[artikel (licht bewerkt) J.W. Schulte Nordholt (Compendium bij het
Liedboek, 1973, col. 1039-1041]
naar aanleiding van gezang 455: Wenn ich ihn nur habe
en zijn dichter.
tekst (Novalis) en vertaling (Schulte Nordholt,
Albert Verwey)
lied van Franz Schubert
(met Dietrich Fischer-Dieskau)
— Verwey's vertaling van 12 geestelijke
liederen van Novalis op een aparte pagina
— gezang 218
Ik zeg het
allen dat Hij leeft
— gezang 454 Waar zou ik zonder u geweest zijn
(herstelde tekst van Jan Wit - Ministeriale - met twee extra
coupletten uit het Liedboek 2013 )
Onze kerkmuziek is beklagenswaardig... Dat was de mening van Friedrich von
Hardenberg (beter bekend onder zijn dichtersnaam: Novalis). Hij
besloot zelf wat aan die treurige toestand te doen. Grootgebracht in een
milieu van piëtisme kende hij het belang van gezangen zeer goed, maar
hij vond dat die stroming (incl. hun liedproductie) ontaard was in moralisme.
Anderzijds waren er de rationalistische gezangendichters van zijn tijd
(Gellert, Klopstock, Lavater). Het is uit verzet tegen hun werk, dat hij
het plan opvatte zelf gezangen te schrijven. De vijftien geestelijke
liederen die hij schreef zijn weliswaar niet als een eenheid
ontstaan, zoals wel is gedacht, maar de bedoeling om er een poëtisch
Christendom mee te stimuleren is toch de wezenlijke achtergrond van
alle. De directe aanleiding tot het schrijven schijnt een brief van de
vriend van de dichter Friedrich Schlegel te zijn geweest die hem schreef
dat hij moest bedenken dat het Christendom een godsdienst van de
dood. Die gedacht sprak hem als dichter van Hymnen an die
Nacht zeer aan. Vandaar dat hij niet kon weerstaan aan het appèl
dat Schlegel op hem deed: ,,Wenn Du doch Deine Ansichten, die Du
über das Christentum hast, einmal in einem Brennpunkt sammeln
wolltest! Vielleicht bist Du der erste Mensch in unserm Zeitalter, der
Kunstsinn für den Tod hat." ('Als jij nu eens je opvattingen over
het christendom in één brandpunt zou samenbrengen! Wellicht ben jij de
eerste mens in ons tijdperk, die gevoel heeft voor de kunst van de dood.')
| J.W. Schulte Nordholt (1973) |
Novalis (ca. 1800) |
Albert Verwey (1913) |
| Als Hij maar van mij is en ik ben van Hem, als ik, tot de dood nabij is, luister naar zijn trouwe stem, heb ik niets te lijden, leef ik in een vroom en stil verblijden. |
Wenn ich ihn nur habe, Wenn er mein nur ist, Wenn mein Herz bis hin zum Grabe Seine Treue nie vergisst: Weiß ich nichts von Leide, Fühle nichts, als Andacht, Lieb’ und Freude. |
Als maar hij de mijne is, Ik hem in mij weet, Als tot daar waar doods ravijn is Nooit mijn hart zijn trouw vergeet, Blijft geen leed dat heugde, Voel ik niets als vroomheid, liefde en vreugde. |
| Als Hij maar van mij is laat ik alles staan, wil ik enkel zijn waar Hij is, volg ik Hem waar Hij zal gaan. Mij is om het even heel het lichte, luide, aardse leven |
Wenn ich ihn nur habe, Lass’ ich alles gern, Folg’ an meinem Wanderstabe Treugesinnt nur meinem Herrn; Lasse still die Andern Breite, lichte, volle Straßen wandern. |
Als maar hij de mijne is Wensch ik mij niets meer; Volg ook waar de weg woestijn is, Leunende op mijn staf, mijn Heer; Laat getroost de velen Breede lichte volle straten deelen. |
| Wenn ich ihn nur habe, Schlaf’ ich fröhlich ein, Ewig wird zu süßer Labe Seines Herzens Flut mir sein, Die mit sanftem Zwingen Alles wird erweichen und durchdringen. |
Als maar hij de mijne is Slaap ik blij en vroom, Zoete laving als van wijn is Eeuwig mij zijns harten stroom; Die met zacht bedwingen Alles zal doorweeken en doordringen. |
|
| Wenn ich ihn nur habe, Hab’ ich auch die Welt; Selig, wie ein Himmelsknabe, Der der Jungfrau Schleier hält. Hingesenkt im Schauen Kann mir vor dem Irdischen nicht grauen. |
Als maar hij de mijne is Wordt me elk ding vertrouwd; Zooals knaap op hemelplein is Die der Jonkvrouw sluier houdt, Ziende in zalig schouwen, Kan mij de aardsheid langer niet benauwen. |
|
| Waar Hij maar van mij is is mijn vaderland. Zie hoe Hij alom nabij is met de gaven van zijn hand. Broeders lang verloren vind ik weer in wie aan Hem behoren. |
Wo ich ihn nur habe, Ist mein Vaterland; Und es fällt mir jede Gabe Wie ein Erbteil in die Hand; Längst vermisste Brüder Find' ich nun in seinen Jüngern wieder. |
Waar maar hij de mijne is Is mijn vaderland. Al het aardsche, of 't groot of klein is, Valt me als erfdeel in de hand; Broeders, lang verloornen, Vind ik nu weer als zijn uitverkoornen. |
| Jan Wit (1966) |
Novalis (ca. 1800) |
Albert Verwey (1913) |
|
Waar zou ik zonder U geweest zijn, |
Was wär ich ohne dich gewesen? |
Wat konde ik zonder u nog wezen? |