Paaspreek over Johannes 20 (Johannesoratorium
- Ceuleers, muziekdienst - Antwerpen 2023)
Hooglied (= megillah van Pesach - Ashkenasische
traditie)
Curiosum: uitleg van Hooglied 3 toegepast op Joh.
20 door Cyrillus van Alexandrië
Hooglied 3: 1-4 (vertaald naar Septuaginta)
’s Nachts in mijn 'slaapplaats' (koitè) zocht ik mijn zielsbeminde.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet.
Ik zal opstaan, rondgaan in de stad,
in de straten, op de pleinen,
zoeken naar mijn zielsbeminde.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet.
De wachters vonden mij op hun ronde door de stad.
‘Hebben jullie mijn zielsbeminde gezien?’
Nog maar nauwelijks was ik hun voorbij gegaan,
daar vond ik mijn zielsbeminde .
Ik greep hem vast en zal hem niet meer loslaten
tot ik hem gebracht heb in het huis van mijn moeder,
in de kamer van haar die mij baarde.
Een moeizaam begin is het trouwens, … daar in de tuin, de hof op de Paasmorgen. Het licht wil nog niet echt doorbreken… De steen is dan wel afgewenteld, en het graf leeg… maar wat zegt dat? Daar liggen zwachtels, een ‘zweetdoek’… Maar daarmee heb je ‘Jezus nog niet gevonden’. Gib mir meinen Jesum wieder…. Dat willen ze nog steeds, maar dat zal niet zijn. Als ze Jezus al terug krijgen, dan zal het op een andere manier zijn. Het zal met gelovig zijn, leven in vertrouwen, te maken hebben…, ook al Hij er niet is.
Alle evangeliën verwoorden dit besef. De doorbraak tot dit inzicht zal van de andere kant moeten komen… En nu moet u maar eens opletten hoe Johannes om het moment dat dat gebeurt, te beschrijven, de hulp inroept van het Hooglied
Na de lezing: kom ik nog een keer terug om een paar lijntjes door te trekken. Aan u de opdracht om al luisterend de gelijkenis te vinden… en het verschil.
JOHANNES 20 oratorium
’t Is alles een gelijkenis, van meer dan aards geheimenis.
Maria is op zoek naar haar zielsbeminde, als de bruid/meisje in het Hooglied, maar ze vindt hem niet…. want hij is dood... Haar lief, haar zielsbeminde … letterlijk: Degene die mijn ziel bemint... In het Hebreeuws = ziel = levensprincipe… Zonder die geliefde leven, kan niet. De ziel zou verkwijnen, het leven verdwijnen, dat zou de dood zijn, het einde... Dat is precies de situatie van Maria. Dat schetst wat Jezus voor haar was: het licht van haar leven. Zonder hem kan zij niet bestaan.
Hij had haar éénmaal gered, door haar aan te zien, en aan te spreken… bevrijd van 7 demonen… Zonder hem, is er voor haar geen leven denkbaar, mogelijk… Radeloos is ze in de nacht opgestaan en nog voor de Paasmorgen aanbrak, op zoek gegaan naar haar zielsbeminde. Ze zoekt hem overal maar ze vindt hem niet… En zo is in de hof aanbeland. Als ze de levende dan niet vinden kan, dan tenminste de dode nog..
Maar, o ramp: de steen is weg, het graf is leeg.
Een klap die Maria bijna verdooft: Zelfs dat is haar niet meer
vergund… Zijn lichaam is weg, zelfs het balsemen van zijn dode lichaam
wordt haar ontnomen.
En dan ziet ze daar (als Petrus en Johannes het hebben opgegeven en
zijn weggegaan) die twee mannen, wachters bij
het graf en ook hen spreekt zij aan.... want ze kan niet zwijgen van
haar geliefde en haar gemis:
Hebt gij misschien mijn zielsbeminde gezien?
En dan het moment suprème, beide in Hooglied en in het Evangelie is het daarop volgende moment...
Nauwelijks was ik hen voorbijgegaan of daar vond ik mijn lief, mijn zielsbeminde… Hooglied.
In Johannes vertraagt hier het verhaal, en worden de rollen
omgedraaid…
Niet voor niets denk ik. Niet Maria vindt haar zielsbeminde, maar haar
zielsbeminde vindt haar… Ze wordt gevonden…
Ontroerende scène: ‘Maria’ ['Raboeni' - Noli met tangere - 'Dialogo
Pascale']
Maar dan is daar het feest der herkenning en is ook Hooglied weer terug: en zij greep hem vast en wilde hem niet loslaten....Je ziet het voor je: Ze vliegt hem om de hals. Van de hel in de hemel ! Diegene die zij verloren waande, lééft en noemt haar bij haar naam... Tenminste als we het Hooglied volgen: Ik zal hem niet meer loslaten tot ik hem gebracht heb in het huis van mijn moeder, in de kamer van haar die mij gebaard heeft... d.w.z. tot het huwelijk is voltrokken... Zo moet Maria ook gedacht hebben, vul ik in. Jezus is terug, haar Jezus is terug en zij wil hem nu voor de rest van haar leven nooit meer afstaan. Hij is van haar... Haar zielsbeminde:
Hier gaan - zo had u al vermoed - de wegen van het Hooglied en het Evangelie uiteen: het verschil komt aan het licht. betekenisvol: De opgestane laat zich niet opeisen, niet claimen. Houd mij niet vast… Hij laat zich niet door zijn volgelingen brengen in het huis van de moeder. Houd mij niet vast ! (Grieks: μή μου ἅπτου - mè mou haptou.. - u herkent hapto-nomie. De gebiedende wijs suggereert het stoppen van een handeling) zegt hij… Grijp mij niet vast (Hooglied!) Laat mij los, laat mij gaan. En – toevallig of niet: tegenover het huis van de moeder stelt Jezus de Vader… Houd mij niet vast, want Ik ben nog niet opgegaan naar de Vader.
Jezus wil wel met de zijnen verbonden blijven, maar er moet afstand zijn. Daar staat de Vader voor, i.t.t. de moeder (= geboorte, afkomst, schoot), … Vader is afstand, om de juiste relatie te vinden. Maria moet haar zielsbeminde laten gaan, niet claimen voor zichzelf… zal ik maar zeggen (Geen fusie). Ze krijgt een opdracht. Ze moet zelf ook op weg gaan… niet naar de hemel achter Jezus aan, niet naar een klooster om de wereld achter te laten, niet met de dierbare op een eiland, nee: De Opgestane stuurt haar welbewust terug de wereld in: Ga naar mijn broeders… zegt Jezus…
-- even stilstaan: Hoort u dat? Broeders… noemt Jezus zijn volgelingen (stuk voor stuk afvalligen, loochenaars, slaapkoppen, weglopers) … broeders, mijn broers... terwijl ik naar mijn Vader ga, uw Vader...., mijn God en uw God. Mijn, èn uw! Wat een verrassing. Hiermee brengt Jezus de relatie tussen hem en de zijnen (Verbond) letterlijk en geestelijk op een hoger plan.
Maria wordt uit haar ‘in zichzelf geplooid zijn’… haar vastzitten in haar gevoelens, bevrijd. Apostel der apostelen wordt ze: zij moetde discipelen verkondigen wat er daar gebeurd is in de hof, dat zij de Heer gezien heeft en dat Hij dìt gezegd had….
Ze is de directe band met haar Meester kwijt, maar toch heeft zij haar zielsbeminde gevonden... Zij krijgt Hem terug in zijn broeders en zusters. Ze wordt naar de gemeenschap verwezen. Daar moet zij heen gaan, daar mag zij in verblijven. En samen mogen zij ‘als in genade aangenomen kinderen Gods’ de geestelijke aanwezigheid van de afwezige Heer beleven.Niemand uitgesloten trouwens, ook de ongelovige Thomas niet… Gelovig zijn is aller opdracht, niet ongelovig. Dat wil zeggen: vertrouwensvol durven leven, ondanks dood en lijden en pijn… Elkaar ook niet loslaten als het iemand eens teveel geworden is… en hij God kwijt is…
Als wij als mensen zo met elkaar leven, laatste gedachte, dan wordt deze aarde toch weer een paradijs. Niet meer in de naïeve zin van Genesis 2… Nee, dat Paradise is lost… Mens-zijn is schuldig worden, en daar zijn wonden, daar is pijn. Het leven is gebroken. Na Goede Vrijdag en Pasen blijkt de boom die in het midden van de hof staat, het kruis van Christus te zijn, maar is nog steeds de boom des levens. Het lijden van de tegenwoordige tijd wordt niet ontkend. De opgestane zelf draagt de sporen ervan mee. Het is niet voor niets dat tot op vandaag Hij in het ‘breken’ van het brood wordt herkend... En tegelijk: mogen we erop vertrouwen “dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die over ons geopenbaard zal worden in Christus Jezus, onze Heer,”
Amen.
Cyrillus van Alexandrië over Hooglied 3 (fragmenten, Patrologia Graeca 69, kolom 1285)
meer toelichting: https://blog.wursten.be/cyrillus-over-het-hooglied-en-maria-magdalena/
Griekse tekst: 
vertaling:
s Nachts op mijn bed
(slaapvertrek) zocht ik hem
Het is duidelijk dat het hier gaat over de vrouwen die zeer vroeg op
de Sabbath naar het graf van Jezus zijn gegaan en hem niet hebben
gevonden. 'Op het bed' of 'vanaf het bed'; 'haar bed' (of
slaapvertrek) zo noemt ze het graf van de Heer waarin wij met hem
begraven zijn. (Rom 6,4)
Maar zij vond hem niet en hoorde daarentegen: "Hij is niet hier, want
hij is opgestaan." (Lk 24,6) En de wachters-engelen vonden haar,
aan wie zij vroeg: "Waar hebben jullie de Heer gelegd?" (Joh 20,15).
En terwijl zij de ondervraagden voorbijging, verscheen de Heer
zeggend: "gegroet" (Mt 28,9). Daarom zegt ze: "Nauwelijks was ik hen
voorbijgegaan en ik vond hem, en ik liet hem niet meer los" (=Hgl
3:3,4). Want zij greep zijn voeten vast, en hij zei: "Houd mij niet
vast". (Joh 20,17 - voeten = conflatie met Joh 12,3). En het 'huis van
de moeder' (=Hgl 3,4) zo noemt hij de samenkomst ('synagoge' in het
Grieks) van de apostelen, waarheen hij haar zond om de blijde
boodschap te brengen van Christus' opstanding. (Joh 20,18)