12 Geestelijke liederen van Novalis

in een (opvallend letterlijke) vertaling door A. Verwey. De Beweging nr. 9, 1913 dbnl
De nummering is die van de eerste editie uit 1802. Die loopt niet parallel met de nummers in de editie van Novalis werken Schriften. Die Werke Friedrich von Hardenbergs. Band 1, Stuttgart 1960–1977, S. 156ff. (Geistliche Lieder, 1802). Daar zijn het er 15. Ik heb de afsluitende 'hymne' weggelaten. Een hyperlink brengt u naar een pagina elders op deze site, waar het lied wordt besproken.

 

I

Wat konde ik zonder u nog wezen?

Wat zou ik zijn als gij niet waart?

In vrees en angsten uitgelezen

Stond ik geheel alleen op aard.

Niet wist ik wat ik wilde of hoefde,

De toekomst was een donkre kloof;

En als mijn hart zich diep bedroefde,

Wie bleef er voor mijn zorg niet doof?

 

In liefdedorst, met geen gemeenzaam,

Sloeg ik de donkre dagen ga;

Met heete tranen volgde ik eenzaam

Den wilden loop van 't leven na.

Onrust beving me in 't wereldsch sloven

En wanhoop als ik 't venster sluit -

Wie hield het zonder vriend daar boven,

Wie hield het hier beneden uit?

 

Heeft Christus zich mij kond gegeven

En ben ik van zijn gunst gewis,

Hoe snel teert dan een helder leven

De bodemlooze duisternis.

Eerst mensch nu ik aan hem behoorde,

Klaarde zich mij het Noodlot op,

En Indië draagt zelfs in het Noorden

Om den Beminde bloem en knop.

 

Het leven wordt tot lievens-stonde,

Vol liefde en lust de woestenij,

Genezing wast voor iedre wonde

En iedre borst klopt vol en vrij.

Voor al zijn duizend gaven noem ik

Mij deemoedvol met kindernaam,

Dat in ons midden Hij is, roem ik,

Al zijn we ook maar met tweeën saam.

 

Gaat uit, gaat uit op alle wegen

En haalt de dwalenden nu thuis.

Strekt elk, wien ook, de handen tegen

En noodt vol vreugde ze in ons huis.

De hemel daalde neer van boven,

Wij schouwen in geloof hem aan;

Wie met ons één zijn in 't gelooven,

Ook dezen zal hij opengaan.

 

Een oude zware waan van zonde

Was vast aan ons gemoed geboeid;

Daar wij verdwaald geen uitweg vonden,

Van bei berouw en lust doorgloeid,

Scheen ons in zonde elk werk geboren,

De mensch een vijand Gods te zijn,

En liet de hemel zich ons hooren,

Hij sprak alleen van dood en pijn.

 

Het hart, die rijke bron van leven,

Een ziel van boosheid woonde erin,

En als ons donker op scheen zweven

Was enkel onrust ons gewin.

Een ijzren band hield ons op aarde,

Gebonden, bevende in zijn knoop;

Dat Richter Dood kwam met den zwaarde,

Die vrees verslond de laatste hoop.

 

Toen kwam een Heiland, een Bevrijder,

Een Menschenzoon vol liefde en macht;

Een vuur dat uitsloeg, telkens wijder,

Heeft in ons hart hij aangebracht.

Nu zagen we eerst den hemel open

Als ons oorspronklijk vaderland,

Gelooven konden wij en hopen

En voelden ons met God verwant.

 

De zonde ontgleed aan onze schouders,

Voor zwaarmoed was ons hart nu doof;

Als schoonste gaven schonken de ouders

Aan hunne kindren dit geloof.

Het leven trok, daardoor geheiligd,

Gelijk een zaalge droom voorbij;

Door eeuwge liefde en lust geveiligd

Was elk van afscheidsangsten vrij.

 

Nog staat de heilige beminde

Vóór ons in wonderbaren glans,

Ons roert de trouw waarmee hij minde,

Wij weenen om zijn doornenkrans.

En elk mensch is ons welgekomen

Die met ons saam de hand hem grijpt,

En, in zijn hart mee opgenomen,

De parardijslucht tegenrijpt.

 

II

Ver in 't Oosten gaat het blinken,

Grijze tijden worden jong;

Lange diepe teugen drinken

We uit de lichte kleurenbron!

Oud verlangens heilige voldoening,

Zoete liefde in godlijke verzoening!

 

Eindlijk komt tot de aarde neder

Aller heemlen zalig kind,

Scheppende in gezang waait weder

Over de aarde levenswind.

Waait tot nieuwe en eeuwig lichte vuren

Vonk, gedoofd, om schijnbaar niet te duren.

 

Waar de donkers zich verdichtten

Springt nieuw leven, stroomt nieuw bloed;

Dat hij eeuwgen vrede ons stichte

Duikt hij in de levensvloed;

Staat met volle handen in ons midden

Liefdevol te luistren naar elks bidden.

 

Duld dan van zijn milde blikken

't Licht dat in uw oogen viel,

Zijn geluk zal u verkwikken,

Zal zich dringen in uw ziel.

Alle harten, geesten en de zinnen

Zullen dan een nieuwe dans beginnen.

 

Grijp stoutmoedig naar zijn handen,

Slurp zijn trekken, lijn voor lijn,

Wend u waar zijn oogen branden,

Als een bloem naar zonneschijn.

Als ge uw open hart tot hem wilt nijgen,

Blijft hij als een trouwe vrouw u eigen.

 

Ons behoort zij nu voor eeuwig;

Godheid, die ons vaak ontzet,

Heeft, waar 't zonnig is of sneeuwig,

Levenskiemen ras gezet:

Laat ons in de Godstuin, zwaar van zegen,

Trouw de knoppen en de bloemen plegen.

 

III

Wie eenzaam in zijn huis gezeten

Daar zware bittre tranen schreit,

Daar om hem de aard ligt uitgemeten

Waar nood en leed haar kleur op spreidt;

 

Wie in het beeld van vroegre tijden

Als in een diepen afgrond blikt,

Waarheen het hem van alle zijden

Als met een zoete smart bestrikt;

 

Het is als lagen in die laagte

Hem wonderschatten opgehoopt,

Wier grendels hij met wilde graagte

En ademloos te ontsluiten hoopt.

 

De toekomst ligt in dorte valend

Angstwekkend lang en troostloos veer,

Hij zwerft rondom, alleen en dwalend,

En zoekt zichzelf met woest begeer.

 

Ik ween als wie hem altijd kende,

Omhels hem, me al zijn leed bewust,

Want ik genas van de eige ellende

En weet nu waar men eeuwig rust.

 

U moet als mij een Wezen troosten

Dat innig liefhad, leed en stierf,

Dat voor een elk, maar voor de boosten

Het meest, met duizend vreugden stierf.

 

Hij stierf, toch hoort gij alle dagen

Zijn liefde en kunt zijn stem verstaan,

En moogt getroost, in al uw plagen,

Uw armen teeder om hem slaan.

 

Er stroomt uit hem nieuw bloed en leven

Door uw verstorven lichaam heen,

En als ge uw hart hem hebt gegeven,

Is 't zijne ook eeuwig met u één.

 

Wat gij verloort, heeft hij gevonden;

Hij geeft u wat ge liefhadt weer.

En eeuwig blijft met u verbonden

Wat door zijn hand u wederkeer'.

 

IV

Onder duizend blijde stonden

Die op aarde ik heb gevonden

Bleef van een mij heugenis;

Eene, toen in duizend pijnen

In mijn hart ik zag verschijnen

Wie voor ons gestorven is.

 

Heel mijn wereld lag gebroken,

En als door een worm gestoken

Welkte bloesem mij en hart;

Heel mijn rijkdom moest ik derven,

Iedre wensch had ik zien sterven,

Leven deed ik tot mijn smart.

 

Daar 't me zoo voor 't leven bangde,

Daar ik weende en weg verlangde

En maar bleef uit angst en waan,

Werd mij eensklaps - o mijn leven! -

Van het graf de steen geheven

En mijn binnenste opgedaan.

 

Wie ik zag en wie hij leidde

Bij de hand, - geen wie ik 't zeide,

Eeuwig zie ik dit slechts aan.

En van al mijn levensstonden

Zal slechts deze me, als mijn wonden,

Eeuwig blijde geopend staan.

 

V

Als maar hij de mijne is,

Ik hem in mij weet,

Als tot daar waar doods ravijn is

Nooit mijn hart zijn trouw vergeet,

Blijft geen leed dat heugde,

Voel ik niets als vroomheid, liefde en vreugde.

 

Als maar hij de mijne is

Wensch ik mij niets meer;

Volg ook waar de weg woestijn is,

Leunende op mijn staf, mijn Heer;

Laat getroost de velen

Breede lichte volle straten deelen.

 

Als maar hij de mijne is

Slaap ik blij en vroom,

Zoete laving als van wijn is

Eeuwig mij zijns harten stroom;

Die met zacht bedwingen

Alles zal doorweeken en doordringen.

 

Als maar hij de mijne is

Wordt me elk ding vertrouwd;

Zooals knaap op hemelplein is

Die der Jonkvrouw sluier houdt,

Ziende in zalig schouwen,

Kan mij de aardsheid langer niet benauwen.

 

Waar maar hij de mijne is

Is mijn vaderland.

Al het aardsche, of 't groot of klein is,

Valt me als erfdeel in de hand;

Broeders, lang verloornen,

Vind ik nu weer als zijn uitverkoornen.

 

VI

Of u ook géén bewaarde

Zijn trouw, ik blijf u bij;

Dat dankbaarheid op aarde

Niet uitgestorven zij. 

Voor mij doorstondt ge 't lijden,

Vergingt voor mij in smart;

Daarom moge ik u wijden

Voor eeuwig dit mijn hart.

 

Vaak kan ik 't niet verduwen

Dat gij zoo voor ons leedt,

En menigeen van de uwen

U levenslang vergeet. 

Door liefde alleen gedreven

Hebt gij zooveel gedaan,

Gij gaaft voor ons uw leven

En niemand denkt eraan.

 

Met trouwste liefde-daden

Blijft gij een elk nabij,

En of ze u steeds verraden

Gij blijft steeds aan hun zij. 

Die trouwste liefde is krachtig,

Ten laatste voelt men die;

Dan weent men en onmachtig

Drukt men zich aan uw knie.

 

Mijn hart heeft u gevonden;

O laat niet af van mij;

Opdat, innig verbonden,

Ik eeuwig bij u zij. 

Eens zien mijn broeders weder

Naar waar uw hemel mart,

En zinken minnend neder

En storten u aan 't hart.

 

VII

Weenen moet ik, altijd weenen:

Was hij me eenmaal maar verschenen,

Eenmaal, ware 't ook van ver.

Heilge weemoed! nimmer enden

Mijne tranen, mijne ellenden;

Sterven mocht ik, koud en star.

 

Eeuwig zie ik hem slechts lijden,

Eeuwig vragend hem verscheiden.

Breek, o hart! en die het ziet:

Oogen, bleeft ge opeens gesloten,

Of in tranen heel vervloten, -

Dit geluk verdiende ik niet.

 

Weent dan niemand niet van allen?

Zal zijn naam aldus vervallen?

Is 't heelal op eenmaal dood?

Zal ik uit zijn ooge-blinken

Nooit meer liefde en leven drinken?

Is hij nu voor eeuwig dood?

 

Dood? - wat zal, wat kan dat heeten?

Zegt mij, gij die het kunt weten,

Wat is hier de duiding van?

Hij is stom en allen zwijgen,

En geen antwoord is te krijgen,

Waar mijn hart hem vinden kan.

 

Nergens onder de aardsche winden

Kan ik mijn geluk meer vinden.

Alles is een donkre droom.

Ik ben ook, met hem, verscheiden.

Of ze mij nu naast hem leiden

Dat ik zóó tot vrede koom!

 

Gij zijn Vader, ook mijn Vader,

Of gij mijn gebeent toch gader

Tot het zijne, nu en ras.

Lente zal zijn heuvel verven,

En de wind daarover zwerven,

En het lichaam wordt tot asch.

 

Als ze maar zijn liefde wisten,

Alle menschen werden Christen,

Lieten al het andre staan.

Minden allen slechts dien Eenen,

Zouden allen met mij weenen,

En in bittre smart vergaan.

 

VIII

Laat allen weten dat hij leeft

En 't graf ontkomen is,

Dat hij weer in ons midden zweeft

En eeuwig bij ons is.

 

En wie het hoor' zeg dadelijk

De boodschap verder voort,

Zoodat het nieuwe hemelrijk

Ras daagt voor ieder oord.

 

Nu schijnt de wereld wel geheel

Ons waarlijk vaderland;

Een nieuw bestaan, ons zalig deel,

Gewordt ons uit zijn hand.

 

Reeds zonk de huivring van de dood

In levens diepe vloed,

En elk van ons staart licht en groot

Zijn toekomst tegemoet.

 

De donkre weg, door hem begaan,

Loopt in den hemel uit,

Waar voor wie hoort naar zijn vermaan

Zich 't vaderhuis ontsluit.

 

Nu weent ook niemand meer, al droeg

Hij andren naar het graf:

Het weerzien, kome 't laat of vroeg,

Neemt smart haar scherpheid af.

 

't Is of tot iedre goede daad

Het hart nu warmer gloei,

Want heerlijk komt dat daden-zaad

In schoonren grond tot bloei.

 

Hij leeft en zal straks bij ons zijn

Als 't wereldsche is geweest,

En zoo zal deze dag ons zijn

't Wereldverjongingsfeest.

 

IX

Er zijn zoo bange tijden,

Er is zoo droef beraad,

Wanneer in spokig glijden

Alles voorbij ons gaat.

 

Er sluipen wilde schrikken

Rondom, angstwekkend zacht,

Loodzware duisters stikken

 

De ziel in nare nacht.

De zeekre zuilen deinzen,

't Geloof vindt nergens spil,

De draaikolk van ons peinzen

Is sterker dan de wil.

 

Onwederstaanbaar lokt ons

Waanzin zijn kolken in,

De pols van 't leven stokt ons,

En stomp is iedre zin.

 

Wie hief boven de volken

Het kruis tot hulp voor 't hart?

Wie woont boven de wolken

En helpt in angst en smart?

 

Ten wonderstam gebogen,

Breek 't stil verlangen baan;

Een vlam, daaruit gevlogen,

Verteert uw zware waan.

 

Een engel grijpt u weder,

Trekt u gered op 't strand;

En vreugdevol schouwt gij neder

In het Beloofde Land.

 

X

Wat zou ik meer te zoeken weten,

Noemde ik dat lieve wezen mijn,

Wanneer hij mij zijn vreugde heette

En bij mij ware, als ware ik zijn.

 

Er gaan met wild verwrongen trekken

Zooveel, en zoeken, weet ik wat,

Zij noemen wijs zich, maar ontdekken

Toch nooit dien eenen grootsten schat.

 

Een denkt dat hij hem heeft gegrepen

En wat hij heeft is enkel goud,

Een tweede ging heel de aard omschepen,

Een naam is al wat hij behoudt.

 

Die, hoopt op overwinnaars-kransen,

Die, dat zijn roem door lauwers blijk';

En zoo wordt door verscheiden glansen

Een elk bedrogen, niemand rijk.

 

Heeft hij zich u niet kond gegeven?

Vergeet gij wie er voor u hing?

Wie tot ons heil aan 't kruis geheven

In bittre smart veracht verging?

 

Hebt gij van hem dan niets gelezen,

Geen nietig woord van hem gehoord?

Hoe hemelsch goed hij ons wou wezen

En welk goed ons door hem behoort?

 

Hoe van omhoog hij is gekomen,

Der schoonste moeder godlijk kind?

Welk woord op aarde werd vernomen?

Hoe meenge mensch genezing vindt?

 

Hoe hij alleen op Liefde's zeggen

Om menschen leed zijn droevig lot,

En zich in de aarde neer deed leggen

Ten grondsteen voor een stad van God?

 

Kan deze boodschap u niet raken?

Is zulk een mensch u niet genoeg?

En wilt ge uw huis niet open maken

Voor hem die d' Afgrond voor u sloeg?

 

Laat gij niet willig alles varen?

Ziet gij van elken wensch niet af?

En zoudt ge uw hart hem niet bewaren

Nu hij u zulke vriendschap gaf?

 

Wil, held van liefde, mij aanvaarden,

Wien buiten u geen leven geldt.

Wanneer mij niets meer bleef van de aarde,

Dan weet ik wie mij schaadloos stelt.

 

Gij geeft mij mijn beminden weder,

Gij blijft mij trouw in eeuwigheid.

Aanbiddend zinkt de hemel neder

Voor u die nochtans mijne zijt.

 

XI

Troost van 't Heelal, waar zijt ge, waar?

Uw herberg is sints lang al klaar.

Verlangend ziet een ieder uit

Die voor uw zegen 't hart ontsluit.

 

Stort, vader, hem geweldig neer,

Geef hem van uit uw arm ons weer:

Slechts onschuld, liefde en zoete schaam

Weerhield hem dat hij niet reeds kwaam'.

 

Drijf hem van de uwe in onzen arm,

Van uwen adem dan nog warm;

Verzamel hem in wolkenvracht

En zend hem tot ons neer met kracht.

 

Zend hem in stroomen naderbij,

In vuurge vlammen laaie hij,

In lucht en olie, klank en dauw

Doordring hij de aardbol en zijn bouw.

 

Zoo wordt de heilge strijd gevoerd,

De helsche boosheid zóó gesnoerd,

En eeuwig bloeiend openbaart

Zich 't oude Paradijs op aard.

 

De aarde beweegt zich, groent en leeft,

Vol van den geest elk schepsel streeft

Dat het den Heiland lieflijk groet

En hem uit volle borsten voedt.

 

De winter wijkt, een ander jaar

Staat aan de krib, die is 't Altaar;

Het eerst jaar dat die wereld telt

Die door dit kind zelf is besteld.

 

Onze oogen die den Heiland zien

Zijn vol van Heiland bovendien,

Met bloemen wordt zijn hoofd omstrikt

Uit die hij zelf lieftallig blikt.

 

Hij is de ster, hij is de zon,

Hij is van 't eeuwge leven bron.

Uit gras en steen en zee en licht

Glanst zijn kinderlijk aangezicht.

 

In alle dingen zijn kinderlijk doen.

Zijn heete liefde heft zich koen.

Hij klemt, in onbewuste dorst,

Zich oneindig vast aan iedre borst.

 

Een God voor ons, voor zich een kind,

Geeft hij ons 't hart dat ons bemint,

Wordt onze spijs, wordt onze drank,

Getrouwheid is hem de liefste dank.

 

De ellende groeit nog meer en meer,

Een zwart verdriet bedrukt ons zeer,

Laat, Vader, den Beminden gaan,

Met ons zal hij weer voor u staan.

 

XII

Als in bange droeve stonden

't Hart in ons bijna versaagt,

Als de krankte ons houdt gebonden,

De angst ons innerlijk beknaagt;

Als we om de beminden rouwen

Hoe verdriet en leed hen pijnt,

Wolken 't uitzicht ons vernauwen

Die geen straal van hoop doorschijnt; —

 

O zie dan God zelf genegen,

En zijn liefde is ons nabij.

Heft zich dan ons hart hem tegen,

Zie, zijn Engel staat terzij,

Reikt ons Levens frisschen beker,

Lispelt troost en nieuwe just,

En verhooring brengt ons zeker

Ook voor de geliefden rust.