Edouard Prisse

   

Home
Up

beknopter: Baron Edouard Prisse

Edouard Prisse (1814-1907)

baron, railroad tycoon en overtuigd protestant

In de tweede helft van de 19de eeuw is voor het Belgisch Evangelisch Genootschap de persoon van baron Edouard Prisse van groot belang geweest. Dit genootschap voor de evangelisatie in protestantse zin van België was opgericht in 1837, had in 1848 de Confessio Belgica of ‘Nederlandse Geloofsbelijdenis’ uit de 16de eeuw als grondslag aangenomen en noemde zich sinds 1849 wel Belgische Christelijke Zendingskerk. De activiteit van dit genootschap richtte zich vooral op Wallonië. Door colportagewerk (bijbel- en lectuurverspreiding) en de oprichting van scholen ontstonden er gemeenten vooral in de geïndustrialiseerde streken van het land. Franstalige Zwitserse predikanten werden – direct na het beëindigen van hun studie – aangetrokken voor ‘enkele jaren België’. Binnen het genootschap was er een fel verzet tegen alles wat ook maar zou kunnen lijken op enige vorm van staatsinmenging in kerkelijke zaken. Financiële toelagen van de zijde van de overheid werden met klem van de hand gewezen. Men zou het doen met de offers die eigen leden brachten en... dus met steun uit het buitenland. Aan Vlaamse kant hebben Antwerpen en Oostende tot op de huidige dag een kerk die oorspronkelijk stamt uit dit genootschap. Hier was Nederlandse en Engels-Amerikaanse financiële steun onontbeerlijk. Tegen deze achtergrond wordt begrijpelijk hoe belangrijk het feit dat baron Edouard Prisse zich in 1848 metterwoon in St. Niklaas vestigde, is geweest voor de stichting (en/of uitbouw) van de Vlaamse gemeenten van de Zendingskerk en niet in het minst voor de de gemeente van Antwerpen. Daarom volgen over hem hieronder enige gegevens.

Papa, de generaal en diplomaat

Edouard Florent Louis (Maastricht 26 augustus 1814 - Luik 21 november 1907) was de oudste zoon van baron Albert Florent Joseph Prisse (Maubeuge 1788 – Rome 1856). Deze Albert Prisse was militair in het leger van Napoleon. Na verwondingen aan zijn been te hebben opgelopen werd hij in 1813 op rust gesteld en vestigde zich in Maastricht. In 1816 trad hij in dienst van de topografische afdeling van het leger van Willem I en was als zodanig betrokken bij het in kaart brengen en ontginnen van de Beligsche provincies, m.n. in het steenkoolbekken van Luxemburg. In 1830 verbleef hij als gepensioneerd militair in Namen, toen de Belgische omwenteling plaatsvond. Hij bood zijn diensten aan aan de nieuwe Belgische regering en werd zo één van de eerste officieren van de generale staf van Leopold I.

    In de strijd om Leuven werd hij als onderhandelaar naar Willem I gestuurd om een wapenstilstand te bekomen. Na 1830 werd hij luitenant-generaal van het Belgisch leger en hoofd van het Militaire Huis van de koning. Hij begeleidde de koning op de veldtocht van mei 1831 en na het beleg van Antwerpen in 1834 was hij interim-commandant van het leger aldaar. In 1842 werd hij als gevolmachtig minister bij het Hof van Den Haag aangesteld (ambassadeur) om het verdrag tussen van 15/11/1842 tot stand te brengen. Op 15/5/1844 werd hij in de adelstand verheven met de titel van baron (zijn vriend en latere biograaf Goblet d’Alviella heeft dan een ministersportefeuille). Verder was hij zeker tot 1837 (jaar van de veroordeling van de vrijmetselarij) lid van de loge Les Amis Philantropes in Brussel, Minister van Staat (sinds 1854), gouverneur van de koninklijke residenties, directeur van de opvoeding van de Koninklijke Prinsen en tegelijk ook beheerder en aandeelhouder in een tal van vennootschappen.

‘Onze’ Edouard had twee broers: Louis (1816-1884), die ook carrière maakt aan het hof en Florent (1819-1859) en twee zussen: Marie Esther (1826-1907) in 1853 gehuwd met dr. Emile de Laveleye (1822-1892), hoogleraar politieke economie in Luik, en Fanny (1823-1846). Vooral het contact met zijn zuster Marie en zijn schoonbroer is op velerlei niveaus intens geweest. Vanaf 1892 tot hun beider dood in 1907 heeft hij met zijn verweduwde zuster samengewoond in Luik.

Hoezo protestant ? Cherchez la mère !

De kinderen hebben hun protestantse opvoeding niet aan de vader te danken. Generaal Albert Prisse was roomskatholiek en is dat ook altijd gebleven: Zijn winterverblijf bevond zich in de eeuwige stad (Rome). Daar is hij ook overleden en heeft een praalgraf in de kerk van de H. Julianus. Hij was echter gehuwd met een overtuigd protestantse vrouw: Henriette Louise Rigano (Utrecht 8 juni 1792 – Etterbeek 18 maart 1848). Zij was de kleindochter van een italiaanse consul en haar vader was burgemeester van Maastricht. De familie-overlevering vertelt dat het besluit om de kinderen protestants op te voeden alsvolgt tot stand is gekomen:

      "Het protestantisme is een tamelijk recent kenmerk van de Belgische takken: de generaal Albert F.J. was katholiek; zijn echtgenote Henriette L. Rigano was protestant. Nu bestond er in die tijd een gewoonte dat de zonen in het geloof van de vader werden opgevoed en de dochters in dat van de moeder.In dit geval zou dat betekenen, dat het eerste wat de zonen zouden vernemen tijdens hun opvoeding (r-k): dat hun moeder gedoemd was als ketter. De vader weigerde dit te aanvaarden en besloot dus op zijn huwelijk dat al zijn kinderen een protestantse opvoeding zouden krijgen."

Misschien dat een losse opmerking van Paul Fredericq (hoogleraar en rector van de Rijksuniversiteit, protestant en historicus) over Marie Prisse (oudste dochter, zuster van Edouard) nog het best weergeeft hoe die opvoeding er ongeveer moet hebben uitgezien: Zij wordt door hem geschetst als een ‘streng gelovige calviniste, die altijd haar grote bijbel op het werktafeltje had liggen’. ‘Alles was niet in de bijbel stond was in haar ogen uit den boze’ en ‘ze had een diepe afkeer van alles wat zweemde naar mysticisme’ (citaat, Temmerman, p. 179). Alvorens in te gaan op het belang van Edouard Prisse voor de Belgische Zendingskerk. overloop ik eerst kort zijn toch wel spectaculaire wereldijke carrière.

Van mécanicien tot railroad tycoon in 10 jaar

Edouard werd na het Atheneum te Namen te hebben doorlopen op 17-jarige leeftijd als leerling ingeschreven aan de Ecole centrale des arts et manufactures te Parijs, waar hij in 1833 het diploma van ingenieur mécanicien et métallurgique behaalde. In 1841 werd hij aangesteld bij de Belgische Staatsspoorwegen, waar hij in 1845 bevorderd werd tot ingenieur mécanicien 1ste klas. Op 7 juni 1843 huwde hij in Nijmegen met barones Marguerite Louise van der Capellen (1817-1879), dochter van luitenant-generaal Frederic van der Capellen (1781-1854). Het gezin telde zeven kinderen, geboren tussen 1844 en 1855. Tijdens deze jaren woonde Prisse in Sint-Joost-ten-Node.

In 1845 werd door enkele ondernemende geesten de Compagnie des Chemins de Fer de la Flandre Occidentale opgericht die de bestaande staatsspoorlijnen (ter verduidelijking: in 1870 was nog maar ¼ van alle spoorlijnen in staatsbezit) in West-Vlaanderen wou aanvullen met een lijn Brugge-Kortrijk en een aantal bijkomende lijnen. Het werk gebeurde nog onder supervisie van ingenieur Georges Stephenson (1781-1848) himself. De ingenieur die het werk op het terrein moest uitvoeren, moest al spoedig het veld ruimen. Voor zijn vervanging deed de Compagnie beroep op de Staatsspoorwegen: dat zij één van hun ingenieurs zouden uitlenen. Dit gebeurde en in februari 1846 werd Edouard Prisse naar Brugge gedetacheerd als verantwoordelijke voor de aanleg van de spoorweg. Onder de leiding van deze jonge ingenieur werd de lijn Brugge – Kortrijk in anderhalf jaar afgewerkt. Edouard Prisse werd beloond met de Leopoldsorde.

Het gezin Prisse woonde in deze tijd in Brugge in een huis dat eigendom was William Chantrell, de directeur van de Compagnie. Zo doet zich de eigenaardigheid voor, dat de aanleg van de West-Vlaamse spoorwegen geleid werd door een protestants tandem: Chantrell (directeur) was Anglicaan en Prisse (ingenieur) gereformeerd.

Eind december 1848 verhuisde het gezin Prisse naar Sint-Niklaas (Casinostraat nr. 5) Edouard Prisse volgde ingenieur Gustave de Ridder (1795-1862) op als directeur van de spoorwegen van het Land van Waas (= spoorweg Gent-Antwerpen). Hij zou deze functie blijven uitoefenen tot op hoge leeftijd, terwijl hij tevens voorzitter, beheerder of directeur zou worden van een aantal maatschappijen in de sectoren gas en elektriciteit, spoorwegmateriaal en koolmijnen. Ook was hij directeur van de werken die plaatsvonden toen de oude fortificaties van Antwerpen werden afgebroken. Eén van de locomotieven die vanaf het allereerste begin (1842) op de lijn Gent-Antwerpen hebben gereden (smalspoor tot 1896) staat momenteel in het museum der spoorwegen in het Noordstation te Brussel: tenderlocomotief nr. 2, genaamd Pays de Waes.

Tenslotte dient opgemerkt te worden, dat de spoorlijn Gent-Antwerpen de Schelde natuurlijk niet kon passeren, daar er noch brug, noch tunnel was (tot 1933). Twee overzetboten verbonden de Linker-Oever van de Schelde (St. Anneke) met de stad Antwerpen. De pakjesboot werd ‘St. Annekesboot’ genoemd, de boot die de spoorwegreizigers moest overzetten van station Linkeroever naar het station Rechteroever (tegenover de Scheldestraat) droeg de naam ‘Baron Edouard Prisse’.

Sociaal werk

Adeldom verplicht: In St. Niklaas heeft Prisse ook op het sociaal-charitatieve terrein van zich doen spreken door in 1869 actief te participeren in het besuur van de maatschappij voor het bouwen van werkmanswoningen (middels het verschaffen van leningen) en in 1882 meldde hij in een brief de oprichting van een vereniging voor openbare zedelijkheid (‘Association pour la moralité publique de Belgique’). Deze vereniging wilde vooral de prostitutie bestrijden en richtte o.a. opvanghuizen voor vrouwen op, mede ook om paal en perk te stellen aan de handel in Britse meisjes die in op het continent geprostitueerd werden (blanke slavinnen). Ds. L. Anet had deze vrouwenhandel ontdekt en samen met Jules Pagny (een Franse industrieel) en professor Emile de Laveleye uit Luik, schoonbroer van Prisse aan de kaak gesteld en gecounterd. Vanaf 1887 zal dit werk onder de naam ‘Le Refuge’ voortbestaan. (Boudin, p. 20). Prof. De Laveleye had eind jaren ’70 de ‘beweging naar het protestantisme’ gemaakt en was lid geworden van de Zendingskerk van Luik. Zijn vrouw (Marie Prisse) was zeer actief in bovengenoemde verenigingen en één van de grootste donateurs. Inmiddels had Prisse zich ook tot op internationaal niveau sterk gemaakt in de vereniging voor het handhaven van de zondagsrust. Een vleiende anecdote omtrent zijn persoonlijkheid is opgetekend uit de mond van een mijnwerker uit Charleroi, die samen met Prisse een congres van deze vereniging in Parijs bezocht. Toen het congres afgelopen was, zo vertelt het verhaal, nam Prisse de mijnwerker onder zijn hoede en liet hem gedurende een hele dag kennismaken met alle wonderen van deze grote stad. Bij zijn terugkeer in Charleroi liet de mijnwerker zich ontvallen tegenover zijn dominee: Ah ! M. le pasteur, s’il y avait beaucoup de barons comme celui-là, il n’y aurait pas beaucoup de socialistes en Belgique. (Anet, p.5)

Edouard Prisse als protestant: zijn kerkelijke loopbaan

Prisse sloot zich na zijn terugkeer uit Parijs aan bij de protestantse gemeente in Brussel, waar toen van alles in beweging was, zowel rond de ‘koninklijke kapel’ (Eglise de Musée) als rond een nieuw gestichte gemeente die uiteindelijk in de ‘Rue Béliard’ zijn onderkomen vond. In Brugge, noch in Gent was eind jaren ’40 begin jaren ’50 een kerk die behoorde bij de Zendingskerk. Wel was de predikant van de officiële protestantse kerk (aan de Brabantdam) van Gent, ds. A. Goedkoop, één van de motoren achter de Vlaamse tak van het Evangelisch Genootschap. Toen Prisse in St. Niklaas arriveerde, was deze echter reeds overleden. Pogingen om in St. Niklaas zelf een kerk te stichten liepen op niets uit, zodat Prisse zich met zijn hele gezin aansloot bij de Zendingskerk die op 3 maart 1849 is gesticht en in 1854 in Gent een eigen zendingspost kreeg (voorganger: ds. A. van Schelven), als een bewuste ‘concurrent’ van de protestante Brabantdamkerk, hoewel Prisse zelf op persoonlijke basis goede contacten onderhield met enkele leden van deze kerk (bijv. P. Frédéricq). De haat-liefde verhouding tussen beide kerkgenootschappen is trouwens een verhaal apart. Prisse heeft kosten noch moeiten gespaard om deze jonge gemeente een passend onderkomen te bezorgen: de kerk (de ‘geuzentempel’) en de pastorie van Gent-Rabot aan de Begijnhoflaan zijn daarvan tot op de huidige dag de stille getuigen.

Ook ondersteunde hij vanaf 1856 moreel en financieel de pogingen om in Antwerpen een gemeente te stichten. Bij het spectaculaire begin van deze kerk rond nieuwjaar 1857 adviseerde hij de jonge evangelist A. Zigeler wat te doen nadat een bijeenkomst door een volksoploop was verstoord. Verschillende malen pleitte hij bij/in het hoofdbestuur van het Genootschap èn ter synode voor het goed recht van de Vlaamse gemeenten van de (overwegende Waalse) Zendingskerk.

In 1851 wordt baron Edouard Prisse voor de eerste keer gevraagd om in het beheerscomite van het evangelisch Genootschap zitting te nemen. Drukke werkzaamheden verhinderen dit. In de brief die hij ter verontschuldiging schrijft is het treffend dat hij nadrukkelijk melding maakt van het isolement waarin zijn gezin zich bevindt vanwege hun protestantse belijdenis (les inconvénients de l’isolement religieux dans lequel ma famille se trouve en cette ville). In 1853 aanvaardt hij wel en wordt sindsien jaarlijks herkozen. Vanwege deze functie was hij ook lid van de Synode van de Zendingskerk. Hij was bijzonder vaak aanwezig en nam voluit deel aan de discussies, zowel op administratief als inhoudelijk gebied. De indruk die zijn interventies nalaten zijn die van een kundige administrator en een strijdbare protestant. Met de woorden forte conviction, grande fermeté, touchante charité karakteriseert K. Anet het optreden van Prisse in deze middens.

Hij duldde ook niet dat het protestantisme openlijk werd aangevallen. Mgr. Malou, bisschop van Brugge had in 1857 een herdelijke brief doen uitgaan waarin hij waarschuwde voor protestants proselytisme. Deze brief werd ook in brochurevorm gepubliceerd onder de titel La fausseté du protestantisme démontrée. Hierin beschuldigde hij de protestanten ervan dat zij arme katolieke werklieden geld aanboden om om te kopen en ze zo af te brengen van hun geloof en te doen toetreden tot de verderfelijke leer der protestanten. Ook liet hij zich in zeer denigrerende bewoordingen uit over de Zendingskerk. Prisse stelde aan de Synode voor om bisschop Malou voor deze aantijging rechterlijk te vervolgen, in geval de procureur des konings niet ex officio zou optreden. Indien rechtsvervolging niet mogelijk zou zijn, stelde hij voor om in elk geval een protest te publiceren tegen de smadelijke beschuldigingen van Mgr. Malou. Dit laatste geschiedde. Prisse schreef zelf de tekst en publiceerde die in verscheidene Brusselse dagbladen (L’Observateur, L’Indépendance, etc..) en in Luikse (La Tribune, Le Journal de Liège etc.). De rechtsvervolging ging niet door omdat het betoog van Mgr. Malou in te algemene termen was opgesteld.

In 1858 is Prisse opnieuw prominent aanwezig op de synode, dit keer om de rechten van de kleine Vlaamse gemeenten te verdedigen. De discussie ging over de bijdrageplicht van elke kerk voor de instandhouding van de eredienst. Het was de synode opgevallen dat een Vlaamse zendingspost maar zeer weinig geld binnenbracht, waarop baron Prisse het woord vroeg. Hij bestreed het principe niet, maar legde uit, dat die gemeente slechts bestond uit de pauvres ouvriers, qui ont eu le courage de quitter l’Eglise romaine; ils ont été éprouvés, persécutés, privés de leur gagne-pain; il faut prendra cela en considération.

Vanaf 1862 is hij ook geregeld moderator van de jaarlijkse synodevergaderingen. Zijn punctualiteit en objectiviteit waren legendarisch.

In 1866 verschijnt hij samen met ds. L. Anet (in Antwerpen om met de predikant en de leden te beraadslagen over de problemen van deze gemeente. Het voortbestaan stond op het spel, vanwege de geringe financiële draagkracht van de leden en de zeer trage groei. Het gesprek verliep echter zodanig goed, dat sluiting kon worden afgewend. Blijkens het verslag kwam dat vooral omdat de predikant, ds. Eggenstein, en Prisse er in slaagden het comité duidelijk te maken dat de situatie in Antwerpen niet zomaar vergeleken mocht worden met andere plaatsen.

      Edouard Prisse’s oudste zoon Philippe Prisse (voluit: Fréderic Benjamin Alexander Philippe, 19 juni 1846-19 juli 1913, Hoofdingenieur van Waterstaat) heeft ten opzichte van de Antwerpse gemeente later de rol van zijn vader overgenomen. Hij had zich gevestigd in Antwerpen (met attestatie ingekomen van Gent, 29 november 1875, woonplaats: Leopoldsboulevard 143, later 159) en was van 1892-1902 lid van de kerkcommissie (beheerraad) en nadien tot 1907 van de kerkeraad. Zijn beide kinderen zijn door ds. Eggenstein gedoopt en zijn later belijdend lid van deze kerk geworden. Ook de eerste 5 kinderen van zijn jongere broer Edouard Pierre zijn door ds. Eggenstein gedoopt, zij het niet in de kerk, maar in St. Niklaas. Bij de bouw van de protestantse kerk aan de Bexstraat in 1893 was Ph. Prisse initiatiefnemer en verantwoordelijke voor de uivoering.

Van 1882 – 1892 had hij het voorrecht als ouderdomsdeken de synodezittingen te openen met schriftlezing en gebed en ook verder de liederen te kiezen die gezongen werden. Deze taak was hem zeer dierbaar en werd door hem in een combinatie van eerbied en vurigheid vervuld. In zijn winterverblijf te Menton, participeerde hij actief aan de bijeenkomsten en bestuur van de Evangelische gemeente aldaar.

Edouard Prisse als protestant: zijn geloofsleven

Hiermee zijn kerkelijke carrière beschreven zijnde, rest ons nog enige opmerkingen te maken over het geloofsleven van baron Prisse zelf. Dit is meestal niet mogelijk, omdat de meeste mensen dit ‘voor zich’ houden, maar baron Prisse sprak er openlijk over en naarmate zijn leeftijd vorderde ook steeds vaker over de moeilijke momenten daarin. Zo vormt zich na meer dan een eeuw toch nog een redelijk consistent beeld.

Het eenvoudige bijbelse geloof in God de Schepper en Vader van al is hem door zijn moeder met de paplepel ingegoten en heeft hem ook nooit verlaten. Nimmer heeft getwijfeld, schrijft hij in een brief in zijn laatste levensjaar, aan het bestaan van God. Deze God kan voor iedereen die de schepping goed beschouwt niet verborgen blijven. "Welke naam men hem ook geeft, Hij bestaat en overstijgt elk begrip". Wel is er later omtrent andere geloofszaken twijfel gerezen. Aan het atheneum van Namen, waar hij de enige protestant was, stortte hij zich met de kracht van heel zijn verstand op de religie. Alle kennis die zijn godsdienstleraar (de plaatselijke predikant) hem kon verschaffen, nam hij gretig in zich op. "Ik maakte slechts één fout", schrijft hij, "ik benaderde de godsdienst net zo als alle andere vakken: wiskunde, wetenschappen, geologie, chemie etc..." hij voerde verhitte discussies met een oudere kameraad, die geheel binnen de geest van de ‘Verlichting’ met rationele argumenten het geloof bestreed. Dit leidde bij de jonge Prisse tot een Voltairiaanse twijfel. In Namen en Parijs heeft hij m.n. geworsteld met de leer van de goddelijke natuur van Christus en de waarheid van het Nieuwe Testament.

Zijn moeder maakte zich dan ook ernstig ongerust. Bij terugkeer uit Parijs gaf zij hem een boekje van de bekende Duitse gereformeerde predikant, Fr. W. Krummacher. Zeer geconcentreerd en scherpzinnig bestreed deze predikant (o.a. Elberfeld) zowel het atheïstische rationalisme als het dorre formalisme van veel calvinistische predikaties. Hoofd, hart en ziel moesten in één dramatische taalslag in de bijbelse taal en dus in Gods Woord worden verankerd. Goethe noemde de geschriften van deze latere hofpredikant in Berlijn ‘narcotiserend’. Het boekje, Elia de Tisbiet, deed zijn werk en nam de rationele twijfel van de jongeman weg, maar de existentiële wending tot God kwam toch vooral tot stand onder de prediking die hij in Brussel op verschillende plaatsen hoorde: prof. H. Merle d’Aubigné, ds. Ed. Panchaud en ds. L. Anet.

Prisse hernam zijn persoonlijke bijbelstudies en raakte meer en meer overtuigd van de waarheid van het evangelie. Nog steeds volgens diezelfde brief wijst hij er echter op, dat het niet de studie, noch de wetenschap is, die de mens tot het levende geloof brengt. Hoe waardevol de menselijke studies ook zijn als toeleidende weg, pas als de hoogmoed dat wij God aan ons oordeel zouden kunnen onderwerpen geheel en al overwonnen is, kan het echte geloof in ons geboren worden. (L’orgueil de comprendre et juger Dieu doit être entièrement vaincu que la foi puisse naître en nous, ANET, p.14). De goddelijke mysteriën zijn voor ons verstand gesloten. Jezus Christus is de weg die God ons in plaats daarvan heeft gewezen. Die weg moeten we dan ook gewoon dankbaar begaan ! Een vast en nederig Godsvertrouwen kenmerken zijn geloofsleven. Als men bij het weggaan tot hem zei: Que Dieu soit avec vous! antwoordde hij steevast op ferme toon: Il est avec nous.

Dominee J. Rambaud herinnerde in zijn predikatie bij de begrafenis van baron E. Prisse dat deze op het einde van zijn leven geregeld terugkwam op de dood van zijn dochter Caroline in 1863. Zelf noemde hij dat één van de zwaarste beproevingen in zijn leven (zij stierf op 8-jarige leeftijd). Caroline moet een intelligent en gevoelig meisje geweest zijn, die echter reeds vanaf haar jonge jaren een ongeneeslijke kwaal met zich mee droeg. In haar laatste levensjaar heeft men maanden aan een stuk gevochten om haar in het leven te behouden, maar tevergeefs. ds. Rambaud vertelt: "De avond dat ze overleed, riep hij zijn echtgenote bij zich om zoals ze gewoon waren samen het avondgebed te lezen. Maar de diepbedroefde moeder, tot tranen toe bewogen, snikte het uit: Ik kan niet meer bidden. Ik heb God zo dikwijls gesmeekt om mijn kind te redden, en toch is het gestorven. Ik kan niet meer geloven! Deze vreselijke woorden troffen hem recht in het hart, als een dolksteek: Jij kunt niet meer geloven.... herhaalde hij haar woorden.. Laten we toch maar bidden ! Ik ken je. Je hebt edel en rechtschapen hart. God zal je je geloof wel terugschenken. En zij baden." (Prions quand même! ANET, p. 15)

Het overlijden van zijn zuster, Marie, 21 oktober 1907, leidde tot één van zijn opmerkelijkste getuigenissen. Ze hadden de laatste 15 jaar van hun leven vlak bij elkaar doorgebracht en lief en leed gedeeld. Ze waren zeer aan elkaar gehecht en naar elkaar toegegroeid. Hij was zelf al zwaar ziek en had niet lang meer te leven, toen hij het bericht van haar overlijden ontving. Hij aanhoorde het bericht heel rustig. De volgende ochtend zei hij echter opeens: Ik heb Marie nooit dichterbij gevoeld dan op dit moment... Op de dag van haar begrafenis herhaalde hij: Ik heb de sterke indruk, dat ons gemeenschappelijk geloof ons nog steeds verbindt en dat ik elk uur veeleer dichter bij haar kom, dan dat ze zich van mij verwijdert. Om dit in zijn laatste brief (begin november) nog eens uitgebreid te herhalen: La tendre et fidèle affection de ma soeur, notre intime communion de foi et d’espérance ou plutôt d’assurance confiante, chrétienne, me donnent le vif sentiment que chaque moment de la prolongation de mon existence terrestre, au lieu de m’éloigner de ma chère soeur, au contraire me rapproche de notre réunion. Ce n’est pas une illusion, un effet d’une exaltation de sentiment, mais une réalité effective. (ANET, p. 17)

Om het verhaal rond te maken, nog dit.

Eén van Prisse’s meest geliefde hobby’s was de beoefening van de muziek. Met name de religieuze en klassieke muziek hadden zijn hart. Hij had vroeger zelf gemusiceerd en woonde geregeld muziekuitvoeringen bij. Tijdens samenkomsten aan huis stond hij er ook altijd op dat hij de samenzang op zijn piano mocht begeleiden. Tijdens zijn laatste twee levensjaren kwamen vrienden om de veertien dagen bij hem aan huis voor een privé-concert geven.

Toen de dood al naderde stond hij er op dat de muziekrecital op maandag 18 november gewoon zou doorgaan. Zijn dokter vond het maar ‘zo-zo’ en zei: Dat mag, als u zich goed genoeg voelt.. waarop Prisse repliceerde: En dokter, wanneer denkt u dat ik me ‘goed genoeg’ zal voelen ? Als muzikanten zijn gearriveerd wordt Prisse gemeld, dat ze rustige muziek zullen brengen: Wat hebt u het liefst ? Mozart of Beethoven... Waarop Prisse antwoordde: Ja, dat is goed en doe er ook maar wat Mendelssohn bij... Hij kreeg gaf hij gevraagd had en nog meer. Sa figure heureuse en écoutant la musique est un souvenir inoubliable (ANET, p. 18) schreef één van de muzikanten later aan ds. Anet. Edouard Prisse, wiens hoogste titel – zei hij zelf – die van ‘christen’ was, overleed in de nacht van 20 op 21 november 1907.

Het laatste woord

Nabij de ingang van het kerkhof te St. Niklaas staat een monumentaal graf met een oppervlakte van 20,60 m2 en.omheind door een sierlijk hek in gegoten ijzer. Op de zerk prijkt het adellijk wapen van de familie PRISSE, en daaronder in grote letters – in het Frans – de tekst uit 1 Cor 6: 14; Zoals God de Heer heeft doen verrijzen, zo zal Hij door Zijn macht ook ons doen verrijzen.

Dit graf bevindt zich op het perceel dat was voorbehouden voor personen die de Joodse of Protestantse godsdienst hadden beleden. In de volksmond het geuzenkerkhof genoemd. Het bevond zich in het verlengde van wat de volksmond de hondenhoek (trou des chiens) noemde, het perceel waar mensen werden begraven die zeker ‘verdoemd’ zouden zijn, zoals zelfmoordenaars. Samen heten deze percelen het verdomhoekje. Ketters, zelfmoordenaars en Joden werden zo op één hoop de hel in geveegd.

Edouard Prisse had op 10/8/1878 aan het stadsbestuur schriftelijk gevraagd waar gebeurlijk zijn familie kon begraven worden op wat hij noemde la cinietière des juifs. Volgens een rekening van de stadsontvanger van 29/9/1879 heeft het stadsbestuur aan baron Prisse 20,60 vierkante meters grond eeuwigdurend afgestaan.

Volgens het artikel XXI in het keizerlijk dekreet van Jozef II van 26/6/1784 moest op elk nieuw kerkhof een plaats gereserveerd worden voor de protestanten om er hun doden te begraven dan wel moest hun een eigen stuk grond gratis worden toegewezen. Dat er omtrent de uitvoering van dit decreet zeer veel te doen is geweest, spreekt (helaas) voor zich. Vooral toen rond het midden van de 19de eeuw de andere erediensten en de vrijzinnigheid nadrukkelijker op hun rechten begonnen te staan. Pas in 1891 kwam er, met goedkeuring van de aartsbisschop van Mechelen, een compromis tot stand: De wijding van kerkhoven werd vervangen door de wijding van percelen. In 1864 ontstond er in het kader van de algemene beroering hieromtrent een enorme rel in St. Niklaas rond een zogezegde schending van één van de kerkhoven: een kindje van baron Edouard Prisse zou – zo ging het gerucht – op de gewijde grond van het oud-kerkhof zijn begraven. Het Wase weekblad De Klok van 17/1/1864 publiceerde over dit treurig incident een waardige terechtwijziging :

      "In het belang der waerheid moeten wij, denkt ons, eene terechtwijziging doen wegens eenige geruchten die verspreid zijn in geheel het Land van Waes.Bij de begrafenis van een protestantsch kind, behoorende aen een der deftigste familieën dezer stad, hebben eenigen gelooft dat er eene kerkhofschending is geschied. Dit is eene dwaling. Het gemelde kind is begraven op eenen grond, die sedert 1854, aen de linker zijde van het katholijke kerkhof, ter beschikking van den gereformeerden godsdienst bestaet. Geen de minste moeilijkheden zijn hieruit ontsproten, daer in deze kwestie de katholijken en de leden der familie van het kind, de vrijheid en de verdraegzacmheid beter begrijpen, als velen die er mede bemoeid loopen. Wij hopen dat deze terechtwijziging, alle tegenstrijdige geruchten deswegens zal doen ophouden"

Het ging hier om de begraafplaats van CAROLINA PRISSE, de diep betreurde en zeer geliefde dochter van baron Edouard Prisse, die in 1863 op 8-jarige leeftijd was overleden. De tekst op haar grafzerk vormt een waardig besluit van dit hele artikel.

HIER LIGT

IN AFWACHTING DER WEDERKOMST

VAN DEN HEER

JESUS CHRISTUS

EN DE WEDEROPSTANDING

DER DOODEN

HET STOFFELIJK DEEL VAN

CAROLINE PRISSE

ALHIER GEBOREN

DEN 19 OCTOBER 1863

OVERLEDEN

IN DEN JEUGDIGEN OUDERDOM VAN

8 JAREN EN 8 MAENDEN.

DE BLOEM IS AFGEVALLEN

MAAR HET WOORD VAN

ONZEN GOD

BESTAET IN DER EEUWIGHEID.

JESA. XL: 8

BRONNEN:

genealogische gegevens:

      E. J. PRISSE, Beknopte historiek van de familie Price of Prisse, in: Annalen van de Oudheidkundige Kring van het land van Waas, 1970, blz. 229-235 [Wilrijk] (Baron F. B. E. Prisse, Ulvenhout, Nederland, achterkleinzoon van Ed. Prisse heeft er op gewezen dat dit artikel onjuistheden bevat en met grote reserves dient gehanteerd te worden];

algemeen overzicht en feiten rond werking en kerkhof van Sint Niklaas

      M. DEWULF, Baron Edouard Prisse te Sint-Niklaas, in: Annalen van de Oudheidkundige Kring van het Land van Waas, 1970, blz. 237-253;

de railroad tycoon en de Brugse periode

      A. VANDENABEELE: Edouard Prisse (1814-1907) Bouwer van West-Vlaamse spoorwegen in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge, 1993, blz. 261-268.

kerkelijk leven, algemeen en Antwerpen

      A. DE RAAF, Bewaar het Pand, een eeuw protestantse kerk aan de Bexstraat te Antwerpen, Antwerpen, 1993

kerkelijke activiteiten en persoonlijk geloofsleven

      K. ANET, Le baron Prisse (1814-1907), Notice nécrologique, Brussel 1908

      H.R. BOUDIN e.a., Van Leopold I tot Jean Rey, de protestanten in België van 1839-1989, UFPG Brussel, 1990

Over de ‘beweging naar het protestantisme’ in de tweede helft 19de eeuw

      G. LIAGRE, Graaf Eugène Goblet d’Alviella (1846-1925) Proeve van een cultuurhistorisch en religieus portret (1846-1900), onuitgegeven doctoraatsverhandeling, nr. 49, UFPG Brussel, (1999)

      G. LIAGRE, & D. VAN WAGENINGEN, Geuzenprotest. Henry Tant en het protestants antiklerikalisme in de geschiedenis van Roeselare (1876-1914), Serie Protestantse verkenningen nr. 4, Uitgave ProDoC, UFPG, Brussel, 1999.

      J. TEMMERMAN, Van Reveil tot Liberaal Protestantisme, geschiedenis van de Protestantse Brabantdamkerk te Gent tijdens de 19de eeuw, uitg. ProDoc, Gent

This site was last updated
 December, 2018