Tekst met vertaling vindt u hier (opent nieuwe pagina)
Verklaring per strofe (onderaan deze pagina)
Dit indrukwekkende lied/gedicht stamt uit de 12de eeuw. Lange tijd werd het toegeschreven aan een Franciscaanse monnik: Thomas de Celano (ca. 1200-ca. 1260), maar de ontdekking van een Noord-Italiaanse handschrift (eind 12de eeuw, Codex VII D 36, f. 16r. - Nationale bibliotheek, Napels) maakt dit onmogelijk. Het is ouder, èn komt dus op de lijst van liederen geschreven door Anonymus, NN (nomen nescio). Het oorspronkelijke lied telde 16 terzinen (strofe 11 ontbreekt, evenals de lacrimosa toevoeging). Meer info: C. Vellekoop, Dies ire dies illa: Studien zur Frühgeschichte einer Sequenz. Dissertatie. (Utrechtse bijdragen tot de muziekwetenschap 10, Bilthoven 1978). Hieronder een toelichting/analyse van het lied met uitleg per strofe (door J.W. Schulte Nordholt, Hymnen). Het lied behandelt een thema dat natuurlijk zo oud is als het Christendom, ja ouder. Grondslag is een passage uit de profeet Zephanja (1:14- 16):
|
Juxta est dies Domini magnus: |
Nabij is de grote dag des HEREN, |
De absoute bij de dodenmis is al heel oud, en zet de bijbeltekst om in een gebed.
Libera me, Domine, de morte aeterna in die illa tremenda:
quando caeli movendi sunt et terra:
dies illa, dies irae, calamitatis et miseriae, dies magna et amara valde,
quando caeli movendi sunt et terra.
Tremens factus sum ego et timeo: dum discussio venerit atque ventura ira,
quando caeli movendi sunt et terra.
Contremunt angeli et archangeli; impii autem ubi parebunt,
quando caeli movendi sunt et terra?
Vix iustus salvabitur; et ego, miser, ubi parebo,
quando caeli movendi sunt et terra?
Quid ergo miserrimus, quid dicam, vel quid faciam,
dum nihil boni perferam ante tantum iudicem,
quando caeli movendi sunt et terra?
Blume schrijft over dit ontstaan uit de tekst van Zephanja : « Seit dem 9. Jahrhundert schlossen sich an die Totenmesse die Gebete an der Totenbahre und die absolutio super tumulum (absolutie boven/bij het graf) an : Auf ein Gebet des Priesters folgt das Responsorium : Libera me, Domine, de morte aeterna in die illa tremenda. Uit deze spiritualiteit zal in de 12de eeuw ons lied geboren zijn. De eschatologische traditie is trouwens aanwezig in de hele Middeleeuwen, indrukwekkend vindt men haar reeds bij Columba, de grote Ierse apostel uit de zesde eeuw :
Volledige tekst en vertaling in Hymnen en Liederen , p. 78vv.
Raby haalt een interessant voorbeeld aan uit de 9 e eeuw met dezelfde tendens
Dies irae, dies illa,
dies nebulae et turbinis,
dies tubae et clangoris,
dies nebulosa valde,
quando tenebrarum pondus
cadecadet super peccatores.
Het is niet gemakkelijk te zeggen waardoor het lied zo groots is. Het is ontstaan in de dertiende eeuw, waarschijnlijk in de sfeer van de Franciscaanse mystiek . Het verenigt daardoor de grootse sombere traditie van de Middeleeuwse eschatologie met een zekere tederheid, in de strengheid is hulpeloze menselijkheid verwoord, de grote Rechter is één en al majesteit, maar nu bovendien de mens die voor ons geleden heeft. Er is een nieuw sentiment in de eschatologie van deze tijd, hetzelfde dat men zien kan in het beeldhouwwerk van de grote kathedralen.
Mâle heeft daarover in zijn “ L'art religieux du 13e siècle “ een indrukwekkend hoofdstuk geschreven. (en zie ook de verdere vertolking hiervan bij G. Duby, DW). Misschien heeft juist in de kringen der Franciscanen deze eschatologie bijzonder geleefd, daar men immers in Franciscus zelf een belichaming zag van de engel der Openbaring, die het zegel van de levende God had, namelijk de stigmata (Op. 7:2). Ermini heeft trachten aan te tonen, en op heel overtuigende wijze, dat er in dit lied twee tradities samen zijn gekomen, namelijk van Joachim van Fiore en van Franciscus ; de eerste vol van verschrikking en vrees, met fantasie atterrite , de andere tutto serafico in ardore (Ermini 75). Het lied heeft een zekere indeling. De eerste zes strofen zijn het objectieve gedeelte, waarin een beschrijving wordt gegeven van de dag des oordeels. Dan begint het subjectieve deel, de plaats van de enkele zondaar in dit verschrikkelijke gebeuren wordt centraal gesteld. En hoe merkwaardig is het daarbij dat in dit allerberoemdste lied van de Kerk de ik-vorm heerst! Recordare Iesu pie, dat is waarlijk de Franciscaanse toon, herinnerend aan Bonaventura. Steeds sterker wordt de stem van de smekeling, en het lied eindigt dan ook met een persoonlijk gebed.
Waardering van het lied in de historie
Daniel , de uitgever van de Thesaurus Hymnologicus, noemt het “ het schoonste sieraad van de heilige dichtkunst en het kostbaarste kleinood van de Latijnse kerk “ (II, 112); George Saintsbury schrijft : « Fortunately there is not likely ever to be lack of those who in youth and in age, after much reading or without much, in all time of their tribulation and in all time of their wealth, will hold these wonderful triplets, be they Thomas of Celano's or another’s, as nearly or quite the most perfect wedding of sound to sense that they know » . Curtius , die dit citeert, voegt eraan toe : Vor Dante gibt es nichts, was ihnen an Kunst vergleichbar wäre.” Zeer schoon vat de Gourmont samen : « Efflorescences suprêmes, la poésie triste et pénitente du moyen âge se déploie en deux sombres fleurs amertumées de cendres, salées de larmes, le Dies irae et le Stabat Mater, la Peur, la Douleur, peur et douleur tempérées par l'adoration, par l'amour » (Gourmont 287).
Litt. :
G. M. Dreves, « Das Dies Irae, » Stimmen aus Maria-Laach 42, 1892, 512-529 ;
F. Ermini, Ill Dies Irae, Bibliotheca dell' Archivurn Romanicum, serie I, vol. II, Genève 1928;
C. Blume, » Dies Irae,, Tropus zum Libera, dann Sequenz « , Cäcilienvereinsorgan 1914, 3, 55-64;
K. Strecker, «Dies ira “, Zeitschrift für Deutsches Altertum 51, 1909, 227-255;
F . G. Lisco, Dies Irae, Hymnus auf das Weltgericht, Berlijn 1840.
Schulte/Biezen, Hymnen. Een bloemlezing met muziek, p. 307-310
op p.310 geeft Van Biezen nog deze melodie mee om te zingen (3 terzinen, dan da capo
