"Hoe zijn de helden gevallen !"

David's klaaglied bij de dood van Saul en Jonathan

[up] [home]

 

Eigenlijk is het eerse boek Samuel vanaf h. 16 (zalving van David) een kroniek van een aangekondigde dood. Met de koning Saul gaat het bergafwaarts en met Israel eveneens. Hij is meer op zoektocht naar David, dan op veldtocht tegen de Filistijnen. En wie zó het zwaard opneemt (niet bevrijdend voor velen, maar ter handhaving van zichzelf), zal door het zwaard vergaan… Samuel heeft het bij leven reeds 2x aangekondigd en het wordt nog eens expliciet bevestigd door Samuel revisited, als hij spreek vanuit de diepte van het dodenrijk. In de laatste maanden van zijn leven raakt Saul meer en meer ingesloten door het lot, dat hij zich zowel heeft verkozen als dat aan hem als een oordeel wordt Gods wordt voltrokken. Onomwonden wordt ons het verhaal van de ondergang van Saul verteld.

De bijbel is geen sentimenteel boek, maar ook niet ongevoelig. Onomwonden wordt de ondergang van Saul verteld, maar niet onbarmhartig.

Integendeel zelfs: De ingehouden toon van het slothoofdstuk (understatement) roept bij wijze van contrast de verschrikking op van Sauls laatste veldslag èn van de ontreddering die daarop volgt.

Ik lees u 1 samuel 31… gevolgd door 2 Samuel 1: 17-27 (in eigen vertaling)

[…]
Als David dit verschrikelijke nieuws te horen krijgt

grijpt hij zijn kleren en scheurt ze…

Zo ook alle mannen die bij hem waren.

Zij rouwklaagden, weenden en vastten de hele dag…

vanwege Saul en over Jonathan, zijn zoon,

over het volk des HEEREN en over het huis Israels,

wijl zij door het zwaard gevallen waren...

 

En toen het avond geworden was hief David een rouwklacht aan

en zong een klaaglied over Saul en Jonathan, zijn zoon.

- hij beval de kinderen van Juda het te leren –

het lied Qèsjèt, zie het is geschreven in het boek ha-Jasjar.

 

De sierlijke gazelle, Israel, op uw hoogten is zij doorboord.

Hoe zijn de helden gevallen !

Vertel het niet in Gat,

meld het niet in Asjkelons straten,

dat zich niet verheugen de dochters der Filistijen,

dat niet jubelen de dochters der onbesnedenen.

Bergen van Gilboa, dauw noch regen zij op u

hoogverheven velden –

Ja, daar, werd het schild der helden besmeurd

het schild van Saul, niet gezalfd met olie

maar met het bloed der doorboorden

en ‘t vet der helden.

De boog van Jonathan week niet terug,

noch keerde ooit Sauls zwaard ledig weer.

Saul en Jonathan, zo bemind en dierbaar tijdens hun leven,

ook in de dood zijn zij niet gescheiden.

sneller dan arenden waren zij,

sterker dan leeuwen !

 

Dochters van Israel, weent over Saul,

die u kleedde met scharlaken, met weelde,

die gouden sier bracht op uw gewaden.

 

Hoe zijn de helden gevallen in het heetst van de strijd !

Jonathan, op uw hoogten doorboord

 

Het beklemt mij om u, mijn broeder Jonathan, dierbare vriend !

Wonderbaarlijker was mij uw liefde

dan de liefde der vrouwen.

 

Hoe zijn de helden gevallen

verloren gegaan, het oorlogstuig.


Preek over 1 Sam 31 & 2 Sam 1:17-27
Het einde van Saul & Davids klaagzang (Bexstraat, 23/11/2003)

Gemeente,

Over een lied of een gedicht kun je niet preken. Als je het wel doet dan loop je het risico het gedicht kapot te maken. Een gedicht is immers geen verhaal of een preek op rijm. Ik hoop dat u dat gevoeld hebt bij het voorlezen… Ja inderdaad: gevoeld, want daar heeft het mee te maken.
In een goed gedicht worden de woorden zo vol dat ze eerder een onzegbaar gevoel verwoorden dan dat ze een heldere betekenis hebben. Daarom is een goed gedicht ook vaak enigszins enigmatisch. De betekenissen zijn in een gedicht zo verdicht, dat je er enkel met behulp van een zekere inspanning in kunt komen. Lees maar, er staat veel meer dan er staat.

Toch wil ik straks rond de klaagzang van David enige omtrekkende bewegingen maken met alle risico’s van dien, maar toch.
Eerst wil ik echter nog wat kwijt over het einde van Saul.

Wij hebben deze eerste koning van Israel nu ruim 1½ maand gevolgd en al vrij snel werd duidelijk dat hij ‘het’ niet zou volhouden, dat hij niet bestand was tegen zijn roeping, dat hij het gewicht van Israels koningschap niet kon dragen. Zijn einde werd verschillende malen aangekondigd, maar liet op zich wachten. Onderwijl raakten we met de verteller verstrikt in dat vreemde spel van aantrekking en afstoting tussen Saul en David. En in zekere zin ben je dan als je het verhaal volgt, blij dat het dan nu eindelijk zo ver is. Er gaat weer klaarheid komen. De knoop wordt doorgehakt. Saul verdwijnt van het toneel. De weg is vrij voor de opkomst van David. Een gevoel van: de koning is dood !. Leve de koning !

Maar juist hier maakt de bijbelse vertelling het ons opnieuw lastig, want er is h. 31 en eigl. ook in het hele vervolg nergens een teken van die opluchting te bespeuren. Niks van “Hè, hè, daar zijn we dan eindelijk van af.”. Over tot de orde van de dag. Neen.

Heel duidelijk laat de bijbel ons zo voelen, dat je zo niet over de dood van een medemens mag praten. Als je dat doet dan doe je een schepsel Gods onrecht. Zelfs al is Saul verworpen, toch is en blijft hij een koning in Israel… en daarom moeten we stil staan en stil worden bij zijn einde. Ook hierin willen wij ons door de bijbel laten gezeggen.

Zo stierven op die dag Saul, zijn drie zonen en zijn wapendrager en ook al zijn mannen.

Zó somde de verteller het nuchter, verschrikkelijk nuchter op (vs 6).

Dat is geen einde om over te jubelen. Integendeel. De Amalekiet die het David komt vertellen had dat wel verwacht, maar dat is dan ook een Amalekiet: die denken alleen maar in termen van concurrentie en zelfhandhaving. Opgeruimd stat netjes, obstakel minder op weg naar de troon.

Maar David heeft geen last van Amalekitis (om collega Rooze ook eens met instemming te citeren). Dáárom is hij ook een man naar Gods hart. Hij ziet dieper. Hij ziet en voelt de ontreddering van een volk, van een land, dat nu helemaal naar de Filistijnen dreigt te gaan..

Letterlijk wordt het beschreven in vers 7. De Israelieten vluchten uit hun huizen, verlaten hun steden en de Filistijnen trekken er in. Wat er rest van Israels glorie wordt de volgende dag geplunderd en het lijk van Saul wordt onthoofd (teken van absolute overwinning. David had hetzelfde gedaan met de gevelde Goliath). Samen met de lijken van zijn zonen hangen de Filistijnen het lijk van Saul aan de stadsmuur van Beth-Sean. Als een goede tijding (evangelie) gaat het bericht van de Endlösung van het Joodse probleem rond in de steden van Filistea. Vreugdevuren worden ontstoken en in de tempel van Ashtarte (godin van de natuurlijke vruchtbaarheid) wordt Sauls wapenrusting (van de schouderen opwaarts stak hij boven al het volk uit) als oorlogsbuit neergelegd.

Zo gaat dat, nietwaar: Brutalen hebben de halve wereld en als ze dan ook nog eens superieur zijn in oorlogvoeren, dan veroveren ze de andere helft er nog wel bij… survival of the fittest, leert ons de natuur… Daar kun je maar beter rekening mee houden, je buigen voor deze wet, deze god, je wapens leggen aan de voet van de goden van de vruchtbaarheid, productiviteit en prestatie: Baal en Astarte… Mammon en Moloch.. of hoe ze ook mogen heten… Einde verhaal.

Neen, niet einde verhaal

Middenin deze Filistijnse duisternis staan een aantal mannen op. Het zijn de mannen van Jabes in Gilead. Zij zijn nog niet vergeten, hoe jaren geleden de jonge koning Saul in een daad van grote beslistheid hun stad van de ondergang heeft gered. Weet u nog hoe Saul toen de verdeelde stammen van Isarel wist te verenigen tot een bevrijdingsmacht en hoe hij koning Nachasj (Slang) die de stad in zijn greep had wist te verslaan ?!

Deze mannen krijgen van de verteller het laatste woord. Zij gaan de ganse nacht, zo’n 30 km. gaans door het dal, de rivier over om de geschonden lijken van Saul en zijn zonen op te halen èn naar huis te brengen. Ze verbranden de lijken, halen het gebeente uit de asse en begraven dat onder hun boom, de tamarisk van Jabes. Halve heidenen, zo te horen, die Jabesieten, maar in intentie voorbeeldige vromen.

Met inzet van hun eigen leven behoeden zij Saul en zijn zonen zo voor de schande van onbegraven te blijven. Ze staan hier naast de griekse Antigone, die hetzelfde heeft gedaan voor haar broer, ten koste van haar eigen leven. Het is de humaniteit die in onmacht, maar toch krachtig, protest aantekent tegen het onrecht dat mensen gedaan wordt in een wereld waar het recht van de sterkste heerst.

Hun daad van piëteit is echter meer dan dat. Het is ook een daad van verzet tegen de gewoonte om de balans van een leven op te maken vanuit het einde, de afloop ervan. Hoe een mens ten onder gaat zegt niet alles over die mens. Er is ook het vele ervoor geweest en aan het einde moet ook dat meetellen.

Hun protestactie is een getuigenis. Zij roepen in herinnering: Deze beklagenswaardige mens, Saul, is een messiaanse vorst geweest. Ieder ander mag hem afdoen als een mislukking, wij niet. U mag hem opnemen in de geschiedschrijving van Israel als een van God verworpene, in onze particuliere geschiedenis is en blijft en zal hij altijd zijn: de redder, de verlosser, een messias die zijn eigen leven wilde inzetten voor hen. Zij vinden het dan ook niet erg geïdentificeerd te worden met deze verslagen koning. Zijn beenderen mogen rusten in hun stad, onder hun heilige eik.

Zo corrigeren zij de gedachtenis van Saul en tegelijk waarschuwen ze ons: Over een mensenleven moet je nooit een pauschal oordeel uitspreken. Een mens is geworden wie hij is, langs een bepaalde weg, waarin wissels zijn omgezet, bochten zijn genomen èn niet altijd door hemzelf… en hoe vaak ook niet zonder dat hij kon overzien wat de gevolgen zouden zijn.

Mensen kunnen zelfs – in een ondoorgrondelijke mengeling van schuld en lot – zo van zichzelf vervreemd raken tijdens hun leven, dat ze uiteindelijk in voortdurende vijandschap met zichzelf leven. Als dat voor iemand geldt, dan wel Saul, de meest tragische van alle bijbelse gestalten.

De Jabesieten begraven zijn gebeente - zo gaan ze respectvol met zijn wezen om (want volgens Joodse opvatting zijn lichaam en ziel wezenlijk verbonden). Daarna vasten ze zeven dagen. Ze rouwen over Saul. Zo gaan ze ons voor in de concentratie op wat wezenlijk van belang is in een mensenleven, ook als daar de storm van Gods toorn en het geweld van de dood overheen is gegaan. Zelfs zo’n leven is niet naar de Filistijnen ! Zeggen zij. Luid en klaar.

Ook Saul mag geborgen zijn in God, diegeen van zijn woorden ter aarde laat vallen en die trouwe houdt in eeuwigheid. Zou hij zijn belofte aan Hanna vergeten zijn. Zou hij zijn zalving terugnemen. Neen, zegt Jabes, dat zij verre. Hij maakt af wat zijn hand begon.

Zelfs als wij ontrouw zijn, schrijft de apostel later, Hij is getrouw…want zichzelf verloochenen kan hij niet !

Totzover het eerbetoon der Jabesieten. Nu naar David.

Ook David betoont Saul maximale eer. Bij hem is niets van die heimelijke triomf te bespeuren die ambitieuze mannen zo vaak kenmerkt bij de uitschakeling van een concurrent: zo van : ‘yes, dat is weer een obstakel minder…!’. Zulk leedvermaak helpt het land naar de Filistijnen.

Zìj laten de dood van een nobele tegenstander, die zij slechts op afstand met pijl en boog hebben kunnen uitschakelen, als een evangelie rondbazuinen in gans het land.

David, vindt zoiets totaal ongepast, ookal heeft hij veel moeten lijden van deze man. Hij noemt dat zelfs niet meer in zijn in memoriam. Integendeel zelfs. Op het horen van het nieuws van Sauls dood, roept hij een vasten uit en neemt daarmee – royaal – de interpretatie van de Jabesieten over en in zijn klaagzang prijst hij Saul als een waardige koning in Israel, die met zijn zwaard de vijanden van Israel op afstand heeft gehouden, een gezalfde koning waardig.

Het hele lied is gebaseerd op het bittere contrast tussen de grootheid van Saul tijdens zijn leven en de absolute vernedering die hem ten deel is gevallen op de bergen van Gilboa. Het liefst zou hij het ongedaan willen maken… maar het is te laat. Het begin heeft iets van het beroemde gedicht van W.H. Auden:

Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone… &cetera

De actuele dood is zo bitter juist omdat het leven voordien zo glorieus was… maar… al snel moet ook de dichter toegeven dat de werkelijkheid niet ongedaan gemaakt kan worden. Hoe intriest klinkt het refrein: Hoe zijn de helden gevallen !

En als de klaagzang vordert, zie je naast de ‘koning’ ook Jonathan opduiken. Alle rancune die er tussen Saul en Jonathan is geweest, de totale breuk tijdens het conflict met David: ze is uitgewist in hun gezamenlijke dood. Zij aan zij hebben zij gestreden, samen zijn zij gebleven in de slag… De dood van een mens verplicht ons om een mensenleven in een groter verband te zien en de pijnlijke momenten niet in een te laag perspectief te zien.. (overstijgen)

Opvallend is ook, dat steeds weer de namen woden genoemd: Saul en Jonathan.

Het noemen van de namen op zich is al een acte van rouw en van beslistheid om in het verdere leven de namen niet te vergeten, maar mee te nemen. Pas als je naam nooit meer genoemd wordt, sterft een mens voorgoed.
Maar ongemerkt wordt het lied concreter en dus persoonlijker en nadert zo onwederstandelijk het pijnlijke punt, waar het worden moet tot een verwoording van het grote verlies: Saul verdwijnt naar de achtergrond en er is nog enkel Jonathan… Zonder enig voorbehoud laat David zich meenemen in de gang van zijn gedicht tot zijn gewonde hart open en bloot op tafel ligt. Van Saul is geen sprake meer. Alleen Jonathan is er nog. Jonathan zijn vriend…

En die, dìe is niet meer.

Over de band tussen David en Jonathan hebben we het vroeger al gehad. Prachtig wordt ze hier opnieuw geëvoceerd. Jonathan, die zo zonder voorbehoud Davids bondgenoot is geworden. Die zijn eigen levenskansen zonder verplinken opzij heeft gezet om David ruim baan te geven. Jonathan, Davids bondgenoot, vriend, broer, voorspraak, beschermer… Jonathan die zich niet schaamde toe te geven, dat hij David lief had als zichzelf. Zijn dood grijpt David naar de keel, beneemt hem de levensadem en snoert hem de mond.

Geen troostwoord kan nu nog helpen:

Het beklemt mij om u,
mijn broeder Jonathan, mijn dierbare vriend !
Wonderbaarlijker was mij jouw liefde
dan de liefde der vrouwen.

Wonderbaarlijke liefde: Amazing is het juiste woord. Als in Amazing grace… Een persoonlijke loyaliteit, waar je alleen maar over verbazen kunt, geschonken, vrij

Woorden schieten tekort. Dieper was deze liefde dan de liefde tussen man en vrouw… Vondel krijgt hier zijn antwoord: ‘waar werd oprechter trouw…’

Ik signaleer: David neemt deze persoonlijke noot op in zijn publieke klaagzang, die heel Juda uit z’n hoofd moet leren. Persoonlijke categorieën zijn en blijven in de bijbel de hoogst denkbare. Als het er op aankomt, doen overwegingen van nuttigheid of algemeen belang er niet toe. In de bijbel wordt een mens afgerekend op persoonlijke betrouwbaarheid.
Het is ‘de ziel’ die telt voor God. Wat baat het een mens als hij de gehele wereld gewint, maar schade lijdt aan zijn ziel ?… Niets. En omgekeerd: Redt hij zijn ziel, maar verliest hij zijn leven in deze wereld: De engelen in de hemel zullen zich eindeloos eindeloos…

Gemeente, tot slot nog enkele meer algemene opmerkingen.

Na de dood van Saul neemt David (geheel tegen de verwachting in) geen enkel initiatief om de macht in Israel naar zich tot te trekken. Hij kondigt eigenlijk veeleer een moratorium af in de strijd om de macht. Hij laat de dingen rond de opvolging van Saul meer ‘gebeuren’ dan dat hij ze probeert te sturen. Zo geeft hij het rouwproces van het volk èn zijn eigen rouw ruim de tijd om voluit zijn zuiverend werk te doen. Dat wil zeggen. Hij neemt enige tijd afstand van zijn eigen ambitie en roeping omdat hij eerst voluit de gevolgen van de dood van Saul moet verwerken, zowel privé als politiek. Verwerken, dat is: door laten werken … door ze helemaal door te werken als u begrijpt wat ik bedoel.

In onze haastige wereld, die gebiologeerd is door de notie van ‘controle’ en die in elk geval gefixeerd is op het ‘door laten gaan’ van de dingen: The show must go on ! is dit een heel tegendraadse houding.

David laat rustig een ‘gat vallen’ in de gang der dingen. En dat gat is gevallen omdat er een referentiepersoon is gestorven. Hij weigert dat gat – snel snel – weer op te vullen. Hij is er niet bang voor, hoe afgrondelijk dat gat ook is, ook in zijn eigen leven. Hij heeft geen last vanhorror vacui…(angst voor de leegte). Hij wil ook de mislukking recht in het gezicht kijken, de eindigheid onder ogen zien. Hij wil de bittere werkelijkheid, waarin bloed vloeit, benoemen. En dat daar óók geliefden en dierbaren aan ten onder gaan, niet ontkennen.

De bergen van Gilboa. Hij zal ze nooit meer naïef kunnen bezien. Het is een schuldig landschap geworden.

En zo zijn er op deze aarde nog wel meer plekken die vervloekt zijn, vanwege de dingen die mensen daar hebben aangericht. David wil ze niet ontkennen. Als ze reëel zijn, dan wil hij ze noemen. Dat er daardoor een hiaat valt in onze controle op het leven, dat heeft hij liever dan dat hij er overheen zou leven.

Gemeente, alles tesamen genomen, vind ik dit een zeer tot nadenken stemmende houding en daarom een beklijvende klaagzang van de muze van ons psalmboek.

Wij kennen wel geen periodes van publieke rouw meer, zoals in oude tijden, toch weten we bijna allemaal uit ervaring dat waar een verlies niet beweend mag worden, waar rouw te snel wordt afgebroken, dat juist daar barrières worden opgeworpen voor de opbouw van een nieuwe toekomst… en het verleden op het nare manier kan gaan spoken.

Laten wij dan een voorbeeld nemen aan David, die afstand durfde nemen, die langzaam durfde te leven, en die zijn rouwperiode in acht nam… juist omdat hij waarachtig wilde leven.

Als deze David zijn koningschap uiteindelijk opneemt, zal hij in staat zijn ervoor te zorgen dat Israel niet naar de Filistijnen gaat, maar geestelijk wordt herboren…

O HERE, uw goedertierenheid is tot in eeuwigheid:
Laat niet varen de werken uwer handen (ps 138: 8)

amen.