Nieuwe Bijbelvertaling

   

Home
Up
Bijbel in gewone taal
Nieuwe Bijbelvertaling
Herziene Statenvertaling
Statenvertaling
Junia of Junias
Een Lukaans miniatuurtje
Wijsheid
prekentabel

Eindelijk mag God Nederlands spreken !

[De NBV gewikt en gewogen; met enkele leestips]

Klik hier voor een artikel met meer achtergrondinformatie over bijbelvertalingen

Bekende geestelijke leiders (de ‘hofpredikanten’: Ter Linden (2x) en Oosterhuis) samen met enkele prominente literatoren (o.a. Maarten ’t Hart, Michael Zeeman) staan zij en zij terwijl ze hun ‘fiolen van toorn’ (1637, schalen van gramschap 1951, offerschalen met woede 2004) uitstorten over de NBV. Het lijkt wel alsof ze elkaar proberen te overtreffen in het vinden van steeds mooiere negatieve aanduidingen, pejoratieven. Een bloemlezing: huttemetutterig (Deurloo), ontaal, maag draait om, burgermansproza (N. ter Linden), onwelluidend, slap aftreksel (Oosterhuis); en het meest recent ‘Balkenende-achtig’ (D. van Brederode).

Als het in Holland regent, dan drupt het Vlaanderen: Gangmaker te onzent is m.n. Benno Barnard. Die lijkt er wel een persoonlijke kruistocht van te hebben gemaakt, begonnen bij de verschijning van de eerste proef-editie van de Nieuwe Bijbelvertaling in 1998 (Werk in uitvoering I): Deus non vult verkondigt hij sindsien alom.

Is het echt zo erg ? Of speelt hier retoriek, gemengd met naijver (kinnesinne) een grote rol. Bij nader onderzoek vallen veel critici door de mand, omdat ze een esthetisch oordeel verwarren met een vertaalkundig oordeel en blijven enkel die critici overeind die op theologische gronden het oneens zijn met ‘de vertaalkeuzes’ die de NBV heeft gemaakt. Dat laatste is een spannend onderwerp. Enkele opmerkingen hierover.

1. Er is een verschil tussen een tekst mooi vinden, of sterk, of sprekend èn het vaststellen of een vertaling goed of fout is. Een goede vertaling kenmerkt zich nl. niet door mooi, sterk of sprekend te zijn, maar door op zoveel mogelijk niveaus te corresponderen met het origineel. Een tierende profeet moet in woedend proza worden weergegeven (Amos 4). Een sfeervolle vertelling in soepel lopend proza (de novelle ‘Ruth’), poëzie met poëzie (Job – prachtig !), ambtenarentaal met ambtenarentaal (Handelingen 25-slot) en een belediging moet grof klinken (Galaten 5:12). Dàt pretendeert de NBV te hebben gedaan, daarop mag je hen dan ook – desgewenst – afrekenen, maar dat vereist wel een heel goede kennis van grondtaal en doeltaal en veel gevoel voor nuance. (Men noemt dit het onderscheiden en respecteren van verschillende taalregisters in een tekst). Voordat je de vertaler dus uitscheldt voor slechte vertaler, omdat je de tekst slap vindt die je onder ogen hebt, dien je te controleren in de grondtaal of dat misschien aan de grondtekst zou kunnen liggen. Is het uitgesloten dat een psalm wel erg gewoontjes klinkt in de NBV, omdat hij ook in het origineel niet bijster bijzonder is !? ’t is werkelijk niet alles literair goud wat er in de bijbel blinkt !

2. Als het waar is dat bijv. de apostel Johannes Grieks schrijft ‘like a person, nurtured in semitic speech, who is only just learning to write Greek’ (C.F.D. Moule), d.w.z. dat zijn woordenschat klein is, zijn syntaxis simpel, en erg semitisch (veel nevenschikkende zinnen, verbonden met ‘en’), dan mag een goede vertaling dat niet verhullen. De valkuil die direct na deze vaststelling opengaat is dat je in de het Nederlands te veel ‘en-en’ gaat gebruiken (=letterljk vertalen) , omdat juist dat de associatie oproept met kindervertelstijl. En dat zou ook weer niet fair zijn, want Johannes’ veelvuldig gebruik van ‘en’ is niet het gevolg van infantilisme, maar van semitisme. NB: wàt hij schrijft wordt hierdoor niet minder diepzinnig. Hoe komen we er eigenlijk bij te menen dat diepe waarheden enkel in barokke, archaïsche, plechtige volzinnen zouden kunnen worden verwoord. Proberen we ons zo misschien God van het lijf te houden ?! Ik vond aangrijpend wat kardinaal Danneels bij de presentatie in ‘de Doelen’ in Rotterdam zei: ‘In deze Nieuwe Bijbelvertaling is Gods woord eens te meer en op nieuwe wijze tot ons genaderd. De afstand tussen zijn spreken en ons toehoren is nog korter geworden’. Voor de liefhebbers: Bij de presentatie van de Statenvertaling in 1637 werd bijna letterlijk hetzelfde gezegd.

3. Over de Statenvertaling gesproken: deze ging er nadrukkelijk van uit dat de talen van de bijbel door Gods gebruik ‘geheiligd’ waren. De vertaalopdracht was dan ook heel duidelijk om niet alleen maar brontekstgetrouw te zijn in de vertaling, maar ook brontaalgericht te blijven bij de ‘overzetting’ van die tekst in het Nederlands. Eigenlijk moest er, mòcht er niet meer gebeuren, dan een ‘tegemoetkoming aan de meeste elementaire beginselen van de Nederlandse taal’ van de Hebreeuwse en Griekse Godsspraak. Het gevolg was dat de Statenvertaling niet gesteld was in ‘natuurlijk Nederlands’ (ook niet in de 17de eeuw!), maar een soort kunstmatig Nederlands opleverde vol Hebreeuwse en Griekse taalkenmerken (in idioom, maar vooral in zinsbouw)

Tussen haakjes, Luther had hierover totaal andere opvattingen, meer in de lijn van de NBV. De taal van zijn ‘Biblia ganz Deutsch’ gloeit veel meer, is veel warmer dan de tamelijk afstandelijke taal (= verafstaand van het natuurlijke Nederlands, óók toen al) van de ‘getrouwelijke overzetting’ op last van de Hoogmogende Heeren der Staten-Generaal. In de voorbereidende zittingen om tot de Statenvertaling te komen is er zo negatief over Luthers vertaalwerk gesproken, dat de ‘acta’ hiervan zelfs – uit piëteit – geen letterlijke weergave bevatten.

4. De opvatting over de heilige taal wordt buiten bepaalde kerkelijke kringen niet meer aanvaard. Er zijn heel veel verschillende talen in de wereld, die stuk voor stuk een heel eigen werkelijkheidsbeleving onthullen. En de ene taal is niet heiliger dan de ander. God kan m.a.w. zowel Swahili, Nederlands en Inuit spreken als Hebreeuws en Grieks. En een vertaler heeft de opdracht – de bijna onmogelijke opdracht, ieder die wel eens op vertalingen heeft gezwoegd, weet dat – om een tekst vanuit de ene taal zodanig in de andere over te zetten dat beide talen recht wordt gedaan. Zich dan maar veiligheidshalve terugtrekken op een vrij letterlijke vertaling is een belediging van de doeltaal èn een vergoddelijking van de brontaal. In de NBV is men met niet tevreden geweest, totdat God zich in ‘natuurlijke Nederlands’ tot ons zou kunnen richten.

Onze schoolcultuur heeft ons trouwens getraind om filologisch correct te vertalen. Daardoor is er een esthetica der lelijkheid ontwikkeld m.n. als het gaat om de beoordeling van de vertaling van ‘heilige teksten’. Dit geldt overigens evenzeer voor de vertaling van Shakespeare en Homeros als voor de bijbel. Daar spelen zich bij de verschijning van nieuwe vertalingen ook altijd soortgelijke taferelen af als rond de NBV.

5. Wie is bevoegd te oordelen over een vertaling ? Enkel hij die beide talen volkomen beheerst. Sterker nog. De minst geplaatste is degene die één taal goed kent, en de andere een beetje. Immers: Juist een amateuristische kennis van het Hebreeuws en het Grieks, zoals de meeste theologen (dominees, ikzelf incluis) is een enorm risico bij het vertalen en een handicap bij het beoordelen van een vertaling. Je hoort nl. veel meer in een woord dan een native speaker, omdat jij het in het woordenboek moest opzoeken en dus weet van welke stam het komt; de native speaker al lang niet meer. Jou valt een vreemde woordvolgorde op, maar die is helemaal niet vreemd in de syntaxis van de grondtaal. Jij ziet een hendiadys over het hoofd die voor een Griek vanzelfsprekend is en bent gefascineerd door al die participia en genetiefconstructies. Ze klinken zo plechtig en we hebben niet door dat ze voor de schrijver doodgewoon waren.

Antwerpen, Dick Wursten

(dit artikel verscheen eerder in Kerkmozaïek en Arkberichten)

 

This site was last updated
 February, 2017