Glansrol

1 Koningen 3: 16-28 (het Salomonsoordeel)

[ds. Marianne van Beinum, Woord & Dienst 2004] verantwoording van overname, zie onder

Onze aandacht wordt getrokken door een incident en voor we het beseffen staan wij in de kring van omstanders als toevallige getuigen van een tragische twist. Nieuwsgierig te zien wat er aan de hand is. Benieuwd te horen hoe het afloopt. Bereid tot commentaar en oordeel. Wie zijn het? Twee vrouwen? Dat is al genoeg om ons te laten verleiden tot platte vooroordelen. Zo "krakelen" zij volgens de NBG-vertaling in vers 22, terwijl er "spreken" staat. Zo heten zij "hoeren" terwijl er een werkwoord staat. ("Hoer" is een status, "overspel bedrijven" een keuze.)
Maar de woorden waarmee ons deze geschiedenis wordt verteld, zullen ons waarschuwen om niet te snel onze conclusies te trekken. De personages in dit gebeuren, zij zijn niet wie zij lijken! Dit zijn de rollen:
- twee vrouwen uit één huis,
- de koning,
- een levende en een dode zoon.

Allereerst de koning. De vertalers van het NBG zijn nogal voorbarig met hun tussenkopje "Salomo's wijze rechtspraak". Deze koning, is dat wel Salomo? Nergens in het verhaal wordt zijn naam genoemd. Pas in het volgende hoofdstuk heet Salomo koning (4:1). Maar hier staat alle (tien!) keren alleen "de koning". Deze koning is voorlopig naamloos. Maar ieder in Israël hoort de verwijzing naar Góds koningschap. En dan zijn er de twee die voor zijn aangezicht verschijnen. Twee vrouwen tezamen (en niet "alleen" - vers 18!) in één huis. Het huis Israël. En van deze twee vrouwen in dat ene huis wordt gezegd dat zij overspelig zijn. Het gaat niet om twee individuele lichte vrouwen, maar zo wordt Israël genoemd in zijn ontrouw aan God. Bij herhaling is dat de kwalificatie van Israël, dat zijn God verlaat en achter andere goden aan gaat. Twee vrouwen die bij elkaar horen, tezamen in één huis. Dan zien we Sara en Hagar voor ons en Rachel en Lea. En dadelijk komt ook de brandende vraag mee, wie van hun zonen de eerstgeborene, dé zoon zal zijn.

Nog klemmender wordt het wanneer we achter deze twee vrouwen de controverse tussen het noordelijke rijk, Israël, en Juda in het zuiden zien opdoemen. Twee vrouwen die elkaar de zoon betwisten. Wie van haar heeft de levende Zoon. Zal met de splitsing van het rijk ook de verwachting van de messiaanse Zoon gedeeld wor¬den en zo voor beiden verloren gaan? Of zal er één Zoon zijn die leeft, die de Gezalfde is voor Juda én voor Israël. En voor de wereld. De Zoon betekent hoop. Betekent toekomst. Gods Koningschap op aarde. Met de vraag: Wie is die messiaanse zoon? komt dadelijk ook de vraag: Waar is het volk dat deze Zoon zal ontvangen? Die Hem in haar binnenste zal dragen, in haar midden zal groot brengen. Wie kan dat? Het zwaard van de koning (Hebr. 4:12) brengt het ware Israël aan het licht. "Die van: doodt het vooral niet! Zij zal moeder voor hem zijn." Niet omdat het een beroep doet op een natuurlijk instinct, maar op de ontferming. Als het innerlijk van deze vrouw van ontferming gloeit, dan is zij op dezelfde lijn van Gods ontferming. Daarmee heeft zij de instelling om moeder te zijn voor de Zoon. Door wie Gods ontfer¬ming over ons, over de wereld gestalte krijgt. Want God regeert met het instru¬ment van de ontferming. En waar ontferming gloeit daar is een schoot voor Gods Koningschap. Daar is een rol voor ons weggelegd. De glansrol in deze geschiedenis? Die ligt allereerst bij God wiens heerlijkheid er in is gelegen dat Hij door de Zoon de weg van de ontferming met onze wereld wil gaan. Als Hij zo met ons bezig is, dan kunnen wij op die weg alleen maar meegaan. Dan straalt het op alles en allen af.

Marianne W. van Beinum W&D 17-01-2004

ik trof deze meditatie aan op mijn PC, gescand uit een inmiddels niet meer bestaand tijdschrift. Ik vond ze toen al, en na 20 jaar nog steeds, heel aansprekend, te denken gevend. Vandaar. Mochten belanghebbenden bezwaar hebben tegen publicatie alhier, dan volstaat een simpele email naar ondergetekende,
Dick Wursten.