Jesaja 5 (Het lied van de Wijngaard) en Mattheüs 21: 33-46 (de gelijkenis van de [pachters van de] wijngaard)

 

Geen substitutietheologie please, maar een brede (universele) toepassing op de wereldwijngaard die wij zijn (Jesaja 5: goede vruchten) ook als wij in die wijngaard de rol van pachter mogen vervullen (vruchtgebruik èn goed beheer).

 

 

 

 

BIJ DE LEZINGEN

Zoals u weet is de kerk onlosmakelijk verbonden met Israël.

Om de simpele reden dat de Heer van de kerk een Jood was (idem voor de apostelen). Ook is wat wij ‘de christelijke bijbel’ noemen, voor het grootste deel de Joodse Bijbel. Of zoals een theoloog die ik als student nog heel kort heb meegemaakt in Utrecht ooit zei: “Het Oude Testament is de eigenlijke bijbel en het Nieuwe Testament is slechts de verklarende woordenlijst achterin.” Vriendelijker gezegd: in het NT worden de oudtestamentische profetieën ‘op Naam gezet’…

Vandaag zeer to the point. Want wat wij lezen is een profetie, een gelijkenis van de profeet Jesaja, die zijn toehoorders (= volk Israël) vergelijkt met een wijngaard, door God geplant.

De Evangelielezing is een variatie op deze gelijkenis, die ’m actualiseert en een andere spits geeft.


PREEK

 

1. Israëlzondag

Bij ons valt dat altijd begin mei. Maar in NL is dat de eerste zondag van oktober (vandaag dus). En daarbij hebben enthousiastelingen die het oecumenisch leesrooster volgen pech: Om de drie jaar is de lezing van vandaag dan aan de orde (Mattheüsjaar). En dat is een van de meest beladen teksten in dit verband.

 

[voorlezen uit ‘Bijbel met kanttekeningen’  (toen NBG 1951 uitkwam – keur van theologen uit de breedte van de ‘Hervormde Kerk’ = ds. W.S. Van leeuwen, een zendeling die later in Rotterdam talloze catecheten heeft opgeleid (soort ‘Vlaamse opleidingsschool’ ]

(boven h. 21, vers 28) De drie thans volgende gelijkenissen (de twee zonen, de pachters, het bruiloftsmaal) prediken dat Israël de genadegift van de wijngaard des Vaders en des Heren heeft verworpen, de kans niet gebruikt, de liefde en de lankmoedigheid verworpen. Daardoor gaat de wijngaard naar een ander volk [de kerk].

 

Dat is inderdaad de standaarduitlegging. Men heeft dan wel wat moeite om de gelijkenis punt voor punt toe te passen.

Een knecht/profeet mishandeld, dat gaat nog, maar ‘gedood’ en ‘gestenigd’. Lastig. Wel duidelijk: ‘Ten laatste zond hij zijn zoon’ Dat is Jezus.

De gelijkenis wordt daar ook tamelijk suggestief: ‘hij wordt buiten de wijngaard gegooid en daar gedood’… De hele christelijke preektraditie weet het zeker: dit is een verwijzing naar hoe Jezus op z’n lijdensweg uit Jeruzalem wordt verdreven en buiten de stad ‘op een heuvel genaamd ‘Golgotha’ dat is Schedelplaats’ wordt gedood/gekruisigd.

En dan volgt als klap op de vuurpijl het bekende vers uit psalm 118 ‘De steen die de bouwlieden hebben verworpen, wordt door God tot hoeksteen gemaakt’… Deze wordt hier toegepast op Jezus… verworpen door de Joden, cruciaal voor de kerk.

 

De bouwlieden zijn natuurlijk de leiders van Israel: Schriftgeleerden en Farizeeën. Hun franc valt ook in het vers dat we niet gelezen hebben… Expliciet vermeldt Mattheus daar dat toen zij “doorkregen dat Jezus hen bedoelde met die slechte pachters, ze besloten om hem te arresteren”…. Enkel zijn populariteit hield hen nog tegen.

 

Enkele hoofdstukken later is het zover en begint de kruisweg van Jezus. Mattheus is trouwens ook degene die daarin heel nadrukkelijk de rol van het Sanhedrin, de Schriftgeleerden en Farizeeën en Overpriesters in de verf zet… En op het cruciale moment het volk laat uitroepen “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen”.

 

Moet er nog zand zijn? zou ik zeggen.

De slechteriken zijn de Joden in het algemeen, en hun leiders in het bijzonder.

Zij hebben hun recht op Gods gunst verspeeld. Hun erfenis (de wijngaard, de uitverkiezing) gaat naar een beter volk: de kerk. Ds. Van Leeuwen laat in een kanttekening nog wel verstaan, dat de kerk zowel uit “Israelieten als heidenen” bestond. Het is een magere troost. Het zaad voor millennia Jodenhaat is gezaaid, en het heeft wortel geschoten in de Westerse wereld, en veel vrucht gedragen… en daarna is het overgewaaid naar de islamitische wereld en daar draagt het vrucht tot vandaag.

 

Tsja,

Wat moeten we nu met zo’n verhaal aanvangen?

 

2. Exegetische kanttekeningen.

 

Het is maar de vraag of Jezus deze gelijkenis zo heeft uitgesproken. Alle drie de synoptische evangeliën leveren deze gelijkenis over, maar ze zijn niet identiek. Vooral in de laatste passage (de toepassing op de Farizeeën en Schriftgeleerden) is er variatie. D.w.z. dat elke evangelist uit de traditie put (daar heeft hij de gelijkenis gevonden) en vervolgens het verhaal naar z’n hand zet, invoegt in zijn vertoog (de tekst een context geeft die voor zijn lezers/toehoorders relevant is). Jezus doet dat met Jesaja’s gelijkenis van de wijngaard. Hoe hij dat precies heeft gedaan ca. het jaar 30, weten we niet, maar we kunnen het ons wel proberen voor te stellen. Ook kunnen we een ‘educated guess’ doen over de motieven van Mattheüs.

 

Om te beginnen het eerste: Hoe zou een tijdgenoot van Jezus de gelijkenis van de plunderende pachters gehoord hebben? Ik las een uitleg bij André Chouraqui, een Joodse taalgeleerde die de hele Bijbel in z’n eentje vertaald heeft en van aantekeningen voorzien. Hij ervaart de gelijkenis anders.

Als Jood is hij gepokt en gemazeld door ‘de wet en de profeten’. Hij kent dus Jesaja en Jeremia als z’n broekzak. En hij legt meteen de link met Jesaja 5… HET LIED VAN DE WIJNGAARD.

 

Dat beeld zit diep in het zelfverstaan van de Joden, alle Joden, toen en nu.

Dus als Jezus begint over een landheer die een wijngaard aanlegt, deze omheint, voorziet van wijnpers en uitkijktoren, dan moet iedere toehoorder automatisch gedacht hebben aan dat lied van de wijngaard…

“Mijn geliefde had een wijngaard, gelegen op vruchtbare grond.
Hij bewerkte de grond, haalde de stenen eruit
en plantte een edele druivensoort.
Hij bouwde er een wachttoren,
hakte ook een perskuip uit.
Hij verwachtte veel van zijn wijngaard,
maar die bracht slechts wrange vruchten voort” (Jes. 5: 1b-2).
En verderop staat er: En dan: “Israël is de wijngaard van de Heer van de hemelse machten …

Hij verwachtte recht, maar oogstte onrecht

(goed bestuur/bloedbestuur NBG 1951)
Hij zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting (vers 7).

 

De parallel is met handen te tasten…

En juist daarom springt ook het nieuwe van Jezus’ gelijkenis enorm op. Dat is de verschuiving van de aandacht van de wijngaard naar de pachters.

 

Bij Jesaja is de wijngaard het onderwerp van de gelijkenis. Die blijft in gebreke. Over pachters wordt met geen woord gerept. De wijngaard is het volk, waarin God diep teleurgesteld is vanwege het onrecht dat zij elkaar aan doen. Daarom dreigt de ondergang…Het is de rol van de profeet om daarvoor te waarschuwen, met de bedoeling natuurlijk dat het volk wakker schiet, en zich bekeert. Bij Jezus is dat naar de achtergrond verdwenen. Hij begint bijna identiek, maar richt dan opeens de schijnwerpers op de pachters… Afwezig in Jesaja.

 

Dat wordt het punt van vergelijking in Jezus gelijkenis. Wie die pachters zijn, laat hij in het midden. Dat moeten de toehoorders maar bepalen… of ook niet.

 

En dat levert ruimte op. De reeds genoemde Chouraqui schrijft in zijn voetnoten dat hij in eerste instantie niet denkt aan de leiders van het volk Israel (zoals wij doen op grond van de draai die het verhaal aan het eind krijgt, en het nagesprek), maar aan de Romeinse bezetters.

 

Hij roept het beeld op, hoe in het Israel van Jezus’ dagen talloze rijkere landheren zich niet meer in Palestina zelf bevonden (wegens de onrust die daar heerste, maatschappelijk onzekerheid, relletjes, aanslagen…) maar waren bijv. uitgeweken naar Damascus of Alexandrië en hun wijngaard hadden verpacht.

 

De ‘landheer ging ‘buitenslands’ …

Wie zijn dan die corrupte pachters?

Chouraqui suggereert – ik geef maar door – dat Jezus misschien wel de Romeinen bedoelde, die zich ‘Israel’ (Gods Wijngaard) hadden toegeëigend (bezet) en die bezig waren zichzelf te verrijken. ‘De kolonie uitbuiten’…

En iedereen die daartegen in verzet kwam, protest aantekende, meteen de mond snoerden… en daarbij er ook niet voor terugschrokken om die te liquideren…

 

Ja, dan klinkt het verhaal toch anders.

 

Maar ja, wat doe je dan met het slot ? Dat is toch duidelijk? Daar gaat het toch om de Joodse leiders?

 

Oh ja? Wat staat er eigenlijk:

“De Heer zal de pachters ter verantwoording roepen en hen een kwade dood doen sterven en de wijngaard verhuren aan andere pachters (wijnbouwers), die wel zorgen dat de vruchten op tijd bij hem terecht komen…”

 

Waar staat hier dat Israel wordt ingewisseld tegen de kerk? of de Joden door de christenen? Neen, de gelijkenis is simpeler: Het enige criterium voor de nieuwe pachters is, dat zij moeten zorgen dat de opbrengst bij de Heer terecht komt.

Ik kom daar straks nog op terug.

 

Het is pas als je doorleest over ‘de steen die de bouwlieden verworpen hebben, en die door God tot hoeksteen is verklaar…’ en dan merkt dat in het nagesprek de Farizeeën en schriftgeleerden zelf zeggen dat Jezus hen viseerde/kritiseerde met die pachters… dat je de kant wordt opgedreven van de standaarduitlegging.

Zelf denk ik – maar u hoeft mij niet te volgen – dat dit een volgende stap in de interpretatie is, niet uit Jezus’ mond, in zijn tijd; maar van enkele decennia later, toen Mattheus zijn evangelie opschreef.

 

Net als Jezus de gelijkenis van Jesaja een draai gaf om relevant te zijn in de context waarin hij leefde…

Zo geeft Mattheus deze gelijkenis opnieuw een draai om hem relevant te maken voor zijn lezers/hoorders… die alweer in een heel andere situatie zaten.

 

Het evangelie van Mattheus hoort namelijk thuis in de tijd dat de spanningen tussen de Joden en de christenen in de synagoge hoog opliep. Tot ca. 60 n Chr. hadden zij, zeker buiten Palestina, nog redelijk goed samengeleefd. Ik zal maar zeggen: christenen waren een wat excentrieke Joodse secte…, maar nog wel welkom in de synagoge (denk aan Paulus, die op sabbath naar de synagoge gaat, en op zondagmorgen samenkomt om de opstanding van de Heer te vieren in huisgemeenten). En er was nog gesprek, ookal verliep dat moeizaam.

 

Na de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 breekt het.

Kerk en synagoge gaan eigen wegen, niet overal, maar toch meer en meer. Cruciaal daarbij was dat de christenen (niet alle, maar toch) de val van Jeruzalem als een Godsoordeel zagen: het definitieve bewijs dat de Joden dwaalden omdat zij Jezus niet als Messias aanvaardden… Of anders gezegd: dat zij gelijk hadden, en de gewone Joden niet… Dat God (en daar komt dan de omineuze zin) de Joden had verworpen, en voortaan met de christenen (joden en heidenen) verder gaat. De kerk in de plaats van de synagoge.

Als je dit weet, dan krijgen die harde anti-Joodse uitspraken die je in het NT vindt, een natuurlijke klank. (m.n. bij Mattheus en Johannes, de twee ‘meest Joodse’ evangeliën). Dat praat het niet goed, maar het geeft zulke teksten een context.

 

Kortom:

Jezus heeft – zo stel ik mij voor – de oergelijkenis (Jesaja 5) ‘hertaald’ naar zijn tijd toe (om het eens modern te zeggen). Hij heeft die boodschap geactualiseerd met het oog op de situatie van zijn toehoorders. En daarbij kwamen de leiders van het volk , of de pachters in het vizier…

Waarom? Omdat zij de sta-in-de-weg bleken voor een goede oogst. Gods mensen kwamen niet meer toe aan het leven dat God voor hen in petto had…

Los van de uitleg van Chouraqui. Ik denk dat het geen betoog behoeft dat Jezus hier op z’n minst ook de geestelijke leiders van het Joodse volk op heeft aangesproken. Maar niet allemaal, maar de ‘slechten’ onder hen. Met de goeden is hij heel z’n leven in collegiaal gesprek geweest, discussiërend over hoe je het best de ‘wijngaard’ laat renderen voor God. Ze verschilden van visie op de te volgen methode. Jezus had een heel eigen visie… Meer de mensen uitnodigen, vertrouwen geven, dan ze lasten opleggen en dwingen. Maar ook daarin was hij niet uniek.

 

 

3. Onze gelijkenis

En als Jezus dat gedaan heeft met Jesaja, en de evangelisten met Jezus, waarom zouden wij dan ook deze gelijkenis niet naar onze hand zetten?

Wat zegt het beeld van ‘Gods volk als de wijngaard, met de pachters/wijnbouwers’ ons in onze tijd?

 

En dan mogen wij ook de vrijheid nemen om er een draai aan te geven, zoals Jezus heeft gedaan aan de versie van Jesaja, en Mattheus met die van Jezus…

 

Dit is wat ik dan zie en hoor.

 

God heeft een droom. Een project. Hij wil van ‘deze wereld’ a better place maken. En daarvoor schakelt hij de mensen niet uit, maar in.

Hij wil dat wij meedoen.

En niet zomaar als slaven, willoos en onder dwang. Neen van harte, in vrijheid.

Hij schenkt ons vertrouwen… dat wij dat wel goed zullen doen.

 

En dan gaat de landheer buitenslands, zoals Jezus treffend zegt (NBG 1951)

 

God geeft zijn project a.h.w. uit handen…. legt het in onze hand...

In vrij­heid en verantwoordelijkheid hebben wij zaakwaarnemer te zijn voor God op aarde... pachter (wijnbouwer) noemt deze gelijkenis het.

 

Het ‘goed’ blijft van de landheer, maar via een verbintenis, een verbond, krijgen wij (pachters) zowel het vruchtgebruik als de plicht de heer te geven waar hij recht op heeft: zijn vruchten...

 

Grote vrijheid met ditto verantwoordelijkheid.

 

Het is te hopen dat wij ons niet als ‘slechte pachters’ gedragen, die alles voor zichzelf willen houden en zich niet bekommeren over de Heer, die hen het vertrouwen heeft gegeven…

 

Dat wij dus “de zoon wel zullen zien en ‘aannemen’ als Gods gezant”, als hij om vruchten komt vragen. Dat wij hem niet buiten ons leven zetten en tot zwijgen brengen, maar ons door hem laten herinneren aan ‘datgene waartoe God ons ook al weer op deze wereld heeft gezet’.

 

Dat wij dus ‘wel de vruchten aan de Heer afdragen als de tijd daartoe gekomen is’  

De pachtsom, de vruchten. Wat zijn dat?

Paulus somt ze op. Dit zijn de goede vruchten:

liefde, blijdschap en vrede

geduld om te verdragen

zachtmoedigheid, goedheid en trouw

 

Meer moet dat niet zijn.

Amen.

 

 

LITURGIE

AAN HET BEGIN

 

Psalm 24: (1) 2

Des Heren is de aarde en haar volheid,

de wereld en die daarop wonen.

 

Gemeente

De wereld is niet van ons, ons leven is niet van ons. Ons bezit is niet van ons... Het is alles des HEREN.

Onze kennis is niet van ons, onze macht, onze techniek is niet van ons. Het is des HEREN.

Ons geld, ons goed, onze vrouw, man. onze kinderen. Ze zijn niet van ons...  Het is alles des HEREN.

Sterker nog: Zelfs wij zelf zijn niet van onszelf... wij zijn des HEREN. Hem behoren we toe !.

Wat we hebben, wat we zijn we hebben het van God ontvangen. Het is ons toevertrouwd om ervan/ermee te leven in de geest van de Gever.