Macht en machtsmisbruik in de Kerk


Home ] Up ]

 

- 'te biechte gaan bij de duivel zelf'...'

een reflectie van een protestant -

 

Macht is alleen maar authentiek als ze de onmacht van de ander behoedt voor verdere kwetsuren. (D. Pollefeyt)

 

Pas begin mei, tijdens de bedevaart naar Fatima, kreeg de paus het over de lippen: de oorzaak van het machtsmisbruik door priesters ligt in de kerk en er moet ‘gerechtigheid’ geschieden. Eindelijk! Al die maanden ervoor, zelfs na de affaire Vangheluwe, werden externe factoren naar voren geschoven (homofilie, hetze van ongelovigen, binnendringen van wereldse zeden in de kerk); het was een ‘beproeving die over de kerk is gekomen’, alsof de kerk het slachtoffer was... Handenwringend zag je mannen – altijd mannen – bezig om de schade voor het instituut te beperken. Pas op 19 mei maakten de Belgische bisschoppen ook de bocht en spraken voor het eerst klare taal. Je vraagt je af: hoe komt dat toch? Waarom duurde het zo lang voor de kerk de hand in eigen boezem durfde steken? Ds. Johan Temmerman suggereerde in De MORGEN dat het ‘hiërarchisch machtsdenken’ dat de roomse kerk kenmerkt hier voor iets tussen zit. Hij suggereert dat de Kerk ‘nood heeft aan ernstig zelfonderzoek’. Ik denk dat hij gelijk heeft. Het gaat hier niet om een bijzaak, een incident, maar om een systeemfout in de rooms-katholieke kerkorganisatie, waardoor er geen ander verweer is tegen om het eender welke machtsuitoefening ook, dan door je beklag te doen bij… de machtige zelf (of één van zijn collega’s). Je moet m.a.w. altijd bij de duivel te biechte gaan, en dat voelt niet goed.

 

Voordat u denkt: daar gaan we weer: een protestant die lekker afgeeft op rooms-katholieke kerk:  ik kom straks ook te spreken over de protestantse en andere vrije geloofsgroepen, die vaak - niet in hetzelfde bedje, maar wel – in een soortgelijk bedje ziek zijn. De pedofilie-affaires in de rooms-katholieke kerk maken enkel heel duidelijk, dat elke religieus geïnspireerde organisatie problemen heeft met de legitimering van de macht die zij uitoefent. De wetgevende, de uitvoerende en de controlerende macht zijn immers bijna altijd in handen van dezelfde religieuze professionals, die zich allemaal beroepen op een legitimatie die niet door mensen van buiten de eigen groep te verifiëren is.

 

Om dit iets duidelijker te maken eerst iets over macht en machtsuitoefening zelf. Daar is op zich niets mis mee. Integendeel: Macht (in de zin van het vermogen om iets te laten gebeuren) hoort bij de dynamiek van het leven en speelt altijd een rol in relaties tussen mensen (of groepen van mensen). Macht is aanwezig in de relatie ouder-kind, politie-burger, leerkracht-leerling, werkgever-werknemer, dokter-patiënt, therapeut-cliënt etc. Dat is niet erg, dat is gewoon zo, waar het op aan komt is dat de machtsuitoefening wordt (h)erkend en beheerst, vooral als de relaties erg ongelijk en niet-wederkerig zijn. Dan moet er een wettelijk kader zijn dat de zwakke beschermd tegen misbruik (denk aan de ‘rechten van de mens’). De relatie priester-leek was een generatie geleden beslist zo’n ongelijke en niet wederkerige relatie, immers – gechargeerd gezegd – de ene was gewijd en hoorde bij God (priester), de ander was maar een gewoon aards mens (leek). Geestelijke macht werkt op een veel dieper niveau dan fysieke macht en is dus ook veel vatbaarder voor ontsporing. De vraag naar legitimering en regulering is hier dus urgent. En juist daar wringt het schoentje. Immers: in de roomse kerk werd/wordt de legitimatie van deze machtsverhouding volledig bepaald, aangestuurd en gecontroleerd door… de machthebber zelf. Er is geen spoor van ‘scheiding der machten’ te bekennen. Er was maar één legitimering: de kerkelijke traditie en die stelde dat de bron van die macht door God aan hen gegeven was.

 

Hier is – vermoed ik – ook deels de verklaring te vinden voor het feit waarom slachtoffers van pedofilie in de kerk zo moeilijk en zo laat voor de dag komen. De machthebber had niet alleen het slachtoffer in z’n greep (lichaam èn ziel!) maar het instituut dat hij vertegenwoordigde had ook diens omgeving in de greep. De mensen waren immers voor hun ziel en zaligheid van de geestelijke stand afhankelijk. Kunt u zich groter macht voorstellen? Een pastoor die tijdens een feestje handtastelijk werd: men zag het wel, maar men ontkende het… collectief. Het moest een uitglijder zijn, of deze pastoor een uitzondering, het werd goedgepraat, collectief verdrongen. Deze verzwijgende, bepaald niet onschuldige, medeplichtigheid van een hele gemeenschap maakt het ontrafelen van de knoop extra moeilijk. Nog zie je de gevolgen daarvan in de reacties van sommige vrome katholieken in de media. Een leugen heeft zich genesteld in het hart van de kerk en een cultuur van zwijgen, toedekken, manipulatie en hypocrisie doen ontstaan.

 

Nog beklemmender wordt het als we ons realiseren dat één van de legitimerende factoren van de geestelijke stand precies hun ‘lichamelijke zuiverheid’ was. Priesters waren immers geen gewone mensen maar geestelijken. Uitwendig teken van hun bijzondere status was dat zij de seksualiteit eronder hadden gekregen. Zij beheersten hun lichaam en leefden kuis, celibatair. Als dat geen teken en zegel van hun uitzonderlijke roeping was! Het legitimeerde hun machtspositie. Het is misschien nog goed om te weten, dat dit in theorie al sinds de Middeleeuwen zo was, maar dat de roomse kerk pas in de 19de eeuw alles op alles heeft gezet om op deze wijze haar geestelijke macht te legitimeren, met de onfeilbaarheidsverklaring van de paus als hoogtepunt enkele decennia na de afkondiging van het dogma van Maria’s onbevlekte ontvangenis (zoek het verband!).

 

Als het kerkelijk discours op dat punt nu volledig hol blijkt te zijn, dan verspeelt de priesterkaste niet alleen maar wat krediet, neen, dan verspeelt ze haar legitimering en begint het hele systeem te wankelen. Daarom is het zo moeilijk, denk ik, voor de bisschoppen en de paus om helder te zien èn om echt de oorzaak van het nu zichtbaar geworden kwaad te benoemen: ze zouden wel eens de tak kunnen afzagen waar ze ook zelf op zitten. Het raakt de fundamenten van de kerk-leer.

 

Tot zover de rooms-katholieke kerk, laten we het nu eens over de niet-hiërarchisch georganiseerde kerken hebben, over protestantse en vrije kerken. Hoe zit het daar? Welnu, daar is het dan misschien wel geen systeemfout (de Reformatie is er niet voor niets geweest), maar dat wil nog niet zeggen dat er ook in deze kerken en gemeenschappen niet tal van relaties en situaties voorkomen, waarin macht in het spel is. De dominee is wel geen gewijde priester, maar toch is zijn positie in de geloofsgemeenschap niet te onderschatten. In theorie is de organisatiestructuur vaak ‘plat’ (gelijkwaardigheid van de ambten), maar de aandacht van de dominee of voorganger is voor veel gemeenteleden meer waard dan die van een kerkeraadslid (vaak ouderling of oudste genaamd). De charismatische voorganger wordt wel aangesproken met ‘broeder’, maar functioneert vaker als ‘vader’ en – the proof of the pudding is in the eating – handelt ook vaak zeer paternalistisch. Charisma is een zeer sterke vorm van geestelijke macht, buitengewoon geschikt voor emotionele chantage. Juist omdat in vrije kerken het verschijnsel macht nauwelijks gethematiseerd wordt – en er dus maar zelden echt werkende controle- en verantwoordingsstructuren zijn – en in het algemeen de ambtsleer zwak ontwikkeld is, kan juist daar macht heel gemakkelijk ontsporen, zeker binnen relaties waar de pastor de ‘sterke’ is en de hulpvrager zijn woorden indrinkt alsof ze het woord Gods zelf zijn. Waar het seksueel misbruik van kinderen de rooms-katholieke systeemfout aan het licht heeft gebracht, zijn het de sektes die op dit punt de protestants-evangelische zwaktes openbaren. Aan de kerkordelijk georganiseerde presbyteraanse kerken (al dan niet met synodale structuur) kan de vraag gesteld worden of regelgeving en onafhankelijke controle op de uitvoering ervan wel echt werkt. Is er ‘scheiding der machten’ als het gaat om klachten tegen misbruik in pastorale situaties? Of moet men ook daar ‘bij de duivel te biechte gaan’?

 

Nog belangrijker vind ik echter het volgende. Het onderscheid tussen goedgebruikte macht en machtsmisbruik is een tricky matter. Het laatste gebeurt niet met een etiket erop: ‘dit is misbruik’, maar wordt altijd verkocht als een bijzondere vorm van goed gebruik. Machtsmisbruik wordt altijd verhuld, goedgepraat. Of denkt u nu echt dat een pedofiel zal zeggen dat hij seks heeft met een kind om dat kind te kwetsen? Ik denk het niet. Diep-in zal hij het ergens wel weten (alhoewel), maar bijna alle pedofielen zeggen tegen zichzelf – en met succes – dat ze geen kwaad hebben willen doen. Ik hoorde op de TV een Duitse school-prefect zeggen dat hij de jongens van het internaat ’s nachts bezocht om hen te helpen om hun seksualiteit te ontdekken. En hij geloofde het zelf. In zaken van machtsmisbruik moeten we oppassen onszelf niet voor de gek te houden. De mens is een onverbeterlijke zelfrechtvaardiger. Altijd probeert hij zijn eigen gedrag goed te praten. En als de zelfrechtvaardiging niet lukt, dan trekt hij een ander favoriet menselijk register open, dat van de verontschuldiging, de ‘Verharmlosung’. Het was zo erg niet. Dat kan zover gaan dat de dader het slachtoffer eerst medeplichtig maakt en soms zelfs zozeer culpabiliseert (blaming the victim) dat de rollen worden omgedraaid.

 

In dit zelfbedrog – want dat is het natuurlijk – spiegelt de dader zichzelf en anderen voor dat hij verantwoord bezig was. Bij kerkelijk machtsmisbruik is het niet anders. Een pastor die te ver is gegaan in een pastorale relatie zal zichzelf niet immoreel noemen, maar zal ethische, pastorale of zelfs vrome redenen aanvoeren om zijn gedrag voor zichzelf te rechtvaardigen (“ik zou geen echte pastor zijn als ik mij in mijn betrokkenheid liet inperken door klein-burgerlijke vooroordelen”; “Jezus raakte toch ook de mensen aan”; “liefde kan nooit slecht zijn.” etc.) En juist omdat dit alles niet in de openbaarheid gebeurt (vertrouwelijk gesprek, ambtsgeheim) kan de ontsporing heel lang verborgen blijven en voortwoekeren. Pas als het in de openbaarheid komt vallen zelfrechtvaardigingen als pseudo-ethische en pseudo-pastorale redeneringen door de mand. Ze overtuigen enkel de dader en misschien een groep waarin de pastor als ‘charismatische’ leider functioneert. Ja, ook de protestantse en evangelische wereld kent de medeplichtigheid van de gemeenschap die de pastor op handen draagt…

 

De vraag in het algemeen is dus: zijn pastores voorbereid op het feit dat zij wel eens in heel ingewikkelde relaties terecht kunnen komen? Traint de kerk zijn personeel en begeleidt het zijn pastores, juist op dit punt. Ze moeten kennis hebben van psychologische mechanismen, van manipulaties, ze moeten gespitst zijn op plotse interferenties tussen bepaalde hulpvragen en eigen kwetsuren, ze moeten weten hoe hun lichaamstaal werkt en vooral: ze moeten zich bewust zijn dat hun handelen in de gemeente (liturgisch, verkondigend en pastoraal) hen macht verschaft, en dat zorgvuldigheid dus het eerste gebod is en blijft. En naast deze deontologische code is het dan ook van wezenlijk belang dat er een onafhankelijk orgaan is, dat voorkomende overtredingen van deze code sanctioneert en dat de rechtsgang transparant is. Alleen zo kan de grote geestelijke macht die de kerken ‘tot heil des volks en tot opbouw van de samenleving’ worden uitgeoefend, want macht is maar authentiek als ze de onmacht van de ander behoedt voor verdere kwetsuren.

 

Dr. Dick Wursten

Protestants theoloog, predikant, inspecteur godsdienstonderwijs

Voor de gedachtengangen in het laatste gedeelte, zie D. Pollefeyt, intimiteit in de pastoraal, op de Thomaswebsite van de KU Leuven: //kuleuven.be/thomas/images/algemeen/mededeling.php
Een kortere en strakkere versie verscheen als opiniestuk in Tertio. Nog te lezen op de nieuwssite rorate: //rorate.com/vnieuws/nieuws/15-opinie/59704-macht-en-machtsmisbruik-in-de-kerk

 

Lees ook oproep tot 'christelijke ongehoorzaamheid'

 

 

 

 

This site was last updated
 March, 2017