lijst met preken

Home

     

 

 

preek 4de advent: JESAJA 7:9b

Genk, 23 december 2007 (4de advent) 

 

(“Als gij niet vertrouwt, dan wordt ge niet gebouwd.”)

 

Gemeente van Christus,

Angst is een slechte raadgever, zeker als je panisch wordt. Dan doe je al gauw dingen waar je achteraf spijt van hebt. Als de paniek is verdwenen en je de dingen weer in wat gewonere proporties begint te zien, dan ontdek je dat vaak de remedie erger was dan de kwaal.

 

Daarom dat terreur ook zo erg is. Er hoeft op zich niet zoveel te gebeuren, je hoeft niet zoveel fysieke of militaire macht te hebben, als je maar terreur kunt zaaien. terror: schrik, angst. De aanslagen van 9/11 waren spectaculair, maar de belangrijkste impact is uiteindelijk niet de instorting van Twin Towers geweest, maar dat na 9/11 een deel van de mensheid door angst werd bevangen... Overal zag men bedreiging. Niets, niemand vertrouwde men meer. Veiligheid werd hèt item, boven alles, maar en dat is de ellende van de terreur,  juist veiligheids-maatregelen roepen een gevoel van onveiligheid op.

Probeer je de angst te bezweren, wordt ze altijd groter. Alle aandacht voedt haar...

 

En angst is een slechte raadgever: Iedereen die belooft de angst te zullen bezweren, krijgt vertrouwen. Hoeveel politici hebben geen garen gesponnen bij de angst die de terreur heeft verspreid. Niet om de reële oorzaken daarvan an te pakken, neen: enkel om hun macht of gewin te vergroten.  

Hoeveel ‘zieltjesjagers’, in allerlei sekten (religieuze en – meer en meer – therapeutische), pakken de mensen op hun angst. Zij beloven bevrijding van alle kwalen, verlossing van alle angsten.... àls je je maar volkomen aan hen overgeeft, je aan hen toevertrouwt. De gevolgen zijn geweldig (!), de bestaansangst lijkt bezworen,... maar op de (langere) duur nefast: je hebt je vertrouwen weggeschonken en je krijgt het niet meer terug.

 

Angst is echt een slechte raadgever!

Een mens doet er dus op alle terreinen van het leven verstandig aan te proberen om z’n beslissingen niet te nemen uit angst voor het een of ander. Daar zit teveel ‘negativiteit’ in, wat zich nadien onherroepelijk wreekt. Zelfs in zeer moeilijke situaties doet men er goed aan om toch vanuit een positieve bron te putten als men keuzes maakt.

En die bron bestaat ook: dat is het vertrouwen. Vertrouwen is het tegenovergestelde van angst. Of preciezer: Angst is eigenlijk niets anders dan gebrek aan vertrouwen. Vertrtouwen is het basisgegeven – positiviteit –,  angst is de pervertering ervan, pure negativiteit. het zwarte gat.

 

Door toch opnieuw vertrouwen te schenken en te ontvangen, ontneem je aan de angst z’n voedingsbron. Dan is de angst wel niet meteen weg, maar begint ze toch, per keer dat het lukt,  terrein te verliezen. Vertrouwen dus, dat is het sleutelwoord.

 

Nu zijn we bij Jesaja, want Jesaja is de profeet van het ‘vertrouwen’. In onze vertaling meesatl vertaald met ‘geloven’., zoals in onze tekst van vanmorgen :  Indien gij niet geloofd, gij wordt niet bevestigd

òf positief geformuleerd: Als ge gelooft, dan wordt ge bevestigd!

 

Jesaja speelt hier met één Hebreeuws werkwoord: een werkwoord dat wij kennen:  ‘aman’ -> amen. Dit werkwoord staat 2 x in onze tekst: zowel op de plaats waar onze vertaling ‘geloven’ vertaald als ‘bevestigen’.

im loo ta’amienoe..                 ki loo tee’aameenoe.

Als gij niet geloofd,                 zo wordt gij niet bevestigd...

 

De grondbetekenis van dat werkwoord is: vast zijn, stevig zijn (amen = zo is ’t):

1. binnen relaties betekent dat: betrouwbaar zijn, trouw zijn

2. in dingen: bestendig zijn, dúren.

 

Geloven =: “Iemand voor betrouwbaar houden”, “in iets of iemand vertrouwen hebben”: in God, in het leven, in elkaar.

Onze Nederlandse taal is op dit punt trouwens wat armoedig, net als de Duitse, omdat zij maar één woord heeft voor voor ‘geloof’. Het Engels en het Frans onderscheiden.

Het geloven als het aannemen van waarheden: to believe / croire... credo

Het geloven als ‘je vertrouwen stellen in God’: faith / foi... fides.

Dat laatste is een soort kracht, een basis element van het zijn zelf: Het geloof, waarmee je gelooft... Onafhankelijk bijna van z’n object, of van z’n inhoud.

 

En over dat ‘geloof’ heeft Jesaja het, daarover gaat het ook in de bijbel

‘Faith’ = durven vertrouwen en van daaruit leven en beslissen.

 

Jesaja zegt: Onze tekst: Wie geen vertrouwen heeft, diens gang door het leven wordt nooit vast.

en omgekeerd: Wie vertrouwen heeft, die zal bevestiging vinden.

Of om het woordspel (één werkwoord lukt niet, maar een rijm) een beetje te behouden:

Als gij niet vertrouwt, dan wordt ge niet gebouwd.

 

En dat is raak natuurlijk. Want het is precies aan dìt basisvertrouwen, dat het koning Achaz schort. Hij leeft in constante angst voor Syrië en Efraïm. Hij is zelfs zo benomen, dat hij het aanbod van goddelijke teken, bedoeld om hem vertrouwen te geven …, afslaat (vers 11)

 

 Maar ookal weigert Achaz dit (op de reden daarvoor ga ik nu niet in[1]), toch krijgt hij het: Zo gemakkelijk laat God zich niet afschepen. God is nl. het bijbelse woord voor de ‘grond en oorzaak van het vertrouwen’.De ‘jonkvrouw’ , zegt Jesaja – zal  zwanger worden en een kind baren en hem de naam Immanuel geven...

 

‘jonkvrouw’ staat er.. ‘maagd’ in de Griekse vertaling (parthenos) die Mattheüs gebruikt... Het Hebreeuwse woord (alma) dat er staat, kàn ‘maagd’ betekenen, maar ook gewoon ‘jonge vrouw’, zelfs de betekenis van getrouwde vrouw is mogelijk. (Hooglied 6:8). In het hedendaags hebreeuws (Ivriet) is dit het gewone woord voor: jonge vrouw.

Afin, dat doet er in dit verband eigenlijk niet toe: Het teken is namelijk niet dat een máágd zwanger wordt, (we moeten goed blijven lezen en ons niet door de traditie laten verblinden) neen: het teken is dat een jonge vrouw het kind dat zij baren zal ‘immanoe-el’ zal noemen: mèt ons is God. Dat is het  teken!

 

Daar gaat het om. Een zwangere vrouw zal haar kind NOTABENE ‘Immanu-el’ noemen: God is met ons !

Gemeente, voor we naar Maria en Jezus springen, moeten we ons eerst realiseren, dat Jesaja hier spreekt tot een Joodse koning van vlees en bloed, die met een groot probleem zat, nl. vijandige troepenbewegingen aan de grens, en een groot gebrek aan vertrouwen.

 

De naamgeving van dit kind is als teken bedoeld voor die koning, daar en toen. En die 'jonkvrouw' zal dan ook wel daar en toen ergens aanwezig zijn geweest. En zíj heeft wat hij niet heeft: vertrouwen... grenzeloos vertrouwen in God, in het leven. Zij noemt haar zoon 'Immanuel', terwijl bij wijze van spreken (en misschien zelfs wel letterlijk) de vijand voor de poort ligt: ‘Immanoe-el’: met ons is God. En enkel jaren later – zo vervolgt de profetie – als het kind een knaap is geworden, zal het met de huidige vijanden waar de koning zo bang voor is, gedaan zijn... (vers 16: Voordat de jongen weet het kwade te verwerpen...)

 

Afin, nog één ding: Wie was die vrouw dan, die Jesaja hier aanwees. (Het lidwoord ‘de’ voor jonge vrouw is te verstaan als een aanwijzend voornaamwoord) Achaz’ echtgenote? Of had Jesaja misschien zijn eigen vrouw meegenomen. t Zou best kunnen, want  hij had inderdaad de gewoonte om zijn kinderen ‘namen met een boodschap’ te geven. Zijn oudste zoon heet bijv. Schear Jaschub = een rest keert weer: geboren op het moment dat Noordelijk Israel in ballingschap werd weggevoerd.

 

Maar over deze vrouw en dit kind weten we niets, alles is speculatie, want het vervolg van de profetie is ons niet overgeleverd… Daarom – en  nu kom ik op de Messiaanse uitleg – dat voor de latere lezers deze woorden iets geheimzinnigs hebben... Juist door de onduidelijkheid (niet ingevuld zijn) ontsluit zich een perspectief, gaan de gedachten zich vermenigvuldigen.

 

Profetie is als een berglandschap, waarin je kunt verdwalen maar waar je ook altijd weer verrast wordt. Als je je wandeling begint, dan zie je één bergwand en je bent onder de indruk... Je begint aan de beklimming en als je halfweg bent en je gaat een bocht om, dan ontdek je achter de bergrug opeens… een volgende… en als je doortrekt en de bergpas oversteekt dan ontwaar je daarachter nog weer hogere toppen enz.

 

De Messiaanse profetieën uit het OT moeten wij ook zo verstaan. Jesaja’s toehoorders zien alleen de eerste bergrug. Zij zien een zwangere vrouw, die haar kind in hopeloze dagen een hoopvolle naam geeft. Een teken is dat ! Zonder meer. Eigenlijk heb je daar geen profeet voor nodig, alleen ontvankelijkheid. Dat zegt toch wat ! Zo’n naamgeving.

 

En dan worden die woorden van Jesaja opgeschreven, omdat die vertrouwensboodschap indruk heeft gemaakt. Ze worden opgeschreven en gaan resoneren in de harten van mensen, in de tijd van Achaz al, maar ook daarna.[2] En ze blijven hun werk doen, hun boodschap verkondigen: Als ge vertrouwt, dan wordt ge gebouwd. En de spanning waaronder ze komen te staan wordt groter, naarmate de werkelijkheid grimmiger wordt. Blijf ‘vertrouwen’, ook, juist, als de 'angst' de keel toenijpt...

 

En zo komen ze als vanzelf in een Adventsverbuiging te staan. Ingebed in een traditie die het vertrouwen wil aanleren, worden ze vertrouwensdragers. En meer dan eens zal het gebeurd zijn dat in een onheilszwangere tijd er een kind is geboren, dat door de tijdgenoten is ontvangen als teken van hoop. En ookal noemde men zo’n kind niet letterlijk ‘Immanuel’ (maar gewoon. Zacharias, - de Heer vergeet het niet - of Johannes – de Heer is genadig of... ), toch was zo’n kind – misschien alleen voor de ouders... – een teken dat God met ons is: Immanuel:  “Zolang God kinderen in ons midden zendt, heeft Hij zich nog niet van ons afgewend.”

 

Zo versta ik het dus dat het is gebeurd, dat de eerste christenen – toen ze elkaar de verhalen vertelden over Jezus – onherroepelijk moesten terugdenken aan de profetie van vanmorgen: dat kind dat geboren wordt als teken dat God met ons is... Vanzelfsprekend toch

Mattheus zegt hiermee gewoon, dat we Christus geboorte moeten vieren als een teken: God is tòch met ons... Heb vertrouwen, want: Als gij vertrouwt, dan wordt ge gebouwd,

 

Amen.

 

liturgie

 

-           aanvangslied: gezang 122: 1, 3 en 5

-           stil gebed

-           votum & groet

-           lied: gezang 124: 1 en 2

-           gebed om ontferming

-           lied: gezang 124: 3 en 4

-           woord ten leven:

-           lied: gezang 124: 5

 

-           gebed bij de opening van het Woord

koning Achaz is bang voor twee koningen: Syrië en van Efraïm. Zij hebben zelfs een inval gedaan in zijn land. Hij knijpt hem. Hij durft geen onafhankelijke koers te varen in de politieke wereld van zijn tijd. Hij neigt ertoe om zich aan één van de grootmachten van toen te koppelen en zich daarvan afhankelijk te maken. Begrijpelijk, want Israël was maar een vlekje op de politieke wereldkaart van die dagen, een speelbal van de grootmachten, een soort doortrekstation, of een slagveld beurtelings voor Egypte, dan weer voor Assur. (vorige week)

Hij heeft een tekort... aan vertrouwen. Aan zèlfvertrouwen, maar ook aan Gòdsvertrouwen. Dan komt de profeet Jesaja op bezoek...

 

-           Schriftlezing: Jesaja 7: 1-16

-           lied: gezang 148: 1

-           preek

-           lied: gezang 148: 2

 

-           inleiding op het Avondmaal > nr. 19

-           geloofsbelijdenis (mel gez 293)

-           viering van het Avondmaal.

-           dankzegging en Onze Vader

 

-           slotlied: gezang 125: 1, 2 en 3

-           heenzending en zegen

-           amen (gezang 456:3)


 

[1] vers 12: Ik zal er geen vragen en de HERE niet verzoeken.  Dat klinkt vroom (Gij zult de Here uw God niet verzoeken) maar dat is het niet perse. Het lijkt mij eerder een uitvlucht om niet van gedachten te hoeven veranderen.... Achaz had zich nl. voorgenomen om tegen de coalitie van Efraim-Syrie hulp te zoeken bij Assyrie. Daar klampt hij zich aan vast. Dat is zijn strohalm, die kàn hij niet meer loslaten.... A.u.b. Jesaja, laat me met rust ! Achaz heeft al begrepen, dat als via Jesaja God zich ermee gaat bemoeien, dat hij dan zijn plannen zal moeten wijzigen. Dat kàn hij niet meer. Dan schrijft hij God maar liever af en geeft Hem vantevoren al geen kans tussen te komen.

[2] Zijn tijdgenoten hebben dat onderkend. Men heeft gevoeld dat er iets bijzonders in zit, iets van God, dat ze geïnspireerd zijn en de woorden worden bewaard. Jesaja zelf geeft er opdracht toe: Bind de getuigenis toe, verzegel de wet onder mijn leerlingen en ik zal wachten op de HERE, die zijn aangezicht verbergt, ja op Hem zal ik hopen... (h. 8:16-18... Ik en de kinderen die de Here mij gegeven heeft zijn tot tekenen en zinnebeelden in Israel).

 

 

 

 

 

 

lijst met preken