JESU MEINE FREUDE
(Willem Barnard*)
Charles Wesley schreef eens een lied dat begon met deze vier regels:
Jesu, Lover of my soul,
let me to Thy bosom fly
while the nearer waters roll,
while the tempest still is high.
Het war in 1740 dat die strofe werd gepubliceerd en zij veroorzaakte veel deining. De storm ging inderdaad hoog, het tempeest der verontwaardiging en de wateren der discussie deinden van zware rollers en schuimende branding. Waar het om ging was vooral die aanhef: Jezus, minnaar van mijn ziel. Het woord 'lover' heeft onmiskenbaar een erotische klank en hetgeen in de tweede regel wordt gezegd, hedendaags vertaald: laat mij U om de hals vliegen, versterkt die indruk. Talloos zijn de pogingen geweest om die eerste regel te 'verbeteren'. Want men wilde wel die hymne behouden, maar de aanstoot wegnemen. Het werd: Refuge of my soul (dus: toevlucht) en natuurlijk, zo voor de hand liggend: Saviour of my soul (heiland, redder), maar iedereen met enige smaak en oren aan zijn hoofd zal moeten toegeven dat dit het soort welmenend vervelend geknoei is waar iets dat leeft mee wordt om zeep gebracht. Wesley zelf schijnt zich niet te hebben laten gelden, misschien was hij mild en wijs (wat wij schrijvers tegenwoordig niet meer zijn), misschien kon hij het oog er niet op houden (van hem waren duizenden liederen in omloop, meer dan van Salomo geschreven staat in I Koningen 4 vs. 32) maar het meest waarschijnlijk is, dat men toendertijd eenvoudig andere ideeën had over het recht van een auteur op zijn eigen teksten, of liever gezegd: men kende nog geen auteursrecht. Iedereen kon er mee rondsollen als een schrijver iets had uitgegeven.
Zo'n regel 'Jesu, Lover of my soul' is natuurlijk in al zijn eenvoud subliem, persoonlijk van toon, warm en overtuigend.
In dezelfde sfeer ligt de openingsregel van Johann Francks lied over de mystieke liefde: Jesu meine Freude. Men kan bij die woorden nog twijfelen of er geen koele beheerste toewijding bedoeld wordt, een soort ethische opgetogenheid of een blij idealisme, maar nee, het lied blijkt een woeste lyrische kracht te hebben, het heeft de toon van een gonzende cello, het is helemaal barok, getourmenteerd, theatraal, vooral levend als een vuur. Men moet bij barok dikwijls denken aan vuur, grillige vormen van lekkende vlammen, voortdurend in beweging. Natuurlijk, is er ook veel koud vuur bij, maar zoals het klassicisme iets van een bevroren waterval heeft, zo heeft de barok overeenkomst met een uitslaande brand. Mij is dit in elk geval liever dan het weloverwogen uitgebalanceerde gezangvers waarop iedereen zijn vingerafdruk heeft achtergelaten in de gezamenlijke ijver om het vooral kerkelijk en theologisch vlekkeloos te maken!
Boutens sprak van het 'bleke denken', er zijn heel wat teksten verbleekt door bloedverlies, omdat de keur- en heelmeesters hun heil (en dat van ons) zochten in aderlatingen. In de tijd van Franck waren het de orthodoxe Lutheranen die Jesu meine Freude ongepast vonden. Misschien kantten zij zich niet eens zozeer tegen het lied als zodanig, men was in die tijd niet bang voor wat vurigheid en levendige beeldspraak. Het ging er veeleer om, dat dit lied te lyrisch, te moeilijk en te bewogen werd geacht voor de publieke eredienst.
Nu kwam het inderdaad van huis uit niet uit de kerk, maar uit het theater. Althans, het kwam uit een boek met aria's; in 1641 was er in Koningsberg, Oost-Pruisen, een boek verschenen van een zekere Alberti, 'Arien', waarvan er een begon met
Flora meine Freude,
meiner Seelen Weide...
De alliteratie van Flora met Freude maakt die beginregel allercharmantst, maar toen Johann Franck ervan maakte
Jesu meine Freude,
meines Herzens Weide...
kreeg die aanhef een kracht van bijna grimmige hartstocht. Ik kan die eerste strofe nog niet lezen zonder de hitte van een waar liefdeslied op mij te voelen overslaan. Het heeft een plaats bij de minnepoëzie der grote mystieken, een Juan de la Cruz, een Hadewych. Maar het heeft ook, ondanks de afwerende bedachtzaamheid die het aanvankelijk ontmoette, zijn plaats veroverd bij de geliefde kerkgezangen. Want het is helemaal een lied, een gedicht om te zingen en wel degelijk om te zingen waar een gemeente bij elkaar komt. Het 'ik' uit de tekst breidt zich uit tot een kring, het plooit zich om onze enkelheden als een mantel der liefde. En, het is onmiskenbaar, van deze verliefdheid is in de christelijke poëzie altijd sprake geweest sinds de beeldspraak van de bruiloft en de bruidegom, van de bruid en haar verlangen, voor het eerst werd aangeheven, ik meen toch door een apostel. Het zou te gek zijn als wij deze legitieme lijn, omdat het ons in een voorbijgaande voorstellingswereld met bijbehorende taalmode niet zint, lieten verzanden.
En toch is er nu net zo goed als ten tijde van Wesley en Franck, in de 18e subs. 17e eeuw, grote weerzin tegen zulke liefdespoëzie. Het is te weinig de verantwoorde taal van een hedendaagse geloofsgemeenschap Dat is dan blijkbaar door de eeuwen heen het geval geweest en eigenlijk steeds met hetzelfde argument: te lyrisch, te persoonlijk, teveel een minnelied. Ook het verzet tegen zo'n lied, hoe modern het zich voordoet, heeft al een eigen traditie! De redenering kleedt zich dan wel telkens in andere taal, maar toch, in al die wisseling van kerkelijke mode's, modi en modaliteiten, blijft voortdurend herkenbaar de neiging om het bleke denken en het dode spreken in de plaats te zetten van een poëzie die de warmte, de vurigheid, misschien de koorts (en dan ook de koortsvisioenen) van het bloed heeft.
En het bloed is evenzeer menselijk als the little grey cells dat zijn.
Daarmee trouwens, met die little grey cells, loste M. Poirot tal van problemen op, maar het interieur van zijn flat, vertelt Agatha Christie ons, zag er uit als een meetkunde-boek. En ik mag hartelijk hopen, dat ons komende kerkboek, dienstboek, liederenboek boeiender zal zijn. Dat het de mythologie en de mystiek bevatten zal waarbuiten ik niet leven, liefhebben en geloven kan. Dat er voor mij evenals voor de evenwichtigen en constructieven, de nodige ademruimte zal blijven. Want er moeten uitkijkposten in hun kraaienesten zijn, maar ook zieners. Er moeten ijverige boden zijn die in Beth-El de ladder op en neer gaan, maar er moet ook zo nu en dan een Jacob onderaan liggen te dromen.
Bij de dromers en de zieners behoren de mystici. Het mag een angstdroom zijn bij tij en ontij, het mogen 'vertrekkingen van zinnen' zijn; verrukkingen worden in eenzaamheid doorleefd en aan de gemeente te verstaan gegeven. Als die gemeente daarmee geen verstandhouding meer zou willen hebben, verstopt zij een van de bronnen waaruit ze leeft.
Hoe je dan ook hierover denkt, lieve lezer, er zijn altijd mensen geweest die zo'n lied als dit liefdeslied graag zongen. Ik ben wat dat betreft in een bont gezelschap. Johann Crüger behoort er toe, die de prachtige zangwijs maakte bij Francks lied en Czaar Peter die het in het russisch liet vertalen en alleen hierom wat mij betreft al Peter de Grote mag heten. En J. W. Schulte Nordholt die de Nederlandse vertaling schreef. Een zeer goede vertaling die ons het lied nabij brengt.
Ik denk wel, dat er veel predikanten zijn die wekelijks de preektoonladder op en af klauteren alsof ze engelen in Beth-El waren (en misschien zijn ze het wel), maar die van zo'n derde strofe:
Oude slang wat raast gij?
Muil des doods wat blaast gij?
Wereld, raas en tier,
vrees die mij wil dwingen
hoor ik sta te zingen
onbekommerd hier.
duizelig worden. Want dat is nu net méér dan de vertrouwde preektoon, het is ongetwijfeld een soort grootspraak, het is apocalyptische rhetoriek van iemand die als dromende door de muur van het normale heengaat.
Ook in dit opzicht is het pur sang barok. En het is maar de vraag of juist in onze tijd die barok niet een nieuwe kans maakt op verstaanbaarheid en een nieuw recht van spreken heeft. Ik weet wel, de menigten zingen zo'n lied niet graag. Zulke barok noopt niet tot spontaan meedoen. Op instemming van de meerderheid hoeft Franck nu niet te rekenen. De meerderheid van stemmen zal zich veeleer tegen zijn lied verheffen. De branding van protest ertegen ruist geweldig. Maar gek genoeg is het aldus juist in zijn element, dit lied met zijn tederheid, zijn bulderend gefluister, zijn hese hartstocht. Wesley sprak ook in één adem van 'Lover of my soul' en van een springvloed bij vliegende storm. Je zeg zulke dingen niet als je gewiegd wordt in het evenwicht van je gelijk of je geluk en je zegt ze evenmin als je met ferme tred op weg bent naar je werk. Je zegt ze als je ziek van liefde bent, als je alleen bent en wankelt tegen de wind in. Het is een lied, dit minnelied, dat een stem opzet van verlangend geweld en geweldig verlangen, om de afgronden uit psalm 42 te woord te staan. Zijn rhetoriek is het soort stemverheffing dat men opzet tegen zijn eigen angst, tegen de oervloed die uit de sluizen van de afgrond omhoog komt in je eigen ziel. Je zingt zoiets niet uit overmaat van vertrouwen, maar uit gebrek eraan. Het is poëzie die je fluit in het donker. Het zijn woorden die je in een 'panel' niet gebruikt, maar in paniek wel.
En daarom zijn ze voor mij geschreven, want in panels zul je mij niet vaak aantreffen, in paniek wel. Wat is het zingen van zo'n lied anders dan je eigen stem niet meer horen op het randje van het strand? Inderdaad:
While the nearer waters roll,
while the tempest still is high.
Versta mij wel, ik zeg niet dat er geen andere gezangen moeten zijn dan zulke piëtistische stormvogels, ik zeg alleen dat er niet alleen andere moeten zijn. Niet alleen liederen die met meerderheid van stemmen gezongen kunnen worden, ook liederen die bijna terugwaaien in je mond. Of zo'n gezang nu piëtistisch is en of het piëtisme nu veel kwaad gedaan heeft, wat wist Franck daarvan. En wat heb ik er mee te maken als ik de stem van een echte dichter herken over drie eeuwen heen?
Johann Franck werd als zoon van een advocaat in 1615 te Guben, Brandenburg, geboren. Hij studeerde rechten en werd in zijn geboorteplaats burgemeester toen hij 43 jaar oud was.
Zijn wereldlijke poëzie is vrijwel vergeten, zijn kerkliederen leven voort sinds ze in 1674 werden uitgegeven onder de verzameltitel 'Geistliches Sion'. In 1677 is Franck te Guben overleden. Van zijn gezangen zijn vooral bekend geworden 'Schmücke dich, o liebe Seele' (Evangelisches Kirchengesangbuch no. 15.7), 'Jesu meine Freude' (ib. no. 293) en 'Herr Gott, dich loben wir' (ib. no. 393).