Adventslied: gezang
122:
Kom tot ons de wereld wacht…
Votum & groet
Psalm van Kerstmis:
Psalm 98: 1 en 3:
Zingt een nieuw
lied voor God den Here…
Gebed
voorstelling van het thema:
allen op reis…
Er zit in de
regelmatige voortgang van de tijd een zeker gevaar, waarvan wij maar
al te gemakkelijk het slachtoffer worden. Elk jaar wordt het nl.
vanzelf 25 december - wij hoeven daar niets voor te doen. Als wij
maar tijd van leven hebben wordt het dus ook vanzelf weer
kerstfeest. Dat is het gevaar: het wordt misschien wel vanzelf 25
december, maar het wordt niet vanzelf Kerstfeest. Daarvoor moet er
nogal wat gebeuren. Daarvoor moet eigenlijk
alles in beweging komen, wijzelf niet in het minst... net als
toen. Het lijkt wel alsof dat in de verhalen rond Kerst wordt
uitgebeeld. Ook daar komt iedereen en alles in beweging.
Schriftlezing:
Lukas 2: 1-3
1 En het
geschiedde in die dagen, dat er een bevel uitging vanwege keizer
Augustus, dat het gehele rijk moest worden ingeschreven. 2
Deze inschrijving had voor het eerst plaats, toen Quirinius het
bewind over Syrie voerde. 3 En zij gingen allen op reis om
zich te laten inschrijven, ieder naar zijn eigen stad.
“en zij gingen allen
op reis...”
en hij heeft het dan over de mensen, die zich vanwege het bevel van
keizer Augustus naar hun plaats van oorsprong moesten begeven om
zich te laten inschrijven. M.a.w. de gehele wereld kwam in die dagen
in beweging: van de provincie Gallie, (Gallie= incl. Belgica) tot in
Judea en Israel toe.. allemaal op weg naar de inschrijvingskantoren
van de keizer. Die bepaalde en máákte de geschiedenis en al die
mensen: pionnen in zijn schaakspel... hij schuift ze heen en weer.
Toch: de
inschrijvingskantoren van toen zijn nu spoorloos. De keizer en zijn
macht kennen we nog slechts uit geschiedenisboekjes… ja nog
straffer: eigenlijk is keizer Augustus enkel nog bekend bij veel
mensen omdat hij hier genoemd wordt: in het geboorteverhaal van het
kind van Bethlehem.
En naar Bethlehem
gaan, op zoek naar dat kind… kunnen we nog steeds: een geestelijke
reis om te aanbidden, niet de keizer, niet de macht, niet het geld,
niet het geweld, maar het kind, het nieuwe leven..
dien
koning:
zingen: GEZANG 138: 1
en 3:
komt allen tesamen!
1. God begint
Voordat de aanbidding
van deze koning kan plaatsvinden, is er veel werk verzet... , niet
door mensen, maar door God. Hij is het die begonnen is… Hij is al
van eeuwigheid op
zoek
naar de mens, want – zo leert ons de Schrift – Hij is
die mens kwijtgeraakt… verloren. Van den beginne af aan heeft de
mens zich van Hem afgekeerd, terwijl Hij nochtans hun God en Vader
was en wilde zijn. De mens is eigen wegen gegaan… en verloren
gelopen. Gelukkig blijft God hem zoeken. De bijbel is hiervan, van
die opzoekende liefde Gods, a.h.w. het dramatische verslag.
Zo bezien begint het
Kerstverhaal wèl, maar ook nìet met het bevel van keizer Augustus.
Plechtig gezegd: het
begint ten diepste met het raadsbesluit des HEREN om in beweging te
komen teneinde ons te redden: Zijn beweging is èèn en al
bewogenheid.
De HERE, onze God is
lankmoedig en genadig, groot van goedertierenheid en met
innerlijke ontferming bewogen. Daar ligt het echte begin van het
Kerstfeest: die
bewogenheid
zet alles in beweging …
De Heer is is
vastbesloten de duisternis te verdrijven, de schaduw van de dood.
Hij is vastbesloten tot goedertierenheid, tot vrede, tot recht…
Hij is vastbesloten
de oorlog de wereld uit helpen, het juk van de slavendrijvers te
verbreken, zijn koninkrijk van Recht en Vrede te doen laten
aanbreken… Dat is Gods droom van oudsher en in de loop der eeuwen
hebben velen die droom medegedroomd. Profeten raakten er niet over
uitgepraat… Zij deelden ons die droom mee in de hoop dat wij die
droom ook zouden gaan delen… ook in beweging zouden komen:
Schriftlezing:
Jesaja 9:2-6
1 Het volk dat in duisternis
ronddoolt
ziet een schitterend licht.
Zij die in het donker wonen
worden door een helder
licht beschenen.
2 U hebt het volk weer groot
gemaakt,
diepe vreugde gaf u het,
blijdschap als de vreugde
bij de oogst,
zij jubelen als bij het
verdelen van de buit.
3 Het juk dat op hen drukte,
de stok op hun schouder, de
zweep van de drijver,
u hebt ze verbrijzeld,
zoals Midjan destijds.
4 Iedere laars die dreunend
stampte
en elke mantel waar bloed
aan kleeft,
ze worden verbrand, een
prooi van het vuur.
5 Een kind is ons geboren,
een zoon is ons gegeven;
de heerschappij rust op
zijn schouders.
Deze namen zal hij dragen:
Wonderbare raadsman,
Goddelijke held, Eeuwige
vader, Vredevorst.
6 Groot is zijn heerschappij,
aan de vrede zal geen einde
komen.
Davids troon en rijk zijn
erop gebouwd,
ze staan vast, in recht en
gerechtigheid,
van nu tot in eeuwigheid.
Daarvoor zal hij zich
beijveren,
de
HEER van de
hemelse machten.
In de volheid des
tijds, in de Kerstnacht, is het dan zover… Hij komt, om de wereld te
richten, d.w.z. eindelijk eens in de juiste richting te duwen… Niet
met macht en geweld, maar als een kind..
2. Maria gaat op reis
gedicht
Maria
(Hans Bouma)
God wil bij mensen
wonen,
Hij vraagt om
onderdak,
wie stelt zich voor
Hem open,
wie geeft aan Hem
zijn hart?
Waar is het huis op
aarde
dat Hem een welkom
roept,
wie is voor God de
Vader
de mens naar wie Hij
zoekt?
Een vrouw neemt Hem
ter harte,
Maria is haar naam,
haar God is haar te
machtig,
zij biedt haar
diensten aan.
Zij huivert van
ontroering,
geluk valt in haar
schoot,
God kiest haar tot de
moeder
van zijn geliefde
Zoon.
Zo zijn Maria en
Jozef, door God geroepen, op weg gegaan naar Bethlehem, zeker: omdat
de keizer dat had gezegd, zeker, maar
daaronder daarachter is meer, ze zijn in beweging gekomen
vanwege Gods bewogenheid, omdat God komen wil… Daarom is die reis
ook meer dan een aardse reis alleen.. Lukas geeft dat aan, subtiel
door als bestemming niet meteen een plaatsnaam te noemen, maar eerst
een
naam
vol van belofte: ze gaan op weg naar
‘de stad van
David’...
Veelbelovender naam
is er niet in Israel. David ! De koning aan wie God zijn woord en
beloften verbonden had...
dat het koningschap van zijn huis niet zou wijken, (Nathan)
dat zelfs als zijn stamboom zou zijn afgehouwen, geknot, dat er dan
toch nog een nieuwe loot zal voortkomen..., bij mensen onmogelijk,
maar mogelijk bij God... Dat staat er te gebeuren, dat is de
werkelijke hefboom van de geschiedenis, dat brengt hen in beweging..
Schriftlezing: Lukas
2:4-7
4 Ook Jozef
trok op van Galilea, uit de stad Nazaret, naar Judea, naar de stad
van David, die Betlehem heet, omdat hij uit het huis en het geslacht
van David was, 5 om zich te laten inschrijven met Maria, zijn
ondertrouwde vrouw, welke zwanger was. 6 En het geschiedde,
toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zou,
7 en zij baarde haar eerstgeboren zoon en wikkelde Hem in
doeken en legde Hem in een kribbe, omdat voor hen geen plaats was in
de herberg.
- lied:
A
Christmas Carol
(Once in Davids royal city)
3. de engelen en de herders op
reis
Alles komt samen in
dat ene kind, dat ene moment op die ene plaats… De volheid des tijds
noemt men dat, het moment suprème van de wereldgeschiedenis. Dan kan
ook de hemel zelf niet onbewogen blijven. Mattheus meldt de
verschijning van een ‘superstar’ aan de hemel en laat koningen uit
verre streken op reis gaan om deze koning hulde te bewijgen. Lukas
gaat nog een stapje verder: Op zo’n alles veranderend ogenblik, het
kruispunt, keerpunt van de geschiedenis kunnen de engelen in de
hemel ook niet stil blijven zitten. Ook zíj komen in beweging; ook
zij gaan op reis naar de donkere aarde om in de velden van Bethlehem
te zingen van het licht der wereld. Gods wil geschiedt in de hemel,
altijd al, alzoo ook – eindelijk – op aarde:
Schriftlezing:
Lukas 2:8-14
8 En er waren
herders in diezelfde landstreek, die zich ophielden in het veld en
des nachts de wacht hielden over hun kudde. 9 En opeens stond
een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid des Heren omstraalde
hen, en zij vreesden met grote vreze. 10 En de engel zeide tot
hen: Weest niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap,
die heel het volk zal ten deel vallen: 11 U is heden de
Heiland geboren, namelijk Christus, de Here, in de stad van David.
12 En dit zij u het teken: Gij zult een kind vinden in doeken
gewikkeld en liggende in een kribbe. 13 En plotseling was er
bij de engel een grote hemelse legermacht, die God loofde, zeggende:
14 Ere zij God in den hoge, en vrede op aarde bij mensen des
welbehagens. (Lukas 2 NBG)
15 En het
geschiedde, toen de engelen van hen heengevaren waren naar de hemel,
dat de herders tot elkander spraken: Laten wij dan naar Betlehem
gaan om te zien hetgeen geschied is en ons door de Here is
bekendgemaakt. 16 En zij gingen haastig en vonden Maria en
Jozef, en het kind liggende in de kribbe. (Lukas 2 NBG)
zingen: gezang 145: 1
en 2
4. Het herderskind
(kerstverhaal met koor-intermezzo’s)
Duurt het nog lang?
vroeg het herderskind
in de velden van Bethlehem.
Hij woonde daar, met
zijn grootmoeder aan de rand van het dorp.
Waar blijft die
nieuwe koning nou, waarvan je verteld hebt, grootmoeder?
Voel je niet hoe mijn
hart klopt van ongeduld?
Duurt het nog lang?
Grootmoeder voelde
aan zijn hart.
Het klopte
geweldig...
Ze zei:
Het duurt vast niet
lang meer.
Het kan niet lang
meer duren!
Gelukkig!
zei het herderskind.
Als ik hem zie op
zijn witte paard in zijn gouden mantel, dan loopt mijn hart over van
geluk. Misschien spat het wel uit elkaar van blijdschap, zo blij zal
ik dan zijn!
Grootmoeder lachte.
Hoe weet je dat de
nieuwe koning een gouden mantel draagt
en op een paard
rijdt? Heb ik je dat verteld?
Neen, zei het
herderskind.
Maar koningen rijden
toch altijd op paarden.. en soms in koetsen. Ze dragen mantels van
goud en zwaarden van zilver...
En deze koning is
toch de grootste van allemaal..
Als hij komt, dan ga
ik dadelijk naar hem toe...
en dan blijf ik
altijd bij hem...
Maar grootmoeder...
Verschrikt kijkt het
herderskind zijn grootmoeder aan..
Wij hebben niets om
aan de koning te geven.
We hebben ook geen
mooie kleren om aan te trekken..
Zou die koning ons
wel willen ontvangen?
En we hebben ook niks
om hem te geven, als geschenk, kado..
Ach, zei oma,
Als het een goede
koning is, dan let hij daar helemaal niet op..
Maar het herderskind
hoorde al niet meer wat zijn grootmoeder zei, zo druk was hij al
bezig met te verzinnen wat hij die koning geven zal, als ie komt...
...
En opeens wist hij
het:
Hij zou het mooiste
lammetje meenemen uit de kudde en dat aan de koning geven... èn èn
Hij zou kronen gaan
maken voor de koning... d.w.z. koekjes..
Een heel grote schaal
vol lekkere koekjes die zou hij gaan, ronde koekjes, met een gaatje
in het midden .. mooi versierd... allemaal ‘kronen’ voor de koning..
èn èn
hij zou een kaars
versieren en dan menemen om aan te steken als het heel donker was...
Rustig.. rustig maar
jongen, zei grootmoeder.
Ik denk dat die
koning echt niet zoveel nodig heeft hoor...
Ja, ja, riep het
herderskind:
Hij heeft natuurlijk
wel 100 knechten, die allemaal fakkels vasthouden en die op
trompetten blazen... en 1000 lampionnen die licht geven.... en een
heel grote keuken met allemaal bakkers en koks en taarten...
Rustig maar, jongen.
Neem jij je kaars nou
maar mee en je koekjes, als hij komt.. en je lammetje.. het is al
goed..
De rest van de dag en
ook de hele volgende dag nog was het Herderskind druk in de weer om
koekjes te bakken, de kaars mooi te versieren.. Hij was zo moe, dat
hij zelfs geen tijd meer had om grootmoeder met zijn vragen lastig
te vallen... Als een blok viel hij ‘s avonds in slaap toen het
buiten donker werd... Donker werd het èn stil, heel stil...
STILLE NACHT gez. 143
Donker was de nacht
èn stil... vreemd stil..
De sterren hadden
zich verstopt achter de wolken.
De maan was nergens
te bekennen.
Het was koud, ijzig
koud.
De herders warmden
hun handen aan het vuur.
Grootmoeder leunde op
haar stok.
Zij tuurde omhoog.
En opeens was er een
geweldig licht aan de hemel. De herders sprongen verschrikt omhoog.
Verbijsterd hoorden zij een geluid. Het kwam steeds dichter
naderbij... Het was alsof er een koor in de verte aan het zingen
was... Gloria in excelsis deo.... Ere zij God ... Het was alsof de
hemel openging..
EER ZIJ
GOD gez. 134
Het herderskind was
wakker geworden van de muziek.
Hij had het licht
gezien en had het begrepen.
De koning, de koning
is er. Het is zover.
Hij stond te springen
van opwinding..
Hij greep grootmoeder
bij de arm en riep:
Opschieten, snel..
Laten we gaan.
En hij wist niet hoe
snel hij naar de plaats moest lopen waar hij zijn geschenken voor de
nieuwe koning had bewaard.
En hij pakte de doos
met koekjes en de prachtig versierde kaars. en al struikelend trok
hij nog gauw z’n nieuwe schoenen aan en z’n nieuw jas. Het lammetje
begon van schrik te blaten...
Zijn grootmoeder zag
het allemaal bezorgd aan.
Hij had zo’n haast,
dat hij de boodschap van de engel niet eens helemaal had gehoord:
... De engel had
gezegd:
Gij zult een kind vinden,
gewikkeld in doeken, liggend in een kribbe,
Geen kroon, geen
zwaard, geen 100 knechten met 1000 lampionnen.. neen... : een
voederbak in een stal.
Het herderskind liep
vooruit. Grootmoeder kon hem niet bijhouden, zo’n haast had hij om
bij de koning te komen. Zijn rugzak met geschenken stevig op z’n
rug, het lammetje angstig blatend erachteraan.
Daar was het licht en
daar stond de herdersjongen als eerste van alle herders in de stal.
Oog in oog met het
kind.
Het lag in doeken
gewikkeld in een kribbe.
Een man en een vrouw
in gewone kleren, zelfs wat armoeiig stonden er naast. Zij bogen
zich naar het kindje en fluisteren allemaal lieve woordjes.
Toen zagen ze de
herdersjongen.
Maria richtte zich op
en zei:
welkom, jongen...
welkom...
Vier met ons de
geboorte van dit bijzondere kind...
Inmiddels waren ook
de grootmoeder en de andere herders aangekomen en zij knielden bij
de kribbe. Grootmoeder bad en dankte God, en de herders sloten
eerbiedig de ogen...
Maar het herderskind
bleef stokstijf recht staan.
En toen deed hij boos
een stap achteruit.
hij riep:
is dit nu die koning,
grootmoeder, waar u het altijd over had.
Dit kindje hier in
een stal,
in een voerbak voor
schapen.
Dat kan niet! Dat kan
helemaal niet!
Hij lijkt er niet
eens op.
De herdersjongen
draaide zich om en liep weg.
Hij krijgt mijn
geschenken niet.. Nooit niet!
Met een klap sloeg
hij de deur achter zich dicht...
De tranen stonden hem
in de ogen.
Boos was hij, en
teleurgesteld.
Weg liep hij, de
donkere nacht in.
Weg van het licht
boven de kribbe.
Weg van de engelen
die zweefden in de lucht.
Weg van de muziek,
die zij maakten
weg van de stal...
Maar dwars door de
donkere nacht heen,
kon hij horen hoe het
kind was beginnen te huilen,
toen hij zo boos
weggelopen was.
Hij deed zijn handen
voor zijn oren en liep verder.
Maar het geween van
het kind in de stal achtervolgde hem..
Het raakte zijn
hart...
Hij stond stil.
Het geween van het
kind riep hem terug
terug.. naar het
licht.
Het herderskind
keerde zich om...
en ging terug..
En daar stond hij dan
voor de tweede keer bij de stal.
Het zag hoe al die
grote mensen in de stal,
Jozef en Maria, zijn
grootmoeder en de herders, allemaal
probeerden het
wenende kindje te troosten...
Ze spraken lieve
woordjes. Maria nam het op schoot en begon zachtjes te zingen....
HOE LEIT DIT KINDEKEN
Maar wat ze ook
deden, hoe mooi ze ook zongen, het lukte hen niet. Het kindje bleef
maar huilen.
Het herderskind stond
bij de deur en zag het allemaal aan.
Wat moest hij nou
doen?
Hij kon niet anders.
Hij haalde zijn rugzak van zijn schouders, deed hem open en haalde
zijn geschenken tevoorschijn:
Hij stapte naar de
kribbe toe, knielde neer en zei:
Stil maar lief
kindje...
Kijk eens: hier is
een lammetje, een klein lief lammetje.
Voel eens hoe zacht
z’n vacht is... Het is voor jou.
Hier en kijk eens:
Wat een mooie kaars
ik voor jou gemaakt heb, met al die glittertjes erop, die
sterretjes..
Hier ik zal hem
aansteken, dan heb je wat licht hierbinnen in de donkere stal..
En hier, kijk eens,
ik heb ook nog koekjes bij.. voor allemaal hier in de stal.
Het kindje in de
kribbe was stil geworden.
Oh, kijk eens, zei
Maria: hij lacht naar jou...
En opeens begreep het
herderskind, dat hij toch de nieuwe koning gevonden had en dat hij
altijd bij dit kindje wilde blijven.
O KINDEKE KLEIN
Als wij nu zien, dat
de hemel niet onbewogen kon blijven in die eerste kerstnacht ja, dat
alle mensen in beweging zijn gekomen, die van dit evangelie hebben
gehoord, of maar een glimp van dit licht hebben opgevangen: Maria en
Jozef, de herders, de wijzen, de engelen, ja dat zelfs de kosmos
niet stil kon blijven staan en een ster op pad stuurde om deze
koning te begroeten...
moet het ons dan nog
verwonderen dat het kerstverhaal ook ons aanspoort op te staan en op
reis te gaan, uit het vertrouwde patroon van ons leven, uit de
gezelligheden en verworvenheden, verslaafdheden van ons leven, op
weg naar Bethlehem, om te knielen aan de kribbe van deze wonderlijke
koning.
We mogen dan bij
wijze van spreken menen de schaapjes op het droge te hebben, we
worden toch aangespoord om ze -zoals de herders- achter te laten om
die ene Naam te leren kennen die gegeven is onder de hemel tot ons
behoud. Want al onze rijkdom en al ons bezit: het zijn aardse
schatten: ze vergaan, ze kunnen ons leven niet schragen... De enige
schat die nooit opgaat is de schat in de hemelen, een geestelijke
schat, een geschonken goed... en die schat ligt nu in een kribbe, en
die vreemde koning, die nederige mens, man van smarten straks...
roept om erkenning, vraagt ons om geloof, dat is: vertrouwen, dat in
zijn spoor het leven pas echt leven zal zijn… dat enkel waar Hij
regeert Gods koninkrijk zal komen.
Een geestelijke
avontuur zal dat zijn, dat zeker, een pelgrimage uit het vertrouwde
om ècht Kerstfeest te vieren, het feest van de
Umwertung aller Werte, van de redding van het verlorene, de
rechtvaardiging van de goddeloze, de verhoging van de eenvoudige en
de vernietiging van de zelfmachtige.. Wat een verandering van
perspectief levert de zoektocht naar deze Heer ons op.
Toen God kwam… bleek
hij een mens te zijn… menselijker dan de mensen.
Het is een wonder voor ons ogen,
wij zien het maar doorgronden ‘t niet.
En dat wonder roept
tweeerlei reactie op…
1. Van Maria staat
er:
Maria bewaarde al deze woorden, die overwegende in haar hart.
Dat is een innerlijke
manier, een bezonnen manier, introvert. De geestelijke reis gaat zo
a.h.w. verder als een innerlijke reis… Maria’s leven is nooit meer
zoals te voren, niet alleen omdat ze van maagd moeder is geworden,
maar ook omdat ze bezig blijft met wat daar nu gebeurd is...
meditatief, altijd tussen de dagelijkse bedrijven door... de woorden
en daden overwegende in haar hart: Letterlijk: syn-ballein /
conferens = heen en weer werpende, samenbrengende
Zo’n innerlijke reist
duurt een leven lang.
2. Van de herders
staat geschreven:
En de herders keerden terug, God lovende en prijzende om alles
wat zij hadden gehoord en gezien, gelijk hun gezegd was...
Dat is meer naar
buiten gekeerd, meer zichtbaar, minder meditatief, meer uitbundig.
Extravert Beide reacties zijn even legitiem. Christenen moeten
elkaar op dit punt ook leren accepteren als complementair.
Kenmerkend bij beiden is dat de terugkeer naar het ‘gewone’ leven
niet het einde van het ‘wonder’ betekent, maar een doorwerking van
het wonder in het gewone leven nastreeft… zodat ook dat gewone
leven… bijzonder wordt. Gods
woorden
en daden
komen erin tot ontplooiing en de mens
bereikt zijn bestemming en alle dingen komen terecht…
Amen.
Gezang 147:
Looft
God gij christnen, maakt hem groot.
Geloofsbelijdenis
Gezang 147: 5
en 6
Collecten
Avondmaalsviering
Het kind ligt niet
meer in de kribbe…
De engelen zijn
terug naar de hemel.
Ook wij kunnen ons
nu nog rond Christus scharen… om zijn woorden in te drinken en Gods
grote daden ook ons toe te eigenen… door woord en sacrament.
Niet voor niets
begint het aloude avondmaalsformulier en elke inleiding tot de
eucharistieviering met een zin als Verheft nu uw hart naar omhoog
sursus corda…, waar Christus Jezus is…, geen
kindeke in de
kribbe meer, maar gezeten aan de rechterhand van onze hemelse
Vader….
Laten dat deze
ochtend proberen te doen.
6. op reis met en naar God
V. Verheft uw
harten tot God
A. Wij zijn met
ons hart bij de Heer…
Ja, het is goed om
onze God te danken en te prijzen,
overal en altijd. de
God van Israël, de Heer van alle machten.
Altijd is Hij trouw
gebleven, nooit heeft Hij zijn verbond verbroken.
Ja, het is goed om
onze God te danken en te prijzen
overal en altijd.
En wel inzonderheid
op deze dag,.. de dag dat gij zijt gekomen om onder ons uw woning te
maken…
mens temidden van
mensen..
Christus wij loven U,
dat Gij gekomen zijt en zijt doorgegaan Gods naam te spellen..
totdat openbaar werd,
dat Zijn naam oneindige bewogenheid, grondeloze liefde is
liefde die doordringt
in het hart.
liefde die geneest
van binnen
liefde die het kwaad
doet verbleken
liefde die de dood
overwint...
kwetsbaar in ons
midden als een kind..
… die, toen zijn
levensweg zijn einddoel bereikte
zijn vrienden
samenriep, een brood nam, de dankzegging uitsprak, het brak en zei:
Dit is mijn lichaam
voor u.
Doet dit tot mijn
gedachtenis.
En ook de beker,
nadat de maaltijd afgelopen was en Hij zei:
Deze beker is het
nieuwe verbond in mijn bloed. Doet dit, zo dikwijls gij die drinkt,
tot mijn gedachtenis. Want zo dikwijls gij dit brood eet en deze
beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.
Vol verwonderig over
zijn geboorte… en vol dankbaarheid over zijn levensgave willen wij
nu met elkaar het avondmaal vieren.
Komt dan want alle
dingen zijn gereed.
Het brood, dat wij
breken, is de gemeenschap met het lichaam van Christus.
Neemt, eet, gedenkt
en gelooft, dat het lichaam van onze Heer Jezus Christus gegeven is
tot een volkomen verzoening van al onze zonden.
De drinkbeker der
dankzegging, die wij dankzeggend zegenen, is de gemeenschap met het
bloed van Christus. Neemt deze beker, drinkt allen daaruit, gedenkt
en gelooft, dat het dierbaar bloed van onze Heer Jezus Christus
vergoten is tot een volkomen verzoening van al onze zonden.
Gebed des Heren
Slotlied (met toeters
en bellen:
Midden in de winternacht..)
Zegen
In de stad van koning
David,
in de stal van Bethlehem,
ligt de Heiland in een
kribbe,
in het stro daar vind je Hem.
Deze koning
is een knecht,
Hij brengt mensen weer terecht.
Heel zijn leven laat zich lezen
als verwijzing naar Gods hart
Uit zijn woorden spreekt Gods wezen,
in zijn lijden ligt Gods
smart.
Deze koning is een knecht,
Hij brengt mensen weer
terecht.