Friedrich van Hardenberg (Novalis) 1772-1801

[artikel (licht bewerkt) J.W. Schulte Nordholt (Compendium bij het Liedboek, 1973, col. 1039-1041]
naar aanleiding van gezang 455: Wenn ich ihn nur habe en zijn dichter.

tekst (Novalis) en vertaling (Schulte Nordholt, Albert Verwey)
lied van Franz Schubert (met Dietrich Fischer-Dieskau)

— Verwey's vertaling van 12 geestelijke liederen van Novalis op een aparte pagina
— gezang 218 Ik zeg het allen dat Hij leeft
— gezang 454 Waar zou ik zonder u geweest zijn  (herstelde tekst van Jan Wit - Ministeriale - met twee extra coupletten uit het Liedboek 2013 )

 


Onze kerkmuziek is beklagenswaardig... Dat was de mening van Friedrich von Hardenberg (beter bekend onder zijn dichtersnaam: Novalis). Hij besloot zelf wat aan die treurige toestand te doen. Grootgebracht in een milieu van piëtisme kende hij het belang van gezangen zeer goed, maar hij vond dat die stroming (incl. hun liedproductie) ontaard was in moralisme. Anderzijds waren er de rationalistische gezangendichters van zijn tijd (Gellert, Klopstock, Lavater). Het is uit verzet tegen hun werk, dat hij het plan opvatte zelf gezangen te schrijven. De vijftien geestelijke liederen die hij schreef zijn weliswaar niet als een eenheid ontstaan, zoals wel is gedacht, maar de bedoeling om er een poëtisch Christendom mee te stimuleren is toch de wezenlijke achtergrond van alle. De directe aanleiding tot het schrijven schijnt een brief van de vriend van de dichter Friedrich Schlegel te zijn geweest die hem schreef dat hij moest bedenken dat het Christendom een godsdienst van de dood. Die gedacht sprak hem als dichter van Hymnen an die Nacht zeer aan. Vandaar dat hij niet kon weerstaan aan het appèl dat Schlegel op hem deed: ,,Wenn Du doch Deine Ansichten, die Du über das Christentum hast, einmal in einem Brennpunkt sammeln wolltest! Vielleicht bist Du der erste Mensch in unserm Zeitalter, der Kunstsinn für den Tod hat." ('Als jij nu eens je opvattingen over het christendom in één brandpunt zou samenbrengen! Wellicht ben jij de eerste mens in ons tijdperk, die gevoel heeft voor de kunst van de dood.')

Een moderne lezer zal deze aansporing misschien wat onwerkelijk in de oren klinken, maar Novalis was een dichter die als het ware een dagelijkse omgang had met de dood. Het is waarschijnlijk dat hij de eerste geestelijke liederen schreef, zo heeft Heinz Ritter aangetoond, toen hij in het voorjaar van 1799 een bezoek had gebracht aan het graf van zijn gestorven geliefde Sophie von Kühn (met wie hij verloofd was, maar die op 15-jarige leeftijd was gestorven). Het is het geloof in de opstanding dat hem daarbij bezielde. Wat de vorm van zijn geestelijke liederen betrof wilde hij zeer nauw aansluiten bij het traditionele kerklied. En hoe practisch zijn bedoelingen waren blijkt wel uit het opschrift dat hij aan zijn liederen meegaf toen hij ze in januari 1800 aan Schlegel stuurde als bijdrage voor het blad Athenäum: Meinen Liedern gebt die Aufschrift: Probe eines neuen geistlichen Gesangbuches. ('Proeve van een nieuw geestelijke gezangboek')
Maar terwijl sommige van zijn liederen inderdaad zo algemeen van toon waren dat zij, ondanks hun persoonlijke instelling, tot algemeen aanvaarde gezangen konden worden, bleven andere zo vervuld van de eigen ervaring dat ze nooit gezongen zijn. Op één blad b.v. schreef Novalis aan de ene kant een lied over zijn gestorven geliefde, die hij aan de hand van Christus als in een verschijning zag ("Unter tausend frohen Stunden"), terwijl aan de andere kant het lied genoteerd stond, dat wij hier in ons gezangboek opgenomen hebben: "Wenn ich Ihn nur habe" (Als hij maar van mij is (Liedboek gezang 454) — of Als ik hem maar kenne, hem de mijn weet NHBundel 1938, gezang 223). Ook dit lied heeft een persoonlijk accent, maar in de gezangboeken blijkt dit nauwelijks omdat de derde en vierde strofe vrijwel steeds, ook in onze vertaling, zijn weggelaten. Wat er over is is zo simpel, zo teder en helder tegelijk dat het alom populair is geworden, niet het minst bij de componisten, want het is wel twintigmaal getoonzet, o.a. door Franz Schubert.


Het is, aldus een kenner van het werk van Novalis, eigenlijk een uitzonderlijk stuk, in zijn hele dichtwerk is er niets vergelijkbaars te vinden. De diepe Beruhigtheit und Geborgenheit, die aus diesem Liede strömt, ist für Novalis ungewohnt. Sie muss aus den Gründen seines Wesens stammen und macht eher den Eindruck einer Ur-Erinnerung als den einer gegenwärtig gemachten Erfahrung."In elk geval mogen wij zeggen dat in dit lied Novalis gerealiseerd heeft wat hij eigenlijk bedoelde toen hij zijn geestelijke liederen begon en wat hij zelf als volgt onder woorden bracht. In de meeste liederen van Lavater zit nog "zuviel Moral und zuviel Irdisches - zu wenig Asketik. Zu wenig Wesentliches Mystik. Die Lieder müssen weit lebendiger, inniger, allgemeiner und mystischer sein." Het is een paradoxaal programma dat hij met die woorden formuleert, levendig en toch innig, algemeen en toch mystiek zou het ware kerklied moeten zijn, zegt hij. En het zijn precies die eigenschappen die ons gezang zo groots hebben gemaakt, die bewerkt hebben dat het lied van de romantische enkeling het lied kon worden. van de christelijke gemeente.
Litteratuur:
F. Hiebel, Novalis, der Dichter der blauen Blume, München 1951, S. 204-237;
H. Ritter, Die geistlichen Lieder des Novalis. Ihre Datierung und Entstehung. Jahrbuch der deutschen Schillergesellschaft IV, 1960, S. 308-342;
id., Der unbekannte Novalis, Friedrich von Hardenberg im Spiegel seiner Dichtung, Göttingen 1967, S. 135-159.
J.W.S.N
✩✩✩

J.W. Schulte Nordholt (1973)
Novalis (ca. 1800)
Albert Verwey (1913)
Als Hij maar van mij is
en ik ben van Hem,
als ik, tot de dood nabij is,
luister naar zijn trouwe stem,
heb ik niets te lijden,
leef ik in een vroom en stil verblijden.
Wenn ich ihn nur habe,
Wenn er mein nur ist,
Wenn mein Herz bis hin zum Grabe
Seine Treue nie vergisst:
Weiß ich nichts von Leide,
Fühle nichts, als Andacht, Lieb’ und Freude.
Als maar hij de mijne is,
Ik hem in mij weet,
Als tot daar waar doods ravijn is
Nooit mijn hart zijn trouw vergeet,
Blijft geen leed dat heugde,
Voel ik niets als vroomheid, liefde en vreugde.
Als Hij maar van mij is
laat ik alles staan,
wil ik enkel zijn waar Hij is,
volg ik Hem waar Hij zal gaan.
Mij is om het even
heel het lichte, luide, aardse leven
Wenn ich ihn nur habe,
Lass’ ich alles gern,
Folg’ an meinem Wanderstabe
Treugesinnt nur meinem Herrn;
Lasse still die Andern
Breite, lichte, volle Straßen wandern.
Als maar hij de mijne is
Wensch ik mij niets meer;
Volg ook waar de weg woestijn is,
Leunende op mijn staf, mijn Heer;
Laat getroost de velen
Breede lichte volle straten deelen.

Wenn ich ihn nur habe,
Schlaf’ ich fröhlich ein,
Ewig wird zu süßer Labe
Seines Herzens Flut mir sein,
Die mit sanftem Zwingen
Alles wird erweichen und durchdringen.
Als maar hij de mijne is
Slaap ik blij en vroom,
Zoete laving als van wijn is
Eeuwig mij zijns harten stroom;
Die met zacht bedwingen
Alles zal doorweeken en doordringen. 

Wenn ich ihn nur habe,
Hab’ ich auch die Welt;
Selig, wie ein Himmelsknabe,
Der der Jungfrau Schleier hält.
Hingesenkt im Schauen
Kann mir vor dem Irdischen nicht grauen.
Als maar hij de mijne is
Wordt me elk ding vertrouwd;
Zooals knaap op hemelplein is
Die der Jonkvrouw sluier houdt,
Ziende in zalig schouwen,
Kan mij de aardsheid langer niet benauwen. 
Waar Hij maar van mij is
is mijn vaderland.
Zie hoe Hij alom nabij is
met de gaven van zijn hand.
Broeders lang verloren
vind ik weer in wie aan Hem behoren.
Wo ich ihn nur habe,
Ist mein Vaterland;
Und es fällt mir jede Gabe
Wie ein Erbteil in die Hand;
Längst vermisste Brüder
Find' ich nun in seinen Jüngern wieder.
Waar maar hij de mijne is
Is mijn vaderland.
Al het aardsche, of 't groot of klein is,
Valt me als erfdeel in de hand;
Broeders, lang verloornen,
Vind ik nu weer als zijn uitverkoornen.

gezang 454 (Liedboek 1973). Ik heb de oorspronkelijke vertaling van Jan Wit van vers 1 (Ministeriale, 1966) weer in ere hersteld, en de twee coupletten uit het Liedboek 2013 terplekke ingevoegd)

Jan Wit (1966)
Novalis (ca. 1800)
Albert Verwey (1913)

Waar zou ik zonder U geweest zijn,
waar zonder U gebleven zijn?
Steeds zo er doodsangst in mijn geest zijn
en in mijn lichaam levenspijn.
Een grauwe mist zou om mij hangen.
Ik werd, door angsten opgezweept,
ten prooi aan walg en wild verlangen,
in ’s levens maalstroom meegesleept.

Een diepe nacht zou mij omvangen
waarna geen blijde morgen daagt.
Ik werd verteerd door wild verlangen,
door 's levens maalstroom weggevaagd.
Ik zou alleen zijn, van het heden
en van de toekomst ongewis.
Wie kan er aarden hier beneden
als er geen open hemel is?

Maar Christus gaf mij taal en teken
en ik ben zeker van zijn stem.
De nacht is voor het licht geweken,
het grond'loos lot krijgt zin door Hem.
Nu word ik mens, herkrijg mijn vrijheid
bij water, woord en brood en wijn,
omdat ik weet van zijn nabijheid
waar twee of drie vergaderd zijn.







[= laatste regels van vorige couplet]


Gaat uit in wegen en in velden
en breng verdwaalden bij ons thuis.
Reikt hun de broederhand en meldt hun:
De Koning noodt u in zijn huis'.
Door het geloof zien wij het ware:
de eeuwigheid vervult de tijd.
En iedereen mag dat ervaren
die Christus' naam met ons belijdt.



















Godlof, een Heiland, een bevrijder,
vol liefde‿en macht heeft ons gered.
De Mensenzoon werd onze leider
en heeft ons hart in vlam gezet.
Toen ging voor ons de hemel open,
oorsprong en doel, zo ongedacht.
Geloven konden wij en hopen.
Wij wisten ons van Gods geslacht.










Nog blijft, door stralend licht omschenen,
de heilige beminde‿ons bij.
Zijn bitter lijden doet ons wenen,
zijn hoge liefde maakt ons vrij.
Al wie met ons zijn hand wil grijpen
is welkom, vriend en bloedverwant.
Zijn hartenbloed doet allen rijpen
tot vrucht van ’t hemels vaderland.

Was wär ich ohne dich gewesen?
Was würd' ich ohne dich nicht seyn?
Zu Furcht und Aengsten auserlesen,
Ständ' ich in weiter Welt allein.
Nichts wüßt' ich sicher, was ich liebte,
Die Zukunft wär ein dunkler Schlund;
Und wenn mein Herz sich tief betrübte,
Wem thät' ich meine Sorge kund?

Einsam verzehrt von Lieb' und Sehnen,
Erschien' mir nächtlich jeder Tag;
Ich folgte nur mit heißen Thränen
Dem wilden Lauf des Lebens nach.
Ich fände Unruh im Getümmel,
Und hoffnungslosen Gram zu Haus.
Wer hielte ohne Freund im Himmel,
Wer hielte da auf Erden aus?

Hat Christus sich mir kund gegeben,
Und bin ich seiner erst gewiß,
Wie schnell verzehrt ein lichtes Leben
Die bodenlose Finsterniß.
Mit ihm bin ich erst Mensch geworden;
Das Schicksal wird verklärt durch ihn,
Und Indien muß selbst in Norden
Um den Geliebten fröhlich blühn.

Das Leben wird zur Liebesstunde,
Die ganze Welt sprüht Lieb' und Lust.
Ein heilend Kraut wächst jeder Wunde,
Und frey und voll klopft jede Brust.
Für alle seine tausend Gaben
Bleib' ich sein demuthvolles Kind,
Gewiß ihn unter uns zu haben,
Wenn zwey auch nur versammelt sind.


O! geht hinaus auf allen Wegen,
Und holt die Irrenden herein,
Streckt jedem eure Hand entgegen,
Und ladet froh sie zu uns ein.
Der Himmel ist bey uns auf Erden,
Im Glauben schauen wir ihn an;
Die Eines Glaubens mit uns werden,
Auch denen ist er aufgethan.

Ein alter, schwerer Wahn von Sünde
War fest an unser Herz gebannt;
Wir irrten in der Nacht wie Blinde,
Von Reu und Lust zugleich entbrannt.
Ein jedes Werk schien uns Verbrechen,
Der Mensch ein Götterfeind zu seyn,
Und schien der Himmel uns zu sprechen,
So sprach er nur von Tod und Pein.

Das Herz, des Lebens reiche Quelle,
Ein böses Wesen wohnte drinn;
Und wards in unserm Geiste helle,
So war nur Unruh der Gewinn.
Ein eisern Band hielt an der Erde
Die bebenden Gefangnen fest;
Furcht vor des Todes Richterschwerdte
Verschlang der Hoffnung Ueberrest.

Da kam ein Heiland, ein Befreyer,
Ein Menschensohn, voll Lieb' und Macht
Und hat ein allbelebend Feuer
In unserm Innern angefacht.
Nun sahn wir erst den Himmel offfen
Als unser altes Vaterland,
Wir konnten glauben nun und hoffen.
Und fühlten uns mit Gott verwandt.

Seitdem verschwand bey uns die Sünde,
Und fröhlich wurde jeder Schritt;
Man gab zum schönsten Angebinde
Den Kindern diesen Glauben mit;
Durch ihn geheiligt zog das Leben
Vorüber, wie ein sel'ger Traum,
Und, ew'ger Lieb' und Lust ergeben,
Bemerkte man den Abschied kaum.

Noch steht in wunderbarem Glanze
Der heilige Geliebte hier,
Gerührt von seinem Dornenkranze
Und seiner Treue weinen wir.
Ein jeder Mensch ist uns willkommen,
Der seine Hand mit uns ergreift,
Und in sein Herz mit aufgenommen
Zur Frucht des Paradieses reift.

Wat konde ik zonder u nog wezen?
Wat zou ik zijn als gij niet waart?
In vrees en angsten uitgelezen
Stond ik geheel alleen op aard.
Niet wist ik wat ik wilde of hoefde,
De toekomst was een donkre kloof;
En als mijn hart zich diep bedroefde,
Wie bleef er voor mijn zorg niet doof?
 
In liefdedorst, met geen gemeenzaam,
Sloeg ik de donkre dagen ga;
Met heete tranen volgde ik eenzaam
Den wilden loop van 't leven na.
Onrust beving me in 't wereldsch sloven
En wanhoop als ik 't venster sluit -
Wie hield het zonder vriend daar boven,
Wie hield het hier beneden uit?
 
Heeft Christus zich mij kond gegeven
En ben ik van zijn gunst gewis,
Hoe snel teert dan een helder leven
De bodemlooze duisternis.
Eerst mensch nu ik aan hem behoorde,
Klaarde zich mij het Noodlot op,
En Indië draagt zelfs in het Noorden
Om den Beminde bloem en knop.
 
Het leven wordt tot lievens-stonde,
Vol liefde en lust de woestenij,
Genezing wast voor iedre wonde
En iedre borst klopt vol en vrij.
Voor al zijn duizend gaven noem ik
Mij deemoedvol met kindernaam,
Dat in ons midden Hij is, roem ik,
Al zijn we ook maar met tweeën saam.
 
Gaat uit, gaat uit op alle wegen
En haalt de dwalenden nu thuis.
Strekt elk, wien ook, de handen tegen
En noodt vol vreugde ze in ons huis.
De hemel daalde neer van boven,
Wij schouwen in geloof hem aan;
Wie met ons één zijn in 't gelooven,
Ook dezen zal hij opengaan.
 
Een oude zware waan van zonde
Was vast aan ons gemoed geboeid;
Daar wij verdwaald geen uitweg vonden,
Van bei berouw en lust doorgloeid,
Scheen ons in zonde elk werk geboren,
De mensch een vijand Gods te zijn,
En liet de hemel zich ons hooren,
Hij sprak alleen van dood en pijn.
 
Het hart, die rijke bron van leven,
Een ziel van boosheid woonde erin,
En als ons donker op scheen zweven
Was enkel onrust ons gewin.
Een ijzren band hield ons op aarde,
Gebonden, bevende in zijn knoop;
Dat Richter Dood kwam met den zwaarde,
Die vrees verslond de laatste hoop.
 
Toen kwam een Heiland, een Bevrijder,
Een Menschenzoon vol liefde en macht;
Een vuur dat uitsloeg, telkens wijder,
Heeft in ons hart hij aangebracht.
Nu zagen we eerst den hemel open
Als ons oorspronklijk vaderland,
Gelooven konden wij en hopen
En voelden ons met God verwant.
 
De zonde ontgleed aan onze schouders,
Voor zwaarmoed was ons hart nu doof;
Als schoonste gaven schonken de ouders
Aan hunne kindren dit geloof.
Het leven trok, daardoor geheiligd,
Gelijk een zaalge droom voorbij;
Door eeuwge liefde en lust geveiligd
Was elk van afscheidsangsten vrij.
 
Nog staat de heilige beminde
Vóór ons in wonderbaren glans,
Ons roert de trouw waarmee hij minde,
Wij weenen om zijn doornenkrans.
En elk mensch is ons welgekomen
Die met ons saam de hand hem grijpt,
En, in zijn hart mee opgenomen,
De parardijslucht tegenrijpt.