Gezang 265

     

Jerusalem, my happy home / Jeruzalem mijn vaderstad

[up]

Vooraf: Ik was niet van plan over dit gezang veel te schrijven. Het dicht-plezier spat ervan af, zowel van het Engelse origineel als van Barnards vrije herdichting. De beelden tuimelen over elkaar en bij Barnard gebeurt dat in een "tweede naïviteit", d.w.z. Barnard is zich bewust dat het beelden zijn en dat de taal die ze spreken een eigen zeggingskracht heeft. Kortom, een heerlijk hemels lied. Maar helaas: In 2016 viel Tom Mikkers (niet als eerste en ook niet als laatste) over het couplet waarin Barnard de laatsten de eersten laat worden in het Nieuwe Jeruzalem: 'de negers met hun lofrompet, de Joden met hun ster' dicht hij daar. Het n-woord mag niet (meer). En Mikkers haalde alle kranten en talkshows (BNN-Vara) met z'n oproep om 'de negers met hun loftrompet' uit het Liedboek te halen. U kunt het nalezen op Nieuwwij, het heeft hem naast veel media-aandacht ook vast veel likes opgeleverd. Het lied heeft het gelukkig overleefd. Maar toen las ik de "zuinige tekst' op kerkliedwiki. Vandaar deze uitgebreide pagina.... [update, In 2020 laaide de discussie weer op. Inmiddels is de kerkliedwiki-pagina aangepast en gaan de kinderen van Willem Barnard mee in een zuiveringsvoorstel, zij het met een wrang gevoel n.a.v. de actie van ds. Mikkers.1 ]

 

 

Eerst iets over het originele lied en wat Willem Barnard (de dichter/berijmer) zegt over wat hij ermee gedaan heeft. Oh ja, zijn berijming stond al in De tale Kanaäns (1963). Dit jaartal toch misschien toch ook even meenemen bij een historisch-kritische beoordeling van de voorbeelden en de termen. Je doet je het verleden geen recht door het op het procrustesbed van de morele standaarden van vandaag te leggen. In Roosendaal (Gld) waar hij predikant was in die dagen werd het lied gezongen op een dubbelmelodie (a en b, die ook samengezongen kunnen worden: ab) van de hand van de locale cantor Evert Egberts (noot van Barnard bij dit lied in "Verzamelde liederen"). Ik heb die melodie nergens terug kunnen vinden. Hierdoor groepeert het lied zich in 7 blokken van 3 coupletten. Barnard prefereerde deze melodie (en de bijbehorende zangwijze) boven de melodie van het liedboek.

 

ORIGINELE LIED: Jerusalem my happy home

Het originele manuscript van de oudst bekende versie (ca. 1580) bevindt zich in British Museum, en heeft als opschrift; “A song made by F. B. P. to the tune of DIANA.” De auteur is onbekend, maar hoogstwaarschijnlijk een rooms-katholieke geestelijke die zich bij dit lied baseerde op een een eulogie op het Nieuwe Jeruzalem, zoals opgenomen in het vrome en wijdverspreide (rkg en prot) geschrift Meditationes Sancti Augustini. In dit boek staan teksten en gebeden van diverse auteurs, soms terecht maar meestal ten onrechte toegeschreven aan Augustinus. De spiritualiteit is minstens evenzeer die van Bernardus van Clairvaux of van de Victorijnen.[2] Hier lezen we bijv in hoofdstuk XXV.:  Mater Hierusalem, Civitas Sancta Dei ... Felix anima mea, semperque felix in saecula, si intueri meruero gloriam tuam, beatudinem tuam. [de tekst in het Latijn en Engels, kunt u hier lezen]. De oorspronkelijke 26 strofen zijn in 1601 verkort tot 19 strofen en gepubliceerd als The Song of Mary the Mother of Christ - with the description of heavenly Jerusalem (Londen, 1601). De carrière kon beginnen en er is geen einde aan de vele selecties/variaties van dit lied. Het wordt in het Engels meestal op een tamelijk volkse melodie gezongen: https://youtube.com/watch?v=Ns8wxQPA-_c

Het lied van Barnard is duidelijke geïnspireerd op dit lied, maar gaat even duidelijk ook eigen wegen, m.n. om het algemene begrip 'heiligen' wat te moderniseren. Hij zelf schrijft erover in het Compendium bij het Liedboek voor de Kerken:

 

WILLEM BARNARD over zijn berijming/bewerking

Gezang 265 (Uit het Compendium, kolom 628-629)

 

Engelse gezangenboeken schrikken niet terug voor een behoorlijk aantal liederen, ze zijn niet eenkennig en nemen ook graag teksten op die aan of over de grens van het leesgedicht liggen, ze zijn soms hartelijk scheutig als het gaat om volledigheid. Soms zou men wensen een Engelsman te zijn, een zoon van het land waar de litteratuur wordt gewaardeerd. Zo vond ik in het mooie boek Congregational Praise de volledige tekst (26 strofen) van het laat-middeleeuwse lied ‘Hierusalem my happie home’. In Hymns as Poetry, an anthology compiled by Tom lngram en Douglas Newton (Constable, London, 1956) is de oorspronkelijke tekst te vinden die overigens alleen in schrijfwijze verschilt van Erik Rousley's redactie in Congregational Praise. 
Het is, zo meldt het opschrift ‘A song made by F.B.P. to the tune of Diana’. Dichter en zangwijs zijn onbekend. Maar het lied spreekt voor zichzelf. Het is in al zijn argeloosheid een ontroerend gedicht, dat spreekt van het heimwee dat alle gelovigen eigen is, verlangen naar Jeruzalem, dat wil zeggen: een waarlijk menswaardig bestaan. De angelsaksische boer heeft gehoord van de wonderbaarlijke weelde die kruisvaarders thuis uit Byzantium beschreven. De tekst getuigt van verrukte verbazing om zoveel oriëntaalse weelde, zeldzame kruiden, Byzantijns snoepgoed ... !

Deze verrukking, zo eenvoudig en welsprekend tevens, is niet meer waar te maken. Wij zijn geen middeleeuwers meer! Maar een andere mogelijkheid staat open: wij kunnen dit lied over Jeruzalem ombuigen naar de bijbel toe. Openbaring 21 en 22 geven een visioen van ‘het nieuwe Jeruzalem’ en wij doen de dichter van Hierusalem my happie home geen onrecht als we van zijn tekst afwijken naar de Schrift toe. Te licht wordt het speelse van de middeleeuwse tekst Spielerei; te groot is de verleiding in kunstmatigheid te vluchten, wanneer de oprechte naïeviteit ontbreekt. Sophistication doesn 't pay!

Daarom heb ik de Engelse tekst als bron van inspiratie met gepaste vrijmoedigheid misbruikt en vooral aan het slot eigen wegen gezocht! Tenslotte ben ik op eenentwintig strofen uitgekomen.

[...]

In de oorspronkelijke tekst wordt gezinspeeld op de legende dat ‘Saint Ambrose’ en ‘Saint Augustine’ samen in beurtzang het ‘Te Deum’ geïmproviseerd zouden hebben. Ook worden ‘old Simon and Zachary’ genoemd: de twee van wie, mèt het ‘Magnificat’ van Maria, lofzangen in het evangelie van Lucas staan. En er wordt gesproken van ... :

 ... blessed Saints whose harmony

in every street does sing’

Elke straat nl. van het nieuw Jeruzalem!

Bij het vertolken van het oude Engelse lied in hedendaags Nederlands heb ik Ambrosius getipt als auteur van het ‘Te Deum’, Simeon en Zacharias vermeld samen met Maria, Gregorius ingevoegd vanwege het Gregoriaans, Johannes genoemd die tenslotte in de Apocalyps één grote hymne (de lofzang van het Lam Gods, dw) heeft nagelaten, en voorts ‘the blessed Saints’ breedvoerig uitgewerkt op een manier die de vier eeuwen overbrugt waardoor wij van F.B.P. gescheiden zijn! Mijn strofen 18, 19 en 20 parafraseren het simpele ‘gezegende heiligen’ van de oorspronkelijke tekst. De tekst in het Liedboek is geheel gelijk aan die welke al in De Tale Kanaäns stond (blz. 107).

W.B.

 

 Geraadpleegde bronnen:

- Dictionary of Hymnology (ed. John Julian), volume I - zeer uitgebreide en trefzekere historisch- en literair-kritische analyse van dit lied - met z'n vele varianten.

- Compendium bij het Lieboek voor de Kerken bij gezang 265
Een uitvoering van een deel van dit lied kunt u beluisteren op https://youtube.com/watch?v=zoRtYUf9fXI&t=1345s

 

Het lied (Engels - Nederlands)

 

Jerusalem, my happy home

Jerusalem, my happy home,
when shall I come to thee?
When shall my sorrows have an end?
Thy joys when shall I see?

O happy harbor of the saints!
O sweet and pleasant soil!
In thee no sorrow may be found,
no grief, no care, no toil.

In thee no sickness may be seen,
no hurt, no ache, no sore;
there is no death nor ugly devil,
there is life for evermore.

Nodampish mist is seen in thee,
no cold nor darksome night;
there every soul shines as the sun;
for God himself gives light.

There lust and lucre cannot dwell;
there envy bears no sway;
there is no hunger, heat, nor cold,
but pleasure every way.

Jerusalem, Jerusalem,
God grant that I may see
thine endless joy, and of the same
partaker ay may be!

Thy walls are made of precious stones,
thy bulwarks diamonds square;
thy gates are of right orient pearl;
exceeding rich and rare;

thy turrets and thy pinnacles
with carbuncles do shine;
thy very streets are paved with gold,
surpassing clear and fine;

thy houses are of ivory,
thy windows crystal clear;
thy tiles are made of beaten gold--
O God that I were there!

Within thy gates nothing doth come
that is not passing clean,
no spider's web, no dirt, no dust,
no filth may there be seen.

Aye, my sweet home, Jerusalem,
would God I were in thee:
would God my woes were at an end,
thy joys that I might see.

Thy saints are crowned with glory great;
they see God face to face;
they triumph still, they still rejoice
most happy is their case..

We that are here in banishment
continually do mourn:
we sigh and sob, we weep and wail,
perpetually we groan.

Our sweet is mixed with bitter gall,
our pleasure is but pain:
our joys scarce last the looking on,
our sorrows still remain.

But there they live in such delight,
such pleasure and such play,
as that to them a thousand years
doth seem as yesterday.

Thy vineyards and thy orchards are
most beautiful and fair,
full furnished with trees and fruits,
most wonderful and rare.

Thy gardens and thy gallant walks
continually are green:
there grow such sweet and pleasant flowers
as nowhere else are seen.

There is nectar and ambrosia made,
there is musk and civet sweet;
there many a fair and dainty drug
is trodden under feet.

There cinnamon, there sugar grows,
there nard and balm abound.
What tongue can tell or heart conceive
the joys that there are found?

Quite through the streets with silver sound
the flood of life doth flow,
upon whose banks on every side
the wood of life doth grow.

There trees for evermore bear fruit,
and evermore do spring;
there evermore the angels be,
and evermore do sing.

There David stands with harp in hand
as master of the choir:
ten thousand times that man were blessed
that might this music hear.

Our Lady sings Magnificat
with tune surpassing sweet,
and all the virgins bear their part,
sitting at her feet.

There Magdalen hath left her moan,
and cheerfully doth sing
with blessèd saints, whose harmony
in every street doth ring.

Jerusalem, my happy home,
would God I were in thee!
Would God my woes were at an end
thy joys that I might see!
Gezang 265

1 Jeruzalem, mijn vaderstad,
mijn moederhuis, wanneer
zal ik u zien zoals ge zijt,
de bruid van onze Heer?

2 Daar is geen pijn en geen verdriet,
geen afgunst en geen nijd,
en angst en armoe zijn er niet
maar altijd vrolijkheid.

3 Daar is geen zon, daar is geen maan,
geen mist, geen duisternis,
maar 't licht komt van de troon vandaan
waar de Messias is.

4 En zeker is geen ziekte daar,
geen ongeluk, geen dood,
geen boze duivel, geen gevaar
en geen gebrek aan brood.

5 God geve mij, Jeruzalem,
dat ik eens op een dag
een pelgrim aan uw poorten ben
en dat ik binnen mag.

6 Daar zijn de muren transparant,
de deuren parelmoer,
de sterke plaatsen diamant,
zilver en goud de vloer.

7 De huizen zijn er van ivoor
met vensters van kristal,
o mocht ik maar die deuren door,
dan wist ik alles al!

8 De heiligen staan in het licht
en kijken honderd uit
van aangezicht tot aangezicht
met God en met zijn bruid.

9 Jeruzalem, die grote stad,
mijn God was ik er maar
op 't vrolijk heilig huwelijk
een van de gasten daar.

10 Want hier is alle zoet vermengd
met gal en bitterheid,
geluk wordt altijd weer gekrenkt,
hoe nijpen schuld en spijt!

11 Maar daar is leven een en al
verrukking en plezier
en duizend jaren zijn er als
de dag van gist'ren hier.

12 De stroom des levens vloeit maar aan,
de straten in en uit
waarlangs de hoge bomen staan,
het groene levenskruid.

13 En engelen zitten op een rij
als vogels in een boom,
de vreugde gaat er nooit voorbij,
het is als in een droom.

14 Daar groeit het graan, daar rijpt de wijn
voor iedereen te geef
als nectar en als ambrozijn
waarvan men eeuwig leeft.

15 David is daar met harp en al,
koormeester van de stad,
Maria, denkend aan de stal,
zingt het magnificat;

16 Simeon heft zijn lofzang aan,
Mirjam en Hanna zijn
bij alle vrolijkheid vooraan
met trom en tambourijn.

17 Te Deum zingt Ambrosius
en alle vaders mee,
Johannes en Gregorius,
zingen laudamus te.

18 En Luther zingt er als een zwaan
en Bach, de grote Bach,
die mag de maat der eng'len slaan
de lieve lange dag.

19 De negers met hun loftrompet,
de joden met hun ster,
wie arm is, achteropgezet,
de vromen van oudsher,

20 van alle kanten komen zij
de lange lanen door,
het is een eindeloze rij,
de kinderen gaan voor.

21 Jeruzalem, mijn vaderhuis,
mijn moederstad, wanneer
zal ik u zien? Wij zijn op reis
naar u en naar de Heer!

Liedboek voor de Kerken 1973

 

 

 

Meditationes Sancti Augustini, caput XXV

Voor de echte liefhebbers: de tekst uit de 'Meditationes' (Pseudo-Augustinus). hoofdstuk 25 (Engelse vertaling van G. Stanhope, wat ouderwets maar prima leesbaar - editie 1818, p. 59-64 - ongeveerd parallel met de Latijnse tekt, die u kunt vinden in Migne' Patrologia Latina, 40 [aan het slot van de werken van Augustinus, afdeling 'auteurschap omstreden']. Meer over dit zeer invloedrijke pseud-epigrafische boekje in de voetnoot onderaan de pagina


CAPUT XXV. Coeli ardens desiderium. Coeli gloria et gaudia. CHAPTER. 25. The pious Soul’s Desire of Heaven.
Mater Ierusalem, civitas sancta Dei, charissima sponsa Christi, te amat cor meum, pulchritudinem tuam nimium desiderat mens mea. Quam decora, quam gloriosa, quam generosa tu es! Tota pulchra es, et macula non est in te. Exsulta et laetare, formosa principis filia, quia concupivit rex speciem tuam, et amavit decorem tuum speciosus forma prae filiis hominum. Sed qualis est dilectus tuus ex dilecto, o pulcherrima? Dilectus tuus candidus et rubicundus, electus ex millibus (Cant. V, 9, 10) . Sicut malus inter ligna sylvarum, sic dilectus tuus inter filios. Sub umbra illius quem desideravi, ecce laetus sedeo: et fructus eius dulcis gutturi meo (Id. II, 3) . Dilectus tuus misit manum per foramen, et venter meus intremuit a tactu eius (Id. V, 4) . In lectulo meo per noctem quaesivi dilectum tuum, quaesivi, et inveni eum (Id. III, 1) : teneo, nec dimittam eum, donec introducat me in domum tuam, et in cubiculum tuum, gloriosa genitrix mea. Ibi enim dabis mihi dulcissima ubera tua (Id. VII, 12) abundantius et perfectius, et saturabis me satietate mirifica, ita ut nec esuriam, neque sitiam in aeternum. Felix anima mea, semperque in saecula felix, si intueri meruero gloriam tuam, beatitudinem tuam, pulchritudinem tuam, portas et muros tuos, plateas tuas, mansiones tuas multas, nobilissimos cives tuos, et fortissimum regem tuum Dominum nostrum in decore suo.

Muri namque tui ex lapidibus pretiosis, portae tuae ex margaritis optimis, plateae tuae ex auro purissimo, in quibus iucundum alleluia sine intermissione concinitur. Mansiones tuae multae quadris lapidibus fundatae, sapphyris constructae, laterculis aureis coopertae; in quas nullus ingreditur immundus, nullus habitat inquinatus. Speciosa facta es et suavis in deliciis tuis, mater Ierusalem. Nihil in te tale, quale hic patimur, qualia in hac misera vita cernimus. Non sunt tenebrae in te, neque nox, aut quaelibet diversitas temporum. Non lucet in te lux lucernae, aut splendor lunae, vel iubar stellarum; sed Deus de Deo, lux de luce, sol iustitiae semper illuminat te; Agnus candidus et immaculatus, lucidus et pulcherrimus, est lumen tuum. Sol tuus, claritas tua et omne bonum tuum, huius pulcherrimi Regis indeficiens contemplatio. Ipse Rex regum in medio tui, et pueri eius in circuitu eius. Ibi hymnidici Angelorum chori, ibi societas supernorum civium. Ibi dulcis solemnitas omnium ab hac tristi peregrinatione ad tua gaudia redeuntium. (0920) Ibi Prophetarum providus chorus, ibi iudex Apostolorum numerus, ibi innumerabilium martyrum victor exercitus, ibi sanctorum Confessorum sacer conventus, ibi veri et perfecti monachi, ibi sanctae mulieres, quae voluptates saeculi et sexum infirmitatis vicerunt; ibi pueri et puellae, quae annos suos moribus transcenderunt. Ibi sunt omnes oves et agni, qui iam huius voluptatis laqueos evaserunt. Exsultant omnes in propriis mansionibus. Dispar gloria singulorum, sed communis est laetitia omnium. Plena et perfecta ibi regnat charitas; quia Deus est omnia in omnibus (I Cor. XV, 28) , quem sine fine vident, et semper videndo in eius ardent amore. Amant et laudant, laudant et amant. Omne opus eorum, laus Dei, sine defectione, sine labore.


Felix ego, et vere in perpetuum felix, si post resolutionem huius corpusculi audire meruero illa cantica coelestis melodiae, quae cantantur ad laudem Regis aeterni ab illis supernae patriae civibus, beatorumque spirituum agminibus. Fortunatus ego nimiumque beatus, si et ego ipse meruero cantare ea, et assistere regi meo, Deo meo, duci meo, et cernere eum in gloria sua, sicut ipse polliceri dignatus est dicens, Pater, volo ut quos dedisti mihi, sint mecum; ut videant claritatem meam quam habui apud te ante constitutionem mundi (Ioan. XVII, 24) ; et alibi, Qui mihi ministrat, me sequatur, et ubi sum ego, illic et minister meus erit (Id. XII, 26) ; et iterum, Qui diligit me, diligetur a Patre meo, et ego diligam eum, et manifestabo ei me ipsum (Id. XIV, 21) .

O HEAVENLY Jerusalem! Our common mother, the holy city of God, you beautiful spouse of Christ, my soul has loved you exceedingly, and all my faculties are ravished with your charms. O what graces, what glory, what noble state appears in every part of you! Most exquisite is your form, and you alone are beauty without blemish. Rejoice and dance for joy, O daughter of my king, for your Lord himself, fairer than all the sons of men, has pleasure in your beauty (Psa 45.11). But what is your beloved more than another beloved, O you fairest among women? My beloved is white and ruddy, the best among ten thousand (Song 5.9, 10). As the apple-tree among the trees of the wood, so is my beloved among the sons. I sat down under his shadow with great delight, as his fruit was sweet to my taste (Song 2.3). By night on my bed I sought him whom my soul loves, I sought him and found him (Song 3.1). I hold him fast, and will not let him go, till be brings me into his house, into the secret places of his tabernacles. O glorious metropolis! There shall you give the children your breast, and so fill me with the plentiful communication of your pleasures, that I shall never hunger again, nor thirst anymore.  O how happy will my soul perceive itself when it is admitted to see your glory, your beauty; to view the gates, the walls, the streets, the stately buildings, the splendor of your inhabitants, and the triumphant pomp of your king enthroned in the midst of you!

 

For your walls are of precious stones, and your gates of pearl, and your streets of pure gold, continually resounding with loud Hallelujahs. Your houses are founded upon hewn square stone, carried up with sapphire, covered in with gold, and no unclean person can enter into you, no manner of pollution can abide within your borders. Sweet and charming are your delights, O holy mother of us all. Subject to none of those vicissitudes and interruptions which abate our pleasures here below. No successional of night and day, no intervals of darkness, no difference of seasons in their several courses. Nor is the light derived from the same artificial helps or natural luminaries as ours; no lamps or candles, no shining of the moon or stars, but the God of God, and light of light, even the sun of righteousness shines in you; and it is the white immaculate Lamb who enlightens you with the full lustre of his majesty and beauty (Rev 21.23). Your light and glory, and all your happiness, is the incessant contemplation of this divine king; for this King of kings is in the midst of you, and all his host are ministering around about him continually. There, are the melodious choirs of angels; there the sweet fellowship and company of the heavenly inhabitants; there the joyful pomp of all those triumphant souls who from their sore trials and travels through this valley of tears, at last return victorious to their native country. There the goodly fellowship of prophets whose eyes God opened to take a prospect of far distant mysteries. There the twelve leaders of the Christian armies, the blessed apostles; there the noble army of the martyrs; there the convention of confessors; there the holy men and women, who in the days of their flesh were mortified to the pleasures of sin and the world; there the virgins and youths, whose blooming virtues put out early fruits, and ripened into piety far exceeding the proportion of their years. There the sheep and lambs, who have escaped the ravening wolf, and all the snares laid for their destruction. These all rejoice in their proper mansions; and though each differs from others in degrees of glory, yet all agree in bliss and joy, diffused to all in common; and the happiness of every one is esteemed each man’s own. For there charity reigns in its utmost perfection, because there God is all in all — whom they continually behold, and beholding, they continually admire, and praise and love, and love and praise without intermission, without end, without weariness, or distraction of thought. This is their constant, their delightful employments.

 

 

And O how happy I shall be, how exquisitely, how incessantly happy if, when this body crumbles into dust, I am entertained with that celestial harmony, and hear the hymns of praise to their eternal king, which troops of angels, and saints innumerable, are ever singing in full consort! How happy to bear a part with them myself, and pay the same tribute to my God and Saviour, the author and the captain of my salvation! To behold his face in glory, and be made partaker of those gracious promises, of which he has given me the comfortable hope, when saying to his Father, I will, that those whom you have given me, be with me where I am, that they may behold the glory which I had with you before the world was (Joh 17.5, 24). And again, supporting his disciples against the tribulations they encounter here below, If any man loves me, let him follow me, and where I am, there shall my servant be also (Joh 12.26). And in another place, He that loves me shall be loved by my Father, and I will love him, and will manifest myself to him (Joh 14.21).


 


 

noot 1: In "Trouw" (5 augustus 2020) verscheen een telefonisch verkregen reactie van zoon Benno Barnard over de taal-zuivering: “Je moet natuurlijk niemand met een woord willen kwetsen. Dat vonden wij ook. 'Jeruzalem mijn vaderstad’ is een prachtig lied met een schitterende melodie. Mijn vader bewerkte het oude lied in de jaren zestig, in de tijd dat Martin Luther King en iedere fatsoenlijke Amerikaan een zwarte burger negro noemde. Neger in het Nederlands, dat was het normale woord. De gevoelswaarde is verschoven, zwarte mensen vinden dat aanstootgevend. Daar moeten we rekening mee houden, al zullen Nigeriaanse christenen die bedreigd worden door Boko Haram er niet wakker van liggen.” ... En iets verderop: 'En toch zit de kwestie u niet lekker. Had dominee Mikkers niet weer over de kwestie moeten beginnen?' “Hij heeft voorgesteld om het lied weg te gooien. Voor hem speelt schoonheid en theologische kwaliteit kennelijk geen rol, hij is alleen bezig met zijn eigen morele hoogstaandheid. Maar wat ik hem het meeste kwalijk neem, is dat voor mensen die mijn vader niet kennen, de suggestie zou ontstaan dat er iets racistisch zou kleven aan dat lied of aan hem. “Je weet hoe slecht mensen lezen. En dan heb je het over een man die zat te huilen voor de radio toen Martin Luther King was vermoord en die zestig jaar lang op het joodse karakter van het Nieuwe Testament heeft gewezen.”  [terug]

noot 2 NEDERLANDS: Het betreft hier een Pseudo-Augustijnse compilatie van verschillende vrome verhandelingen, bekend onder de titel Meditationes Sancti Augustini, Soliloquiorum animae ad deum en Manuale de aspiratione hominis ad Deum. De geschiedenis van dit uiterst succesvolle boekje (eerst in manuscript, dat spreekt voor zich) begint bij anonieme compilators, die in 12e en 13e eeuw uit verschillende bronnen teksten samenbrachten. De voornaamste: De Confessiones van Augustinus, maar ook meditaties en beschouwend-devotionele werken van Hugo van St. Victor, Anselmus, Bernardus van Clairvaux, Jean de Fécamp en Florilegia uit Isidorus van Sevilla. De inspiratie (voor de zelf-reflexieve stijl van Pseudo-Augustinus) komt uit de Confessiones en een vertrowudheid met Augustinus' Sololoquiainnnerlijke zelfgesprekken in zijn 'jeugdwerk' de Soliloquia.
ENGLISH: It concerns a Pseudo-Augustinian compilation of different pious treatises. It travelled under the title Meditationes Sancti Augustini, Soliloquiorum animae ad deum, and Manuale de aspiratione hominis ad Deum. Its history begins with the 12th and 13th-century anonymous compilers who worked from a number of sources, including Augustine's Confessiones, as well as meditations and contemplative and devotional works by Hugo of St. Victor, Anselmus, Bernardus of Clairvaux, Jean de Fécamp and Florilegia from Isidorus of Sevilla. The sources of the pseudo-Augustinian compilation descent from the Confessiones and a direct engagement with Augustine’s earlier discourses of interiority in the Soliloquia