij de tijd. Hij zelf was trouwens ook een mens van zijn tijd en vanuit een bepaalde optiek bezien kun je zijn theologie ook zien als een poging om theologisch in te gaan op de nieuwe tijd en daarin nieuwe wegen aan te wijzen. Renaissance en Reformatie zijn aan elkaar verwant. Maar de belangrijkste bijdrage van Calvijn is wel dat hij in het spoor van Luther de vrijheid van de mens voor God, die het evangelie schenkt, ook politiek heeft uitgewerkt. Bij Luther blijft ondanks alles de vrijheid een exclusief geestelijk begrip en hij bestrijdt de toepassing van dit begrip op de politiek. De uitgebuite en daarom opstandige boeren mochten zich van Luther niet op zijn leer beroepen. De geestelijke vrijheid moest zo groot zijn, dat de politieke, sociale en economische staat en stand er a.h.w. niets meer toe deden. Luther liet de politiek dus met rust, d.w.z. hij verdedigde de status quo. Als een vorst koos voor het protestantisme, dan was dat goed. Maar ook een slechte overheid moest men in geestelijke vrijheid verdragen, vond hij. In 1555 kon in de Duitse landen dan ook een religievrede worden getekend onder het motto: cuius regio, eius religio: De godsdienst van de vorst is die van zijn onderdanen.
Calvijn gaat verder. Hij laat de breuk van de reformatie ook door het maatschappelijke bestel lopen. De hele aardse werkelijkheid wordt doorlicht, afgebroken en vanuit de Schrift weer opgebouwd, tenminste dat probeert hij. Er moet een staatsorde zijn. Alle calvinistische geloofsbelijdenissen uit de 16de eeuw wedijveren a.h.w. met elkaar om de hoge plaats van de overheid te benadrukken, maar toch is alles anders geworden. Een theocratie stond Calvijn voor ogen, een Godsregering, een staatsbestel, waarin het gewone volk en de regenten samen in de kerk zitten en Gods Woord horen. In Genève heeft hij het geprobeerd, in Antwerpen is het ook geprobeerd. In de Noordelijke Nederlanden later ook. Het mòest geprobeerd. Alles moest immers onderworpen worden aan Gods wil. De uitverkorenen hadden het heil om niet ontvangen, maar hadden vervolgens wel tot taak om de wil van God waar zij maar konden uit te voeren en te doen uitvoeren, ook door de overheid. Daarvoor moest desnoods gestreden worden, ookal schrok Calvijn zelf voor deze consequentie terug, anderen trokken hem onbevreesd. En de kleine man was hierin niet minder dan de koning. Zij beiden stonden voor God immers gelijk. Gods uitverkiezing maakte geen onderscheid. Het zelfbewustzijn van de mens, zeker ook van de burger, kreeg door de nieuwe leer een enorme stimulans. Geen priester meer nodig om tot God te naderen, Niet automatisch is een koning bij de gratie Gods. Ook hij hoort het Woord te gehoorzamen. De republiek is denk ik de calvinistische staatsvorm pur sang. Een emanciperende trek is dit, die de geschiedenis van het protestantisme getekend heeft. De trots van de hugenoten in Frankrijk, de hoogheid van zelfbesef bij de Pilgrimfathers in Engeland, die liever dan onder het juk van de in hun ogen roomse liturgie van de Anglicaanse kerk, scheep gingen op weg naar de nieuwe wereld en alzo mede de basis legden voor het huidige Amerika. Ook een figuur als Oliver Cromwell, die met het zwaard Engeland streng protestantspuriteins wilde maken, is van deze wezenstrek van de protestant een mooi exempel. Toegepast op de ontluikende handelsgeest, verschijnt het beeld van de succesvolle zakenman, die hard werkt, niet voor zichzelf natuurlijk, maar tot Gods eer, zichzelf heiligend en strevend naar een heiliging van de samenleving op alle terreinen. En later in de tijd God dankend voor het succes. Want succes is een zegen, een uiterlijk teken van de innerlijke verkiezing. Een activisme is kenmerkend voor het calvinisme, een activisme, zonder welke de vrije ondernemingszin van het kapitalisme ondenkbaar is(13). Een karakteristiek couplet uit de morgenzang uit het 18de eeuwse Calvinistische psalmboek van de Nederlandse Hervormde of Gereformeerde Kerk luidt:

Dat wij ons ambt en plicht, o Heer,
getrouw verrichten tot uw eer;
dat uwe gunst ons werk bekroon';
uw Geest ons leid', en in ons woon'.


Ambt, plicht, werk, voorspoed (volgende couplet).... tot uw eer! We zien ze voor ons de Hollanders op de zeven zeeën, we zien voor ons hoe Amsterdam de rol van Antwerpen overneemt na de val van Antwerpen in 1585 en uitgroeit tot wereldhaven nr. 1. We zien Amerika groot worden gestempeld door een onevenaarbare handelszin en daadkracht, vol positief denken. Het heeft allemaal te maken met deze protestantse wortels. Dat ik dit niet uit mijn duim zuig moge een onafhankelijk getuige bevestigen: Montesquieu laat in zijn Lettres Persanes (1721) een Perzisch edelman naar de Westerse samenleving kijken en soortgelijke conclusie trekken(14).
"Voordat de de macht van Spanje terugliep waren de katholieken veel sterker dan de protestanten. Laatstgenoemden zijn langzamerhand met hen in evenwicht gekomen en de balans begint tegenwoordig naar hun zijde door te slaan. Dat overwicht zal steeds toenemen; de protestanten zullen steeds rijker worden en machtiger en de katholieken zwakker."
Vervolgens schetst hij dan hoe door een goed maatschappelijk en economische beleid in protestantse landen zowel landbouw als handel groeien, rijken èn armen rijker worden door hard te werken. In katholieke landen echter vloeit alles wat opbrengt weg in de zakken van de rijke edelen èn de kerk, die met hen samenspant. De rijken worden steeds rijker, de armen steeds armer. Een wat gechargeerd beeld misschien, maar met trekken van waarheid.  
 
4. de moderne protestant

Dan nu naar onze tijd:
Het zelfbewustzijn is gebleven. De Hollanders zijn na 5 eeuwen protestantisme niet van niets zo'n eigenwijs, betweterig, taalvaardig en moraliserend volkje geworden. Een protestant is zelfbewust, ook in België, want hij is bewùst protestant, of wordt het in de loop van zijn leven. Gewoontechristenen kent de protestantse kerk natuurlijk ook, maar de gemiddelde protestant heeft ooit gekozen en staat ervoor. Hij kan ook altijd min of meer verwoorden wat hij gelooft en wat niet. Hij wil de waarheid van zijn geloof weten of vinden. Geloven op gezag is hem altijd al moeilijk gevallen. Rationalisme en protestantisme horen passen trouwens goed bij elkaar, want door de enorme concentratie op 'het Woord' (Grieks: 'Logos => logica) wint het redeneren het nogal eens van de spiritualiteit in protestantse middens. Eenvoudige dogmatiekjes, ouderwets (catechismussen) of modern (Kuitert) doen het dan ook nog altijd goed.
Vervolgens kunnen we constateren, dat het protestantisme nog steeds emanciperend werkt. Het is in de protestantse traditie dat de vrouw het eerst kerkelijkambtelijk is gaan meespelen, niet zonder protest, maar toch. Het activisme: ook dat is gebleven, zij het minder opvallend, omdat dit activisme de hele Westerse samenleving is gaan doortrekken. Het valt gewoon minder op. De anticomtemplatieve moraal, vervat in de spreuk van een gesjeesde calvinist, maar toch issu de Calvin, Allard Pierson: werk!, mijmer niet... is gemeengoed geworden van heel de Westerse samenleving. Dat dit de wortel is van haar succes is onloochenbaar, dat het tegelijk een van de zwakste plekken van het protestantisme (en van onze samenleving) is, is mijn persoonlijke overtuiging. In zekere zin kun je namelijk stellen dat ten opzichte van de Middeleeuwse wereld, het protestantisme een secularisering is, een begin van ontkerstening zelfs. Onbedoeld, maar toch.
En als we daar dan nog de specifieke situatie van de protestanten in België bijnemen, dan wordt het beeld langzaamaan compleet: de protestant alhier behoort tot een minoriteit. Dit versterkt paradoxalerwijze zijn trots en besef van eigenheid. Tegelijk kan het misschien de gevoeligheid voor andere minderheden verklaren, tot uiting komend in een relatief goed en groot uitgebouwd diakonaal/sociaal werk. Voor een lid van een minoriteit klinkt 'recht' (iets om naar te verlangen, verlossend) anders dan voor een machthebber (iets om zijn eigen positie te handhaven, machtsmiddel). Dit geldt temeer voor een minderheid die weet wat het is om verdrukt te zijn geweest. Protestant in België word je dus uit overtuiging, niet omdat je daar iets mee kunt bereiken. Op dat terrein heeft de protestantse kerk niets te bieden, vroeger al helemaal niet, want je gooide er in dit zozeer roomse en verzuilde land maatschappelijk gezien je glazen mee in.
Een doorleefde en doordachte overtuiging leidt als vanzelf ook tot de laatste karaktertrek die ik zou willen noemen: de overtuigende, evangeliserende trek. Iemand die uit overtuiging voor een godsdienst kiest, wil ook anderen overtuigen. De vrije kerken (Belgisch Evangelische Zending, Pinkstergemeenten etc...) en de sekten (Jehovahgetuigen, Mormonen) zijn op dit terrein tegenwoordig meer actief dan de gevestigde kerken. Dit is een eigenaardige ontwikkeling, daar de meeste protestantse kerken over het algemeen zelf ook uit 'evangelisatie' zijn ontstaan. Met name in de tweede helft van de 19de eeuw zijn er overal nieuwe gemeenten gesticht. De 'Silozending' van ds. Nicolaas de Jonge (van Brussel) moet hier genoemd worden. De houding van deze 'evangelisten' was over het algemeen antirooms, zij het dat de besten onder hen wel degelijk wisten te onderscheiden tussen de individuele mens met zijn geloof en de clerus met de officiële leer. De parochies van de door overheid als 'eredienst' erkende Verenigde Protestantse Kerk in België (V.P.K.B.) brengen hun overtuiging tegenwoordig meer in diakonaal-sociale verpakking naar buiten en het liefst in oecumenisch verband.  
 
5. een slotopmerking als waarschuwing aan de lezer
Kerkgeschiedenis bedrijven, beschrijven en lezen, is een nuttige geestelijke oefening ook voor een protestant, want het maakt bescheiden. Het houdt een spiegel voor, die geukkig soms ook wel iets van een lachspiegel heeft. De eigenwijsheid en 'redelijkheid' (zowel in de betekenis van 'verbaliteit, gerichtheid op het 'woord', de 'rede' als van rationaliteit, fascinatie door het verstand, het begrijpen) van de 'protestant' is een opvallende karaktertrek. Ook het element van protest, vrijheidsmin en emancipatiedrang kleeft hem als wezenlijke eigenschap aan. Waarschijnlijk zijn deze twee zaken elkanders complement, waardoor de ondeugd een deugd gebaard heeft of vice versa. Of door deze kennismaking met de wereld van het protestantisme de 'minne' bij u, geachte lezer, is ontgloeid, valt buiten mijn waarnemingsvermogen, maar in elk geval kan het niet meer de onbekendheid zijn die hier onbemind laat. Rest mij nog om u te waarschuwen: De eerste protestant die u tegenkomt, nadat u dit boekje gelezen hebt, zal ongetwijfeld weer anders over zijn geloof spreken dan u op grond van dit geschrift zou hebben verwacht. Wanhoop dan niet, want juist dit bewijst dat hij een echte protestant is. Immers: 'de protestant' bestaat niet: Neem één protestant en je hebt een overtuiging. Neem er twee: je hebt een kerk. Zet er een derde bij en je hebt een scheuring... Het ga u wel!

voetnoten

1. In de stad Antwerpen (± 470.000 inwoners) zijn bij wijze van voorbeeld drie officiële protestantse kerken (V.P.K.B.) elk met een eigen predikant (Lange Winkelstraat 5, Bexstraat 13, Sanderusstraat 77). Op de zondagochtend verzamelen zich in deze drie kerken samen ong. 200 personen, op hoogdagen ± 500.  Als we de cirkel wijder trekken (d.w.z. iedereen in Antwerpen en omgeving die ooit protestants gedoopt is of van enige vorm van betrokkenheid heeft blijk gegeven) dan kunnen we dit laatste getal ongeveer vertienvoudigen en komen we op 5000 pertsonen.  Naast deze officiële protestantse kerken zijn er dan nog talloze vrije 'evangelische' gemeenten, 'Pinksterkerken' etc... Numeriek groeperen zij misschien wel meer volgelingen dan de officiële kerken (zo beweren ze toch zelf), maar hun onderlinge verdeeldheid is zo groot dat er niet van een georganiseerd alternatief voor de V.P.K.B.-kerken gesproken kan worden. Uitgenomen enige steden in Wallonië waar het protestantisme een grotere plaats in neemt en enige regio's waar het protestantisme nog zeldzamer is, kan deze verhouding geëxtrapoleerd worden naar heel België.
2. In Antwerpen kozen Luthers gezinde kooplieden zelfs vaak de kant van de roomsen als de Calvinisten hun macht ontplooiden en hun wil probeerden op te leggen aan het stadsbestuur. Ook bij de uitvoering van de 'bloedplakkaten tegen de ketters' werden de Luthersen ontzien. Het waren de arme en economisch niet zo belangrijke 'dopersen' die opgepakt en verbrand werden als er vanuit Brussel weer eens om toepassing van de plakkaten werd gevraagd.
3. Dit is chronologisch-historisch niet correct, (Oostende viel pas in 1602), maar psychologisch-historisch wel verantwoord, want toen Antwerpen gevallen was, was de 'veer' gebroken.
4. Bij de officiële herdenking in 1985 te Antwerpen werd deze term gehanteerd.
5. Dat deze unie van 'Nederland en België' mislukte is voornamelijk te wijten aan het feit, dat door een meer dan tweehonderdjarige scheiding de beide rijksdelen zeer ver uiteen gegroeid waren. Ook heeft zeker een rol gespeeld, dat koning Willem I door zijn absolutisme de liberalen van zijn rijk vervreemdde, door zijn taalpolitiek de verfranste toplaag niet mee kreeg en door zijn godsdienstpolitiek de Roomse geestelijkheid (+ een groot deel van het volk) tegen zich in het harnas joeg.
6. Gepubliceerd in het tijdschrift van het Centre de Recherches et d'Information socio-politique, CRISP. (te bestellen voor 350 BF bij het bureau van de VPKB, Marsveldstraat 5, 1050 Brussel (Le monde protestant en Belgique) of bij CRISP voor 500 BF, rue des congrès 35, 1000 Bruxelles (Courrier hebdomadaire, nr. 1430-1431-1994: Les protestants en Belgique)
7. Hussieten, naar Johannes Hus (eind 14de, begin 15de eeuw), professor aan de universiteit van Praag. Hij excerpeerde geschriften van John Wiclif (Engeland), wiens kritiek op de roomse kerk nog verder ging dan die van de Waldenzen omdat hij zich ook keerde tegen de aanspraken van het pausdom en de roomse sacramentsleer aanvocht. Het avondmaal moest ook onder 'beide gedaanten' (brood en wijn) worden bediend (utraquisten). Een nationalistische trek kenmerkt beide heren. Hus, die een groot demagoog was, wist heel Bohemen in rep en roer te brengen, zodat de Duitsers Praag moesten verlaten en te Leipzig een nieuwe universiteit stichtten. Na zijn protest tegen een nieuwe kruistocht en de aflaatprediking is hij in 1415 (concilie van Konstanz) veroordeeld en verbrand. Toch werd aan de met Rome verzoenden toch de communie van brood en wijn ook voor de leken toegestaan in Bohemen (de katholieke kerk was voor Trente diverser dan we vandaag denken). Zowel Wiclif als Hus zijn nationale helden geworden en de Hussieten zijn als Boheemse en Moravische broedergemeenten blijven voortbestaan tot na het aanbreken van de reformatie, ja tot op de huidige dag (m.n. in Tsjechië).
8. Deze leeropdracht, Lectura in Biblia, is Luther blijven vervullen tot het eind van zijn leven (1546), ook na de breuk met Rome en de daarbij behorende politieke en kerkelijke troebelen. De colleges over de Psalmen (1515/1516), de brieven van Paulus aan de Romeinen (1516/1517) en de Galaten (1517/1518), geven een prachtig beeld van hoe een aantal bijbelse inzichten (m.n. omtrent Gods gerechtigheid, de functie van boete van en berouw) zich langzaam aan Luther beginnen op te dringen en hem uiteindelijk brengen tot het protest tegen de wantoestanden in de kerk. Ook laten deze bijbelstudies heel mooi zien, dat de Schrift zichzelf uitlegt en dat het dus eigenlijk fout is om te stellen dat 'de reformatie het gezag van de Schrift centraal heeft gesteld in de kerk'. Subject en object moeten hier omgedraaid worden: De Schrift heeft zichzelf gezagsvol aangemeld in het centrum van de kerk middels het werk van de reformatoren.
9. Sommige historici betwijfelen of dit echt zó gebeurd is. Zij veronderstellen dat Luther de stellingen middels een brief aan de aartsbisschop van Brandenburg heeft gestuurd. Toen hij geen reactie kreeg, is de discussie begonnen. De sinds kort goed draaiende drukpersen en Luthers studenten zorgden voor een razendsnelle verspreiding van de stellingen over Europa.
10. H.A. Oberman, Luther mens tussen God en duivel, Kampen 1988, hoofdstuk VI
11. vgl. C.W. Mönnich, Vreemdelingen en bijwoners, Baarn 1980
12. zie voor deze gegevens: J. van Roey, De val van Antwerpen, 17 augustus 1585 voor en na, Antwerpen 1985 en A.K.L. Thijs, Van geuzenstad tot katholiek bolwerk, Brepols 1990
13. Calvijn zelf heeft in zijn geschriften trouwens, dat moet ook gezegd, nooit een soort kapitalisme verdedigd of uiteengezet. Zo oppervlakkig was hij niet. Calvijns denken is te genuanceerd en te diep om politiek ideologisch te worden. Allen hebben gezòndigd en derven de heerlijkheid Gods, zegt Paulus. Hij ziet dan ook met afschuw de egoïstische en materialistische levensstijl triomferen. Hij fulmineert in één van zijn commentaren hevig tegen de overmoed en de overmaat van de handelaren, m.n. in de grote steden. Hij ergert zich m.n. aan de twee grootse handelssteden uit zijn dagen: Aan Venetië stoort hem dat de handelaren menen dat ze alle vorsten -uitgezonderd de koningen- overtreffen en over Antwerpen is hem verteld - en hij kan er niet bij- dat zelfs winkeliers er niet voor terugdeinzen om uitgaven te doen die de rijkste edelen zich niet kunnen veroorloven". (geciteerd bij W.J. Bouwsma, Johannes Calvijn, De man en zijn tijd, Amsterdam 1991, blz. 72)
14. geciteerd bij C.W. Mönnich, Vreemdelingen en bijwoners, p. 13-14