Basisinformatie over de islam
“Historisch-wetenschappelijk gezien is de beschikbare informatie over de persoon en het leven van Mohammed en de begintijd van de islam niet echt betrouwbaar, want ze is zonder uitzondering afkomstig van volgelingen van de profeet en van de feiten gescheiden door een tijdsspanne van ongeveer 100 jaar”.
Dit klinkt erger dan het is. Ook van Jezus geldt iets dergelijks. Alle info over hem is afkomstig uit het milieu van zijn volgelingen, zij het dat de Evangeliën wel dichter op zijn dood volgen (30-70 jaar) dan de eerste biografie van Mohammed (ca. 120 jaar na zijn dood gedicteerd in Bagdad door Ibn Ishaq). Probeert u maar eens het leven van uw overgrootouders te reconstrueren uitsluitend werkend met mondeling overgeleverde ooggetuigenverslagen. Hoe onderscheid je dan feit van fictie? Toch is er een cruciaal verschil: de mondelinge overlevering en de memorisatie van verhalen stond in hoog aanzien in die tijd. Alhoewel: ook correct overgeleverde verhalen kunnen nog altijd verzonnen (of opgesmukt, of aangevuld) zijn. Sterker nog: Je kunt eigenlijk geen ‘objectieve feiten’ vertellen zonder ze in ‘verhaalvorm’ te gieten en dus te interpreteren. Hoe gaan moslims daarmee om?
De meeste islamologen zitten tussen deze twee extremen in. Zij houden het erop dat bijna nooit onomstotelijk te bewijzen valt wat er precies in het verleden is gebeurd, laat staan dat men de intentie van de handelingen kan achterhalen. Wel kan men met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zeggen, dat er iets is gebeurd. In de vroege islamitische literatuur staan uiteenlopende versies van bijvoorbeeld de slag bij Badr. Maar dàt die slag is gevoerd, betwist niemand. Ook hier heeft de Historikerstreit gelijkenis met eenzelfde gevecht dat in de [18e,] 19e en 20e eeuw rond de ‘historische Jezus’ heeft plaatsgevonden. Een overzichtswerk uit revisionistische hoek, dat in de titel en in enkele opstellen ook de link legt naar de bekende studie van Albert Schweitzer, Die Geschichte der Leben Jesu Forschung (1906), is van de hand van Ibn Warraq (ed.), The Quest for the historical Muhammad (2000). De meest extreme posities zijn ingenomen, tot en met de ontkenning dat er ooit een Mohammed/Jezus heeft geleefd (NB: voor de duidelijkheid: beide hebben geleefd, maar vanwaar, wat, hoe, en waartoe… daarover gaan de wegen al snel uiteen). Een echte consensus ontstaat er niet (kan niet), maar de posities convergeren wel naar een soort ‘minimum-biografie’. Zeer respectvol voor de gelovige opvattingen en tegelijk wetenschappelijk is het boek van Rachid Benzine, Le coran explicqué aux enfants (2013, ook in het Nederlands vertaald). Lees hier een interview met de auteur).
Iedereen kan over koran, hadith, Mohammed en wat de islam is geworden, meedenken omdat het altijd gaat om het recht-doen aan zoveel mogelijk sporen, indicaties, en gegevens tegelijk, èn in het besef dat het merendeel van de feiten nooit gekend zal zijn. Altijd zal men dus ook andere opties open moeten houden. Historische narratieven blijven ‘constructies’, maar dat geeft niet. De mens zelf (of ‘het zelf van de mens’) is ook een narratief construct, d.w.z. wij ontdekken wie wij zijn door ons levensverhaal te (her-)vertellen, zowel individueel als collectief.