Ik zeg het allen dat Hij leeft

Novalis 'christlich gebessert' door Ad den Besten.  

novalis Novalis (pseudoniem van Friedrich von Hardenberg , 1772-1801) is een telg uit een welgestelde mijnbouwfamilie. Hij studeerde rechten (Jena, Leipzig en Wittenberg) en werkte als mijninspecteur. Hij verloofde zich in 1795 in het geheim met de (nog zeer jonge) Sophie von Kühn (geb. 1782, ja reken maar uit). Zij overleed in 1797. Daarna ging hij chemie en wiskunde studeren in Freiberg. Zijn poëzie is hèt toonbeeld van de Duitse romantiek: inhoudelijk bepaald door (het geïdealiseerde beeld van) de jonggestorven geliefde: Hymnen an die Nacht (1800), gedichten vol "Sehnsucht", melancholie en doodsverlangen. De nacht biedt de sleutel om de werkelijkheid te begrijpen. In het duister opgenen zich de ogen van de ziel. De mysterieuze middeleeuwse blauwe bloem, die onder andere in zijn onvoltooide roman "Heinrich von Ofterdingen" opduikt, is het motief dat voorgoed met Novalis verbonden blijft. Penelope Fitzgerald's schreef een historische roman The Blue Flower waarin ze op onnavolgbare wijze het vroege leven van Novalis evoceert. Schitterend boek, waarin hij met z'n companen voorkomt: Andrea Wulf, Rebelse genieën. De eerste romantici en de uitvinding van het ik. In dat boek zie je ook hoe z'n tijdgenoten deze hypersensitieve persoon hebben beleefd, en zich zorgen hebben gemaakt om zijn overleven. Naast poëzie schreef hij ook proza en essays (filosofische literatuurkritiek).

Novalis' liederen passen in de gezangboek-revisie die rond die tijd begon (Schleiermacher, Schlegel: Romantisch religiebegrip. vroomheid is doorleefd 'schlechthinniges Abhängigkeitsgefühl', een antropologisch constante). Je merkt het in de terminologie: natuurlijke theologie levert de taal, bepaalt de beelden, weinig specifiek christelijk. Novalis heeft een programma: de nieuwe liederen moeten in de oude vormen passen (gezangen zijn), maar uit het gewone leven opkomen en tegelijk innig zijn, algemeen en mystiek. Het succes van deze beweging en liederen was eerst groot, maar bleek uiteindelijk beperkt (zowel in regio als in tijd) succes. In het Evangelisches Kirchengesangbuch (1950) en het Evangelisches Gesangbuch (1993) staat geen enkel lied van Novalis meer voor. In het liedboek 1973 nog drie. Naast dit paaslied (gez. 218) nog het lied Wat zou ik zonder u geweest zijn (vertaling Jan Wit, gez. 454) en Als hij maar van mij is (vertaling J.W. Schulte Nordholt, gez. 455, beter bekend als Als ik hem maar kenne, hem de mijne weet uit de bundel 1938). In het liedboek 2013 is het laatstgenoemde lied geschrapt en uit het voorlaatste een andere selectie coupletten gemaakt.

Voor meer details en context van dit lied: zie het opstel van Jan Smelik over dit lied in het Liedboekcompendium .   Liedvergelijking: Ich sag' es jedem, daß er lebt Origineel: Ich sag' es jedem, daß er lebt (Novalis, Geistliche Lieder, Hymne IV (1802)  Het nìet vertalen (of anders —expliciet christelijk, bijbels— weergeven) van het  groene idioom is een bewuste keuze van Ad den Besten. Dat mag natuurlijk, maar 't is wel goed dat je 't weet. Wat opvalt is dat Hélène Swarth veel dichter bij Novalis blijft (en zelfs germanismen niet  (laatste couplet 'wen' voor wanneer). Niet verwonderlijk: zij is zelf een melancholische laat-romantische dichteres, zielsverwant. 
Duidelijk is in elk geval dat Pasen bij Novalis voluit het lentefeest is (Weltverjüngungs-Fest is het laatste woord. Albert Verwey laat het in zijn vertaling staan: En zoo zal deze dag ons zijn / 't wereldverjongingsfeest) daarmee trouwen teruggrijpend op een oude christelijke traditie: mundi renovatio, en expliciterend wat het Paasfeest godsdiensthistorisch op z'n minst óók was: oogstfeest.
Hélène Swarth (1911)
in bundel Woensel Kooy

Hymne IX - Novalis (1802)
Friedrich von Hardenberg
Ad den Besten (1973)
LvK Gezang 218
Ik zeg het allen dat Hij leeft,
Dat Hij verrezen is,
Dat Hij te midden van ons zweeft
En eeuwig bij ons is.
1 Ich sag' es jedem, daß er lebt
Und auferstanden ist,
Daß er in unsrer Mitte schwebt
Und ewig bei uns ist.
Ik zeg het allen, dat Hij leeft,
dat Hij is opgestaan,
dat met zijn Geest* Hij ons omgeeft
waar wij ook staan of gaan.
Ik zeg het elk en elk verkondt
 't Zijn vriend als liefdeblijk,
Dat weldra daagt, alle oorden rond,
Het nieuwe hemelrijk.
2 Ich sag' es jedem, jeder sagt
Es seinen Freunden gleich,
Daß bald an allen Orten tagt
Das neue Himmelreich.
Ik zeg het allen, en de mond
van allen zegt het voort,
tot over 't ganse wereldrond
de nieuwe morgen gloort.
Nu wordt de wereld schoon en blij,
Gelijk een vaderland
En 't nieuwe leven nemen wij
Welzalig uit Zijn hand.
3 Jetzt scheint die Welt dem neuen Sinn
Erst wie ein Vaterland;
Ein neues Leben nimmt man hin
Entzückt aus seiner Hand.
Nu schijnt ons deze wereld pas
der mensen vaderland:
een leven dat verborgen was
ontvangen we uit zijn hand.
Verzonken in de diepe zee
Is 't vreezen voor den dood,
En elk kan schouwen boven 't wee
Der toekomst morgenrood.
4 Hinunter in das tiefe Meer
versank des Todes Graun,
Und jeder kann nun leicht und hehr
In seine Zukunft schaun.
Tenonder ging de sterke dood,
tenonder in de vloed;*
nu straalt ons in het morgenrood
zijn toekomst tegemoet.
De donkre weg, dien Hij begaat
Geleidt naar 't hemelhuis
En wie maar luistert naar Zijn raad,
Komt bij den Vader thuis.
5 Der dunkle Weg, den er betrat,
Geht in den Himmel aus,
Und wer nur hört auf seinen Rath,
Kommt auch in Vaters Haus.
De donk're weg die Hij betrad
komt uit in 't hemelrijk,
en wie Hem volgen op dat pad,
worden aan Hem gelijk.
Nu weent ook geen meer zonder raad
Sluit de oogen 'een voor goed
Door 't wederzien, of vroeg of laat,
Wordt deze smart verzoet.
6 Nun weint auch keiner mehr allhie,
Wenn Eins die Augen schließt,
Vom Wiedersehn, spät oder früh,
Wird dieser Schmerz versüßt.
Wees nu, wie rouw draagt, eens voor al
getroost en wanhoop niet:
een weerzien zonder einde zal
verzoeten uw verdriet.
Nu kan voor elke goede daad
Ons hart veel warmer slaan.
Daarboven zal 't gezaaide zaad
Zoo mild te bloeien staan.
7 Es kann zu jeder guten That
Ein jeder frischer glühn,
Denn herrlich wird ihm diese Saat
In schönern Fluren blühn.
Nu is op aard geen goede daad
meer tevergeefs gedaan,*
want wat gij goed doet is als zaad,
dat heerlijk op zal gaan.
Hij leeft en zal nabij ons zijn,
Wen alles ons verlaat
En zoo zal deze dag ons zijn
Een hemel-dageraad.
8 Er lebt, und wird nun bei uns seyn,
Wenn alles uns verläßt!
Und so soll dieser Tag uns seyn
Ein Weltverjüngungs-Fest.
't Is feest, omdat Hij bij ons is,
de Heer die eeuwig leeft
en die in zijn verrijzenis
alles herschapen heeft.

* associatiemogelijkheid met bijbels beeld of tekst, expliciet als vertaling aangeboden.