Home

lijst met preken

 

 


Jezus op de Olijfberg

Genk, 16 maart 2008

Palmpasen /Passiezondag

 

-           aanvangslied: psalm 98: 1 en 2

-           stil gebed / votum & groet

-           Palmpasen…

-           lied: psalm 98: 3 en 4

 

-           gebed om ontferming

-           lied: gezang 173:1 en 4

-           woord ten leven: Romeine 12: 1 en 2

-           lied: gezang 173: 5

-           gebed bij de opening van het Woord

-           Schriftlezing: Lukas 22: 39-46

-           lied: gezang 180: 1, 5 en 7

-           preek

 

Gemeente,

Wij lazen het bekende verhaal van Jezus' lijden in Gethsemané volgens de beschrijving van Lukas. Het zal u misschien wel opgevallen zijn, dat het iets afwijkt van de bekendere versie uit Mattheüs (en Markus). Elk van de evangelisten geeft zijn eigen stempel mee aan het verhaal. Trekken die je bij Mattheüs en Markus vindt, ontbreken bij Lukas en omgekeerd:

Lukas heeft enkele bijzonderheden, die je bij Mattheüs tevergeefs zoekt.

Vroeger vonden de bijbeluitleggers dat vaak vervelend en probeerde die verschillen uit te wissen (evangelie-harmonie). Ik vind dat een schriftgetrouwe bijbeluitlegger de verschillen serieus moet nemen, want juist daarin meldt zich vaak het eigen accent van de schrijver.

Wij laten ons dus vanmorgen meenemen en bepalen door Lukas.

 

1. Eerst de setting

De Pesachmaaltijd is voorbij. Jezus voelt dat de ontknoping dichterbij komt en hij voorvoelt dat het geen ‘prettige’ gaat zijn. Hij verlaat de stad, steekt het Kidrondal over en beklimt de Olijfberg. Volgens Lukas was Jezus gewoon dat te doen, d.w.z. dat deed hij wel meer: ’s avonds de stad uitgaan en verpozen in de hof der olijven.

 

Was dat om zich te onttrekken aan het stadsgewoel, om ‘er even uit’ te zijn? Vast wel, maar niet alleen daarom, maar ook om zichzelf even stil te zetten, stl te worden, de dingen op een rijtje te zetten en goed tot zich te laten doordringen.... wat is er nu eigenlijk aan de hand, wat gebeurt er, wat staat er op het spel… en hoe gaan we dan verder.. Kortom: om te bidden. Bidden dat is jezelf helderheid proberen te verschaffen over de ‘te gane weg’… Samen met God, via de omweg van de blik van boven. Bidden is – naar een woord van Augustinus, ik heb het al vaker aangehaald  – “niet bedoeld om God te instrueren maar om je zelf te construeren”. Jezelf op de juiste weg te zetten: "Non ut Deus instruatur sed ut ipsa ['mens' = geest] construatur"

 

Blijkbaar is Jezus zo vlak voor het einde er nog niet helemaal uit. Wat moet hij doen, en wat niet.... “moeten” in de zin van noodzakelijk zijn. Je voelt dat Hij volkomen beseft dat de weg die hij gaat (van de wet en de profeten) bepaald niet zonder gevaar is. De botsingen waren bij tijd en wijle hevig, zowel aan de religieuze als aan de politieke kant.

Zopas heeft hij in de tekenen van de Pesachmaaltijd gesuggereerd dat hij vermoedde dat het wel eens de weg van het offer zou kunnen zijn. Brood en wijn signaleerden dat (of zijn dat retro-jecties vanuit de kerk. Op zich immers is de Pesachmaaltijd de maaltijd van de nakende bevrijding: liberation-day). Jezus voelt het onvermijdelijke dichterbij komen, het momentum, waarop de beslissing valt. Toekomst en heden schuiven in elkaar. En die lotsbestemming begint zijn gemoed te vervullen, maar dat wil nog niet zeggen, dat hij er klaar voor is, of klaar mee is.

 

Vandaar dat wat in de hof der olijven in Gethsemane gebeurt, zo aangrijpend is.

Die laatste etappe (dat gebroken worden): moet dat echt zo?

Metterdaad … totterdood … of kan het ook anders?

Zelfs als het inzicht dat het moet (noodzakelijk is) groeit, wil dat nog niet zeggen dat de acceptatie dàt dat zo is...  er ook is, laat staan de instemming ermee, dat het zó goed is….

De schaduwen beginnen ook wel erg zwart te worden, bangstigend. Het duister dringt zijn gemoed binnen. De hof der olijven heeft voor Jezus niets lieflijks meer.

 

Afin: tijd voor de perikoop zelf om te gaan spreken. De achtergrond is voldoende geschetst.

 

Bidt, dat gij niet in verzoeking komt, zegt Jezus tot zijn discipelen (allemaal, niet slechts de drie!) Vreemde openingszin. Wat bedoelt hij. Over welke verzoeking heeft hij het ?

 

Zijn eigen misschien: ‘weglopen ?’, ‘vluchten voor het lot’?

Ja..., zou het niet kunnen zijn dat Jezus met deze woorden meer nog tot zichzelf spreekt dan tot zijn volgelingen. Immers wat volgt is dat hij zich van zijn discipelen afzondert en bidt om staande te blijven in de grote beproeving die komen gaat.

Niet in verzoeking komen = tijdens een grote beproeving staande blijven. Het Griekse woord “peirasmos”  kan beide betekenen: verzoeking-beproeving: ‘test’ (NBV heeft beproeving).

 

En dit doet Hij nadat Hij zich had afgezonderd van zijn discipelen. Lukas meldt een afstand (alléén hij): ongeveer een steenworp van hen vandaan, schrijft hij. Dat wil zoveel zeggen als: Hij ging ver genoeg weg om alleen te zijn en tegelijk ook niet te ver om contact met hen te verliezen..  Hij zondert zich af van hen, maar verwijdert zich niet van hen. Hij blijft in de buurt, de band blijft bestaan… en toch gaat Hij zijn eigen weg.

Hij knielt neer en bidt  (42):

Vader, indien Gij wilt, neem deze beker van Mij weg;

 

Duidelijker kan niet: Jezus ziet er tegen op, tegen de weg die voor Hem ligt. Hij vraagt of deze beker van Hem kan weggenomen worden. Dat is zijn bede, zijn wens, zijn wil...

Mag mijn weg niet zó zijn vraagt hij, dat ik hier niet doorheen moet. Kan ik er ook niet langs? Moet ik de beker drinken….

De beker, de drinkbeker... Tegen de achtergrond van het Oude Testament is dit vooral een beeld voor de toorn van God, het oordeel van God over het kwaad. De beker van God gramschap, gevuld tot de rand met Gods gericht: die beker ! (lijden, bittere dood)

 

Jezus vraagt: neem die van Mij weg...

En alles wat mens in ons is, begrijpt dit gebed, verstaat Jezus.

Wie wil er nu graag lijden en met name: wie wil er nu lijden onder Gods toorn ?

Gewoon lijden is al erg genoeg. Lichamelijk. Je lijden dan ook nog moeten beleven als door God beschikt is nog erger… als straf.

Jezus huivert als hij er aan denkt wat dat betekent.

 

Jezus was een mens van gelijke beweging als wij. Geen halfgod-halfmens, neen waarachtig mens…. net als wij – zegt de schrijver aan de Hebreeën – in alle dingen verzocht geweest. Ook hier: hij wil er onderuit… Hij ziet er tegen op.

Vader, indien Gij wilt, neem deze beker van Mij weg;

 

... doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede!

Uw wil geschiede... Vader in de hemelen…

Ieder mens die echt leeft, weet hoeveel moeite het kost om die woorden ook ècht te bidden, ècht te menen. Niet mijn wil, maar uw wil... zeker als mijn wil niet strookt met wat Gods wil lijkt te zijn, echt de wil is van een Ander, een andere kant op wil.

Jezus heeft het er moeilijk mee. Maar God zwijgt. Er komt geen antwoord. En al helemaal geen verandering van plan. Er is geen plan B.

 

Enkel, zo meldt Lukas, verschijnt er een engel uit de hemel om Hem kracht te geven.

Maar het lijkt wel alsof die engel een averechts effect heeft op Jezus getormenteerde ziel.

Want direkt daarna wordt hij dodelijk beangst (‘agonie’ in het Grieks, vers 44: doodsnood) en wordt zijn gebed nog vuriger.

Vreemd effect, maar toch wel invoelbaar. Als God een engel zendt om je kracht te geven, dan betekent dat tegelijk, dat je het lijden zult moeten dragen.

Dat m.a.w. het gebed om de beker voorbij te laten gaan nìet wordt verhoord. En die gedachte kan Jezus – ook met de kracht van de engel erbij – haast niet aan.

Hij dráágt het bijna niet meer. In zijn poging om zich Gods wil eigen te maken, kraakt hij, geraakt hij in doodsnood.

 

Bidden = je Gods wil eigen maken, totdat je eenswillend bent geworden met God omtrent de “te gane weg”.

Dat klinkt zo simpel en dat is het ook: eenvoudig. Maar juist daarom is het zo moeilijk. Want eenvoud veronderstelt concentratie, radicale onderscheiding tussen wat wezenlijk is (en dus moet) en wat bijkomend is (en dus gemist kan worden)

En juist daarom bidt Jezus des te vuriger, des te volhardender, want zijn wil en Gods wil nog zijn nog niet tot één wil samengesmeed.

 

En zijn zweet werd als bloeddruppels, die op de aarde vielen.

(Opnieuw een eigenaardigheid van Lukas). Fysiologisch schijnt het te kunnen, onder extreme omstandigheden, zegt men. De ziel (uweetwel: de drive om te leven) wordt dan zo samengeperst, zo beklemd, dat het menselijke lichaam te klein is, barst. Maar ook los daarvan: als beeld is het aangrijpend.

De drive in Jezus om te overleven, de gezonde normale menselijke levenslust… hij heeft die. En hij worstelt hier om die, juist die, te onderwerpen aan Gods wil, wetend dat ze dan opgegeven geofferd moet worden.

 

Een gewoon mens kan het er al af en toe benauwd van krijgen als hij de weg van God voor zich ziet. Juist omdat je kunt weten, diep-in, dat een bepaalde weg wel degelijk Gods weg is en je hem eigenlijk nìet wilt gaan!

Deze benauwdheid, maar dan vermenigvuldigd tot in de hemelse macht: dat is het wat Jezus zweet in bloed deed veranderen.

 

Wat ik hierin dan indrukwekkend vind is dat Jezus blijft bidden, net zo lang tòt zijn wil en Gods wil echt eens-willend zijn geworden.

Hoezeer hij ook benauwd wordt door zijn angst en doodsnood, tòch blijft Hij roepen in de richting van God.. zoeken naar eenswillendheid met God.

Ja, straks, aan het kruis als Hij het uitroept, nog vreselijker dan hier, dan schreeuwt Hij het God in het gezicht: Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten! Waren wij het dan niet eens? Is dit nu wat u wil?

En zelfs op dat moment, vanuit de godverlatenheid, roept Jezus tot God… Hij snapt er niets meer van, maar er is geen ander om daarmee te confronteren, dan God ...

Ook een gebed dat totale radeloosheid verwoordt, blijft een gebed.

Ook met vertwijfelde stem kun je God aanroepen.

Bidden doe je immers niet om God te instrueren, maar om je zelf te construeren...

Deze vasthoudendheid, dit niet loslaten van God, ook als God je loslaat, maakt voor mij Jezus tot de Christus. Dìt wijst Hem aan als de Messias.

 

Zo op leven en dood verbonden aan God, keert hij terug naar zijn discipelen.

En Hij stond op van het gebed en ging tot zijn discipelen... (v45)

 

En zie: zij zijn in slaap gevallen... niet van moeheid, maar van droefheid zegt Lukas (nog een eigenaardige bijzonderheid). Vreemd détail.

 

Hebben zij misschien de strijd van Jezus vanop een steenworp afstands gevolgd, hebben ze – zo goed en zo kwaad het ging meegebeden, meegestreden – hebben ze gezien, gevoeld dat er een gevecht plaats vond dat al hun begrip te boven ging… en hebben ze geleden omdat hun meester zó moest lijden…

En heeft die droefheid om zoveel onbegrepen pijn hen overmand?

Is het hen teveel geworden?

Hebben ze daarom het hoofd in de schoot gelegd en zijn ze ingeslapen?

 

Hoe het ook zij: als Jezus terugkomt uit zijn beproeving – nu ècht klaar voor de laatste etappe van zijn levensweg – dan zegt Jezus Waarom slaapt gij? Staat op, bidt, dat gij niet in verzoeking komt (v46)…

Dezelfde zin als in het begin, maar toch anders nu, omdat enerzijds Jezus zijn ziel samengevoegd heeft naar Gods wil, bijeengeraapt, en anderzijds omdat de vermaning nu voorafgegaan wordt door een opdracht

Sta op… en bidt…

 

Daarom (parafrase van Efeze 5:14v : )Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden

laat Christus over u lichten !

Concentreer u op ùw weg…  tracht te verstaan, wat de wil des Heren is ! Amen.

 

-           lied: gezang 462: 1 en 2

-           geloofsbelijdenis (met Klein Gloria)

-           gebeden

-           collecten

-           slotlied: gezang 293: 1 en 2

-           heenzending en zegen

-           "amen.." (gezang 456:3)

 

 

 

 

lijst met preken