WIJ OUDERLINGEN BLIJ VAN GEEST...
(vrij naar Vondel)
(Willem Barnard*)
Een ouderling is iemand die op een bankje zit. In Vlaanderen is dat een bankje in het park, in Nederland een kerkbank. Want in het zuiden van ons taalgebied betekent ouderling nog steeds wat het van huis uit is: een bejaard mens, iemand die al een dagje ouder is. Maar binnen onze landsgrenzen is het woord verkerkelijkt: het is op hoger, maar ook smaller plan geheven. Ouderling is iemand die oud genoeg is geworden en wijs genoeg wordt geacht om leiding te geven in de kerk.
Dit is een zeer ouderwetse gedachtengang, die uitgaat van de opvatting: ervaring telt. Men meende vroeger immers, dat voor mensen hetzelfde geldt als van goede wijn; gerijpt en belegen, na heel wat winters, krijgen mens en fles meer smaak. Wat zo woest jong is moet eerst uitgisten. Hoe ouder hoe fijner. Een bestoft fust is des te meer kostelijk. Dat was in de tijd dat er nog geen cola werd gedronken en het woord frisdrank terecht nog niet bestond.
In die tijd sprak men ook graag ietwat plechtig over 'ouden van dagen'. Een eretitel die in Daniël 9 tot driemaal toe van Godzelf wordt gezegd. Geen wonder dat iemand 'die al wat ouder is' dan in ere wordt gehouden. Presbuteros, al wat ouder, zegt het grieks van de aposteltijd. Zo iemand kon rekenen op gehoor. Hem werd in synagoge en gemeente de leiding toevertrouwd. Hij werd 'presbyter'. Als 'priester' leeft dat griekse woord verbasterd nog in onze taal. Maar de Statenbijbel koos liever de zuiver Nederlandse term 'ouderling'. Zo iemand kon vooraan zitten en hoefde niet achteraf te staan. De kerkbank naast de kansel, het voorgestoelte, was voor een 'ouderling'. Maar buiten op het plein, op de stoepjes van de huizen langs de straat, in de plantsoenen zaten ook ouderlingen.
In Vlaanderen zitten ze er nog.
In Nederland niet meer. Bij ons hebben we 'scheiding van kerk en straat' gekregen. Al hebben de Statenvertalers dat niet bedoeld. Die wilden juist aangeven, dat 'priesters' gewone mensen zijn, maar wel mensen met levenservaring, lang genoeg onderweg om zich de vleespotten te heugen, met manna vertrouwd te zijn en de voorsmaak van melk en honing te kennen.
In onze tijd spreekt men met een afgrijselijke term van 'vijf-en-zestig-plussers'. Alsof het ging om een soort bijzonder volvette kaas. Nu kan kaas goed smaken bij de wijn waarover ik het al eerder had, maar dit ligt mij toch bitter in de mond.
Het is trouwens onthullend, dat wij dit modewoord, dit vette scheldnaampje, in onze omgangstaal toelaten. Want het maakt de leeftijd van 65 jaar tot een drempel. Als je daar overheen bent, sta je buiten*).
Tot voor kort lag de drempel net aan de andere kant. Met 21 jaar was je volwassen. Het was de drempel van de ingang. Je stapte binnen in de kring. Die drempel was hoog, de andere niet. De eindstreep was niet aangegeven. Nu is het andersom: een voordeur is er niet meer, je hoeft niet te wachten in een portaal, maar achter de andere drempel wacht het bejaardentehuis. Er zijn zelfs geen stoepjes meer. Dat betekent overschatting van de jeugd en onderschatting van de ouderdom. Jeugd is 'in', ouderdom 'uit'. Wij hebben de eerbied verlegd, de kroon is afgenommen van het grijze haar, de goede wijn wordt niet meer gelauwerd. En weliswaar behoeft die goede wijn geen krans, maar het is toch op zijn minst onheus, dat we hem de krans niet eens meer gunnen.
Onheus, onhoofs? Ach nee. Het is geen kwestie van wellevendheid, wellevenskunst. Het is in feite een zaak van religie. Altijd wordt eerbied bewezen waar openbaring wordt vermoed.
En onze wereld verafgoodt nu eenmaal het blote feit van de vitaliteit. Daarom krijgen wij overal om ons heen de foto's te zien die dat blote feit belichamen. Het zijn de nieuwe technische ikonen van een oeroude religie. Wij fêteren het feit dat we er zijn. En naarmate we ons meer en meer bedreigd voelen vieren we die eredienst gretiger, gulziger, brutaler. Het is alsof heel een wanhopige cultuur met een wulpse zucht celebreert wat Pepys zo nuchter in zijn dagboek schreef: and so to bed. Het is een orgasme van jeugd en dat is heel wat anders dan blijdschap om de morgen van het leven. Het is veeleer een haastige roes voor de nacht valt.
De enige rijpheid die nog de moeite waard wordt geacht is de geslachtsrijpheid. En dat verklaart de overschatting van de jeugd als levensfase. Naakte lijven moeten glad en jong zijn. Wanneer het criterium van vitaliteit een en al wordt heeft jeugd een geur van heidense heiligheid. Het leven houdt op met veertig en mag tweedehands nog een kwart eeuw mee. Weliswaar proberen politici het dan nog lang vol te houden maar macht schijnt het orgasme van de ouderdom te zijn. Waartegen dan de jonge mensen weer in opstand komen. Met recht. En zo krijgt een en ander de schijn van een sociale kwestie, ten hoogste een crisis van de cultuur.
Maar het problem stijgt daar bovenuit: het is een collaps in de religie. Omdat men de openbaringsoriëntatie verlegt wordt de jeugd religieus vereerd.
Deze glorificatie van de jeugd miskent de jonge mensen. Ze kunnen immers niets meer worden omdat ze alles al zijn. En ze zijn dat op louter biologische gronden. Ze zijn slachtoffer omdat ze worden verafgood.
Onze cultuur heeft daarin iets vampierachtigs, zij voedt zich met het bloed en de ziel van die verheerlijkte jeugd. De tiener is het moderne totemdier. Op vermoeden van goddelijkheid wordt hij opgegeten door wie hongeren en dorsten naar levenselixer.
G. B. Shaw heeft gezegd: jeugd is iets prachtigs; wat jammer dat alleen de jongeren het krijgen. Hij werd overigens voorspoedig over de negentig. Maar het is waar, met iets van heimwee wordt, ook in de kerk waar men toch beter moest weten, over 'de jongeren' gesproken. Het woord krijgt haast iets priesterlijks. Het zou, als kerktaal niet zo taai was, in de plaats kunnen komen van 'presbuteros', oudere. Het ambt van jongere verdringt het ambt van ouderling. Er is misschien een theoloog die er wat in ziet.
In de bijbel, overigens, wordt noch de ouderdom, noch de jeugd verheerlijkt. Geen enkele leeftijd. Er zijn ook geen drempels. Of het moest zijn de intrede tot de gemeente van wie bar-mitswah, zoon van de opdracht wordt. Zoals geschreven staat van Jezus. Wie dat verhaal in Lukas 2 goed leest en dan niet begint bij vers 39 maar al eerder, bij vers 25, vindt er twéé leeftijden vermeld. Die van Jezus en die van Anna, de profetes.
De twaalfjarige Jezus was nog een kind. Toch had hij intrede gedaan en sprak hij reeds mee.
En de profetes was hoogbejaard. Niettemin sprak zij nog mee, nu meer dan ooit eerder.
Dit laat ons zien, dat onze fout tweezijdig is. Niet alleen de bejaarden worden buitenspel gezet, maar ook de kinderen. Waar de geslachtsrijpheid stilzwijgend als de beslissende factor wordt erkend vallen kinderen en grijsaards af. En zo is het in feite. Er wordt voor kinderen en bejaarden veel gedaan, maar hun plaats is niet meer binnen onze wereld, alleen ter zijde. Onze verkeerswegen zijn op oude mensen en jonge kinderen niet berekend en dat is tekenend. Ze mogen op de stoep meedoen, niet op de pleinen en in de straten, zulks in strijd met de profetie (Zacharia 8 vss 3-5) en met het evangelie.
In de synagoge en aan de seidertafel thuis in het Joodse gezin had van oudsher de kinderstem een eigen taak. Het kind Jezus sprak mee. Daarna nam hij toe in wijsheid. Dat ook. Maar in het kapittel Lukas 2 staat geboekstaafd: een 84-jarige had recht van spreken en een 12-jarige. En dat is meer dan van onze kerken gezegd kan worden. De tempel had wel drempels maar hij was geen ghetto voor 'hen die midden in het leven staan'. Kinderen en grijsaards waren er thuis. Aan weerskanten van de volwassenheid strekken zich vleugels uit die tot het volledig menszijn behoren. Zonder die vleugels blijft het maar een beperkt bestaan, een bekrompen blik. Niet 'het ganse land tot aan de achterste zee'!
Dat wijde uitzicht is bij uitstek aan hen voorbehouden die 'nog niet groot zijn' of reeds gebogen van ouderdom.
*) Je kunt dan ook na je vijf-en-zestigste tegenwoordig... geen 'ouderling' meer worden!