Lukas 13:6-9
Hak hem om !’ – ‘Laat hem nog dit jaar staan’ – ‘Misschien …’
een vijgeboom temidden van de druivelaars
Sint Norbertuskerk (Bach cantate 2018, gewone viering 2022)
een vijgeboom temidden van de druivelaars
Met een zekere
argeloosheid beginnen we deze gelijkenis te lezen. Iemand bezat een
vijgeboom, die in zijn wijngaard was geplant. Wie die ‘iemand’ is en
waarom hij een vijgeboom in een wijngaard heeft geplant, wordt niet
gezegd.
Nu is dat op zich niet zo vreemd: Vijgebomen in
wijngaarden dienen soms ter ondersteuning van de ranken van de
druivelaars of – niet te onderschatten – om wat schaduw te geven aan
de wijngaardenier als die op het heetst van de dag eens wat wil
uitrusten.
Maar dan moeten ze wel vrucht dragen, die vijgebomen.
En dat hoeft niet meteen. De natuur heeft tijd nodig. Dat weet
de eigenaar ook wel.
Maar toch. Het eerste jaar niets, okay. Dat
is normaal. In het tweede jaar nog niets, nu ja, kan gebeuren.
Geduld. Maar dan: in het derde jaar nog niets. Die boom staat daar
maar te staan. Lover genoeg, schaduw à volonté, maar geen vijg te
bekennen. Niet één. De eigenaard is het zat.
Hij richt zich tot
de wijngaardenier en zegt:
Zie, het is nu al drie jaar, dat ik
vrucht aan deze vijgeboom kom zoeken en ik vind ze niet. Hak hem om!
Waartoe zou hij nog langer de grond uitputten?
De eigenaar is een ernstig man. Hij baat een wijngaard uit… Die moet
opbrengen. Goede grond is kostbaar, zeker in Palestina. En zijn
gezin en dat van de wijngaardenier moeten van die wijngaard
leven. Dat die vijgeboom groeit en groeit, en vijgebladeren in
overvloed produceert, maar geen enkele vrucht. Dat is niet
verantwoord. Hij put de grond uit.
De afweging is snel
gemaakt: Hak hem om !
Maar dan klinkt er een stem, een
tegenstem. De wijngaardenier neemt het op voor de vijgeboom.
Hij
is de man die in de aarde graaft, die plant, snoeit, bemest. Hij
staat dichter bij de gewassen dan de eigenaar. Hij leeft mee met wat
daar aan leven tevoorschijn komt. Hij heeft er zich aan
gehecht. Wie in een hof werkt, krijgt iets van de hof in zijn ziel.
De akker, de wijngaard, de vijgeboom: ze zijn een stukje van hemzelf
geworden:
Laat hem nog dit jaar staan, zegt hij… Ik zal m nog
eens bemesten … en dan volgend jaar, misschien.
Omhakken,
zegt hij, is zonde, zonde van de boom… Immers: daarin is nu ook al 3
jaar geïnvesteerd… De ene plant is nu eenmaal wat trager dan de
ander. Geduld… Volgende jaar misschien… wie weet.
We moeten
de eigenaar en de wijngaardenier niet tegen elkaar gaan
uitspelen. De eigenaar is niet hard en gevoelloos: Neen, hij is al
geduldig al 3 jaar. En de wijngaardenier is geen sentimentele groene
jongen. Neen, de boom moet wel vrucht dragen? Daarvoor is die
geplant…
Beide maken zij zorgen omdat die vijgeboom maar
niet tot z’n recht wil komen. z’n doel mist. En dat vinden ze beide
‘zonde’.
Beide verzetten ze zich daartegen, tegen die zonde… Ze
verschillen over de aanpak, maar over de kern van de zaak, zijn ze
het eens: Een vijgeboom die geen vrucht draagt, dat is zonde… En
dan moet je in actie komen.
Beide stemmen zijn evenwaardig. Beide drukken ze een gedachtengang uit die klopt
Beide hebben met God te maken hebben. De stem van het recht (oordeel), en de stem van het geduld (genade). We moeten ze samen horen, polyfoon, contrapuntisch. De gelijkenis eindigt immers niet met één van de twee is goed, de ander niet. Sterker nog: het is helemaal onbeslist, open. Beide houdingen – SAMEN – doen de werkelijkheid recht. De spanning voelen, dat is essentieel.
Vaak doen we dat niet in de kerk… Vaak strepen we ze tegen elkaar weg.Dan maken we van de stem van de eigenaar de ‘Strenge God’, die oordeelt, en de wijngaardenier wordt dan Jezus’, die het voor ons opneemt. Dat is een gevaarlijk heldere uitleg. Want voor je er op bedacht bent stel je recht en genade tegenover elkaar. Dat is niet bijbels, en dus niet christelijk.
Met Israel geloven wij immers niet in twee goden, een strenge en een lieve, ook niet in een ‘gespleten godheid’, nu eens rechtvaardig - dan weer barmhartig. Er is één God. Zijn naam is geopenbaard over Israël. Hij is die zal zijn en was. rechtvaardigheid is barmhartig. Zijn barmhartigheid doet mensen recht, laat mensen ‘tot hun recht komen’. Zijn genade is niet ‘zand-erover’ (= on-recht), maar een opperste vorm van recht-doen, out of the box… van iets slechts toch nog iets goed proberen te maken.
Waar we trouwens ook mee moeten stoppen is die ‘strenge God’ aan het Oude Testament toewijzen: en dan in het Nieuwe Testament ‘een fijne lieve God’ zien. Jesulatrie, waar ook Jezus zich niet in zou hebben herkend.
We hebben Exodus gelezen: Daar hoort u de bewogenheid van deze God. Hij heeft ‘terdege gehoord de jammerklacht van het slavenvolk’. Hij kiest partij voor de onderdrukte… tegen de farao. Hij gaat op zoek naar wegen van uittocht, verlossing. En wie farao is vandaag: ik hoef er geen plaatje bij te tekenen. Ik en de Vader zijn één , zegt Jezus. Net als de Vader neemt ook Hij het op voor de verdrukte, de weggeduwde, de platgebombardeerde. En tegelijk is hij ook streng in z’n genade. Hij praat niets goed, nergens zand over: integendeel: Wat in de mens is komt aan de dag…en dan neemt hij het op voor die in de hoek staan waar de slagen vallen: die richt hij op, zet hij recht op hun voeten. … En zo doet hij ‘recht’.
De gelijkenis is wat dat betreft eigenlijk zeer duidelijk.
Ze kiest niet voor de eigenaar wiens geduld een einde heeft, maar ook niet voor de tuinman die nog een kans wil geven. Ze heeft een open einde… Het gesprek is nog niet afgelopen. Het zal volgend jaar worden voortgezet. De boom krijgt een genadejaar, maar dan keert de vraag terug: Als hij dan geen vrucht draagt… is het gedaan.
Hier zie ik de link met de Psalm, waarmee ik begon. Waarin aangeslagen bedreigde mensenkinderen ‘roepen’ tot God, om hen te beschermen, hen te redden (zoals Israel in Egypte). Dat hij de vijanden zal doen vergaan… Dat is niet omdat Hij zin heeft in ondergang, maar omdat hij niet verdragen kan dat ‘bomen die geen vrucht dragen’ steeds maar door groeien, de goede grond uitputten… ten koste van anderen… Dan neemt de God van de bijbel het op voor zijn mensen. Hij kiest partij. En daar hoort ‘strijd’ bij, want de macht van het kwaad geeft zich niet zomaar gewonnen. Zoals uit het vervolg van het verhaal in Exodus duidelijk wordt: Farao verhardde zijn hart… Dus. Inderdaad: God is liefdevol en genadig, maar die genade mag nooit verdampen tot een vage toegeeflijkheid die nooit-beslissend spreekt. Gods liefde is geen lievigheid, maar is passioneel betrokken op het welzijn van àlle mensen, en neemt het op voor degenen die van zichzelve weinig ruimte innemen… die niet voor zichzelf kunnen opkomen, die geen stem hebben.
God wil dat zijn schepping vrucht draagt… àlle schepselen. Dat is zijn engagement. Daar ‘strijdt hij voor’…
En als er schepselen zijn die breed uitstoelen, voor zichzelf 'leven' en anderen de ruimte om te bloeien afnemen, dan... kiest hij partij.
Dat ook de armen en verdrukten mogen leven, tot hun recht komen. Daar geeft hij alles voor, ja zelfs zijn eigen … leven.
Vrede komt, als recht is gedaan. Amen.
|
|