Het comma Johanneum

Wat is het, en hoe kwam het in de bijbel terecht?

Het comma Johanneum (1 Johannes 5:7-8) is een stukje tekst in de bijbel dat eigenlijk een latere toevoeging aan de bijbeltekst is. Het stamt uit de Latijnse traditie – de kerk van het Westen – en is in de zestiende eeuw verzeild geraakt in de Griekse tekst van het Nieuwe Testament die Erasmus heeft gepubliceerd, en die gediend heeft als grondtekst voor zo goed als alle bijbelvertalingen van die eeuw (en nog lang daarna).

De passage waar het over gaat bevat een expliciete verwijzing naar de Drie-eenheid, die daarmee dus in de Bijbel lijkt te staan. Het verhaal hierachter staat hieronder.

1. Waarover gaat het?

De term comma betekent 'zinsnede, stukje tekst'. Het gaat om de woorden tussen haakjes in de eerste brief van Johannes, hoofdstuk 5:7-8.

“Want drie zijn er die getuigen [in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn één. En drie zijn er die getuigen op aarde]: de Geest, het water en het bloed; en deze drie zijn één.”

In een moderne vertaling vindt u die meestal niet in de lopende tekst, vaak wel in een voetnoot. Wilt u het toch zelf controleren: pak een (Herziene) Statenvertaling en u zult het zien staan. En natuurlijk in alle  rooms-katholieke bijbeledities,  Latijn en vertalingen... tot 1979  – want toen heeft Rome verklaard dat die zinsnede geen echte bijbeltekst is.

Novum Testamentum Graece et Latine, ed. Nestle 1912, met het comma in de Vulgaat en niet in de Griekse tekst
Novum Testamentum Graece et Latine, ed. Eb. Nestle, 1912. U ziet in de Vulgaat het comma staan, en in de Griekse tekst niet. In 1912 hoorde het comma volgens de pauselijke bijbelcommissie nog wel degelijk tot de geopenbaarde tekst.

2. Het comma in de Latijnse bijbel (Vulgaat)

In de oerversie van de Latijnse bijbel – vertaald door Hiëronymus vanuit het Grieks naar het Latijn, einde vierde eeuw – staat het comma niet. Nogal logisch, want de passage is nog niet geschreven.

Vanaf de zevende en achtste eeuw begint het comma op te duiken in enkele Latijnse bijbelhandschriften in Spanje en Noord-Afrika. Hoe kan dat? Dat weten we niet, maar het zou als volgt kunnen zijn gegaan: Eerst is er misschien een kanttekening (glosse) van een lezer die de drie getuigen uit de bijbeltekst – geest, water, bloed – verbindt met de drie-eenheid.  Zeg maar: een stukje preek of meditatie in de kantlijn. En de link is gelegd, door menige kerkvader. Latere kopiisten moeten gedacht hebben dat die kanttekening een weggevallen deel van de bijbeltekst zelf was, dat dus best bij het overschrijven 'terug ingevoegd' zou worden. En deden zulks.

Het comma Johanneum in de ondermarge van de Codex Sangallensis 63, achtste eeuw
Het comma Johanneum in de ondermarge van pagina 277 van de Codex Sangallensis 63, achtste eeuw. Latijnse tekst: sicut in cęlo tres sunt pat[er] et verbu[m] et sp[iritu]s s[an]c[tu]s et tres unum sunt – “zoals er in de hemel drie zijn: de vader en het woord en de heilige geest, en de drie zijn een.” In het gele venster de doorlopende originele tekst van 1 Johannes in het Latijn.

Het gevolg: Tegen het einde van de middeleeuwen staat het comma in vrijwel elk Latijns manuscript. Dat wil dus zeggen dat ieder christenmens in de late Middeleeuwen en vroege moderne tijd dacht dat dat die passage gewoon in de Bijbel stond. God is drie-enig — dat heeft geen concilie bedacht, maar heeft God zelf geopenbaard. Kijk maar, hier staat het.

3. Erasmus: hoe het in de Griekse tekst terechtkwam

Het Novum Instrumentum (1516) is de eerste moderne editie van de – beter: een – Griekse tekst van het Nieuwe Testament. Instrumentum = werktuig, oorkonde, akte: een juridische term (Gr. 'diatheke'). Hiermee probeerde Erasmus alvast een alternatief te bieden voor die andere stoffige notariële term die meestal gebruikt werd (en wordt): novum testamentum. In zijn bijbelvertaling kiest hij trouwens voor nog een andere variant: Novum Pactum (het Nieuwe Verbond), bijv. bij de instellingswoorden van het Avondmaal.

Erasmus stelt de Griekse tekst samen op grond van een beperkt aantal handschriften dat hij ter beschikking heeft – op één na alle uit de Byzantijnse teksttraditie. Lees hier meer over de overlevering van bijbelse manuscripten.

Het was een race tegen de klok, want in Spanje was men ook bezig. Drukker Froben in Basel wilde de eerste zijn. De tekst is gedrukt in twee kolommen: Griekse tekst links, daarnaast een Latijnse vertaling. Het ging Erasmus om de... Latijnse vertaling. Dat was zijn poging om het evangelie onder de mensen te brengen, in fris, onbelegen Latijn.

Terzijde: de boom en het boek

Erasmus had van het slot van het boek Openbaring (de laatste bijbelverzen) geen Grieks manuscript kunnen vinden. Onder tijdsdruk deed hij toen iets raars: hij besloot dan die laatste verzen maar vanuit het Latijn in het Grieks te vertalen... En dat te laten doorgaan voor de 'originele Griekse tekst'. Als de Spaanse concurrenten – de Complutensische Polyglot – hun tekst op de markt brengen, ziet hij dat hij af en toe de plank heeft misgeslagen, en verbetert hij een aantal fouten, maar sommige andere laat hij staan. Nog maar eens een teken, dat de Griekse tekst niet z'n vornaamste 'Anliegen' was. Daarom staat er in Openbaring 22:19 een enorme kemel. Erasmus had namelijk een 'corrupte' Latijnse tekst voor zich liggen, en die in het Grieks terugvertaald:

“En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek (in 't Grieks: de boom) des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is.”

Erasmus las in zijn Vulgaat de libro vitae, en zette dat om in het Grieks. In het Grieks stond echter apo xylo zoès (van het 'hout/boom' des levens).  Het hele verhaal staat hier.

Maar dit allemaal terzijde. Het comma Johanneum had Erasmus in geen enkel van de Griekse manuscripten van de eerste Johannesbrief zien staan, en dus ook niet vertaald. een overzicht:

Editie 1 (1516) en editie 2 (1519)
Geen comma, want in geen enkel Grieks manuscript te vinden. Dit veroorzaakte een storm van kritiek vanuit de kerk – men dacht echt dat het er stond, dus begrijpelijk. Erasmus hield voet bij stuk. Hij had de handschriften gezien, en het stond er echt niet.  Van de weeromstuit begon een heel vervelende Engelse theoloog, Edward Lee, hem te beschuldigen van 'ketterij'. Dat is sowieso al vervelend, en gevaarlijk, maar dat was Erasmus wel gewend. Anderzijds: Inmiddels is Luther veroordeeld, en worden Erasmus en Luther steeds vaker op één hoop gegooid. Dus zo'n dreigement begint toch te wegen.
De pagina uit de eerste editie van Erasmus, 1516, zonder het comma Johanneum
De pagina uit de eerste editie van Erasmus, zonder comma Johanneum. Novum Instrumentum, Froben, Basel, 1516. Het gemarkeerde is de echte, korte bijbeltekst: 1 Johannes 5:7-8.

Terwijl Erasmus in 1521 aan een revisie werkt, wordt hem een nieuw manuscript uit Engeland gepresenteerd, waarin in het Grieks het comma Johanneum wél staat. (Dat manuscript heet naar de eigenaar nu de Codex Montfortianus).

Waar komt dat manuscript plots vandaan? Welnu, het is naar alle waarschijnlijkheid speciaal gefabriceerd in Engeland om het comma te legitimeren. Zowel het handschrift als het gebruikte papier maken het mogelijk, het manuscript te dateren: ca 1520. Men heeft trouwens ook het Griekse manuscript op grond waarvan de schrijver zijn kopie gemaakt heeft, kunnen identificeren. In dat manuscript (de Vorlage dus) staat het comma... niet. Die zinsnede is dus voor de gelegenheid vanuit het Latijn in het Grieks vertaald: beetje houterig zelfs, geen lidwoorden bijvoorbeeld (normaal in het Latijn, vreemd in het Grieks)

Editie 3 (1522)
Erasmus neemt het comma op in de derde druk van zijn Instrumentum – dat sinds de tweede editie overigens weer gewoon Novum Testamentum heet. Hij voegt er wel een lange voetnoot aan toe, waarin hij zegt dat de Griekse tekst hem een vertaling van de Latijnse Vulgata lijkt. Zo redt hij zijn wetenschappelijke eer, ... en zijn leven, toch ook niet onbelangrijk. De Vulgata was trouwens in de roomse traditie de 'echte Bijbel'; dus met deze uitspraak discrediteerde hij de Griekse tekst helemaal niet. Integendeel.

Voilà, zo belandde dus een Latijnse glosse uit de zevende of achtste eeuw in de eerste Griekse editie van het Nieuwe Testament van de moderne tijd.

4. Gevolgen: de textus receptus

Dat had zo zijn gevolgen, want de Griekse editie van Erasmus werd de standaardtekst voor bijna alle protestantse bijbelvertalingen, die 'getrouwelijk zijn overgezet uit de grondtalen' en gebaseerd op 'Hebreeuwse en Griekse grondteksten'.

In de 16de en 17de eeuw twijfelt dus bijna niemand meer aan de validiteit van die Griekse tekst, behalve enkele doorgewinterde taalgeleerden die het onderzoek naar manuscripten voortzetten in hun ivoren torens (d.w.z. aan de universiteiten), maar die gezien de gevaarlijke tijd waarin ze leven de discussie liever binnenskamers houden. De uitzondering is natuurlijk Hugo de Groot, die het in zijn Aantekeningen unverfroren durft te zeggen.

Daarnaast – en dat is nu wel duidelijk – wordt vooral de schijn hoog gehouden, dat wil zeggen: men doet alsof men wetenschappelijk te werk gaat – grondtekst boven alles – maar in werkelijkheid regeert de leer.

Zo geeft Theodore de Bèze (Beza), graecist, lector in Lausanne, later opvolger van Calvijn in Genève, vanaf 1565 een hele reeks edities uit van het Griekse Nieuwe Testament, al dan niet samen met een Latijnse vertaling. Hoewel hij notabene zelf in bezit is van een oude Griekse codex (de 'codex Bezae, nu in Cambridge), doet hij geen nieuw onderzoek, maar baseert zich op de uitgave van de Franse drukker Robert Estienne (Stephanus), die op zijn beurt gewoon Erasmus afschreef. De suggestie dat Beza successievelijk verbeteringen aanbracht – zoals ik overal lees – zal wel waar zijn, maar zelfs de laatste editie, die hij gesuperviseerd heeft (1604) bevat nog steeds het comma Johanneum, en in het notenapparaat: helemaal niets.

Deze editie is van belang, want de vertalers die in opdracht van King James de bijbel moesten vertalen in het Engels kozen voor Beza's editie als werktekst. Die moest toch wel betrouwbaar zijn, dachten ze.

1 Johannes 5 in de editie van Beza, 1604, met het comma Johanneum rood omlijnd
De pagina met 1 Johannes 5 in het Novum Testamentum Graece van Theodore Beza, editie 1604. Het comma Johanneum is rood omlijnd; in de randnoten wordt geen enkele opmerking over dit dubieuze vers gemaakt. So far for the scholarly Reformation. Beza gaf tien edities uit — 1565, 1567, 1582, 1588, 1589, 1590, 1594, 1598, 1600 en 1604. De editie van 1598 werd door de King James-vertalers gebruikt.

Ook wel een beetje pijnlijk, of ironisch, is dat men deze door Erasmus gecompileerde Griekse tekst, inclusief toevoegingen, heeft uitgeroepen tot dé oertekst van het Nieuwe Testament, die ons dichter dan enige andere tekst zou brengen bij het echte Woord van God. De uitgeverij Gebroeders Elzevier noemt in het voorwoord van de editie van 1633 deze Griekse editie “de tekst die inmiddels door iedereen is geaccepteerd” — textus receptus — en prijst zijn eigen werk aan met de zin dat hij die tekst “onveranderd en onvervalst heeft afgedrukt”. Ja, dat zal wel. Maar het verandert niets aan de zaak. Ook een juist afgedrukte fout, blijft een fout.

Het voorwoord van de Elzevier-editie van 1633, waarin de term textus receptus valt
“Wij bieden u hier een tekst die door iedereen is geaccepteerd, en waarin wij niets hebben veranderd of vervalst…” — Elzevier in het voorwoord van de editie van 1633. Vandaar de term textus receptus.

5. De uitzondering: Luther

Hierop is een notabele uitzondering. Luther begon zijn vertaling van het Nieuwe Testament voordat de derde druk van Erasmus' tekst was verschenen. Hij heeft het comma Johanneum niet vertaald... dus. Maar, hij heeft ook nadien nooit de behoefte gevoeld die zin alsnog toe te voegen – de definitieve versie van zijn bijbelvertaling is van 1545.

Hij nam de slogan ad fontes blijkbaar echt serieus: Tekstonderzoek moest ernstig gebeuren, d.w.z. filologisch. In zijn commentaar op de brief van Johannes schrijft hij te dezer plaatse:

Graeca exemplaria non habent. Videtur autem a piis additum esse propter Arianos, sed non satis apposite.

“De Griekse manuscripten hebben deze woorden niet. Het lijkt erop dat deze woorden door vrome mensen tegen de Arianen zijn ingevoegd, maar dat is niet erg handig gebeurd.”

Ik hoor in dat laatste, non satis apposite, ook z'n taalgevoel: met die invoeging loopt de zin namelijk wel heel slecht.

De ironie hier is dat de open wetenschappelijke benadering van de Bijbel die de Hervorming vleugels heeft gegeven, na Luthers dood (1546) al snel wordt verstikt door een leerstellige machtsstrijd, gepaard gaande met een felle bestrijding van allerlei ketterijen – onder andere het socinianisme, een tamelijk vrijdenkende groep van Pools-Duitse origine die enkel rechtstreeks uit de bijbel afleidbare geloofsartikelen als basis wilde, en dus vraagtekens zette bij de drie-eenheid. Het comma werd een zwaard. 

1574 — in Frankfurt wordt het comma ingevoegd in een Duitse Bijbel (ed. Feyerabend) die als 'Lutherbijbel' werd gepresenteerd. Groot protest: de Lutherbijbel, daar bleef je af.

1581 — opnieuw voegt een andere Frankfurtse drukker (Zephelius) de tekst toe. Het protest is al minder sterk.

Na 1590 — bijna alle nieuwe drukken van de Lutherbijbel bevatten het comma, soms in kleinere letter. De Wittenbergse drukkers hebben het langst weerstand geboden.

De lutherse orthodoxie kon wel een 'harde' duidelijke bijbeltekst gebruiken, om de leer van de drie-eenheid te verdedigen tegen die vermaledijde Socinianen, die de godheid van Christus ter discussie stelden. Men vond de theologische bruikbaarheid van een nepbijbeltekst als argument in een dogmatische discussie tenslotte belangrijker dan de betrouwbaarheid van de bijbeltekst zelf. Luther zou zich omdraaien in zijn graf mocht hij het weten.

Trouwens: in de Zürcher Bibel (Zwingli-Froschauer) volgde men in het begin ook de eerste versie van Erasmus, maar vanaf 1531 wordt ook daar het comma ingevoegd. En niet toevallig:  Ook daar streed men ijverig tegen vrijdenkende ketters.

Niet terzijde

Dit is niet onschuldig: het heeft Michel Servet de kop gekost. Zijn stelling was: de drie-eenheid is geen bijbels leerstuk maar een kerkelijk dogma, dus mag ik het in twijfel trekken. Rome brandmerkte hem als ketter, Calvijn stak de brandstapel aan.

6. Huidige stand van zaken

Bijbelgenootschappen, die vertalingen produceren, zijn instituten die voor hun funding afhankelijk zijn van de kerk – dat wil zeggen van gelovigen die geld willen geven voor bijbelvertaal- en verspreidingswerk. Tegelijk willen ze wetenschappelijk gefundeerde arbeid leveren. Dat laatste moet het echter afleggen tegen het eerste als het spannend wordt, stel ik vast.

Nieuwe Bijbelvertaling

In de Nieuwe Bijbelvertaling (2004/2021, uitgave Nederlands Bijbelgenootschap) staat de tekst van het comma Johanneum niet in de lopende tekst, maar in een voetnoot. Dat is prima – al was het alleen maar om een traditie te kunnen 'lezen' (en Monteverdi's schitterende tekst/muziek Duo Seraphim uit de Mariavespers te kunnen plaatsen). Je kunt de vragen daaromtrent dan kort en krachtig beantwoorden, door te zeggen: 'Het staat er niet, maar het stond er wel'.

Helaas. De voetnoot doet iets anders. Het suggereert dat het om een handschriftenkwestie gaat. Quod non. Wat laf van het Bijbelgenootschap.

5:7-8 Er zijn dus drie getuigen: de Geest, het water en het bloed, en het getuigenis van deze drie is eensluidend – Andere handschriften lezen: 'Er zijn dus drie getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de heilige Geest; en deze drie zijn één. En er zijn drie getuigen op aarde: de Geest, het water en het bloed; en deze drie zijn één.'

voetnoot in de NBV

Herziene Statenvertaling

Maar het kan nog erger. De Herziene Statenvertaling laat het comma Johanneum gewoon in de hoofdtekst. In de gedrukte editie staat er zelfs geen voetnoot bij. Wonderlijke vorm van schriftgetrouwheid, vind ik dat: de hoofdtekst is juist volgens de achterban van deze tekst “Gods eigen Woord”. Als je dat zo ziet, dan kun je er toch geen evidente glosse in laten staan!

O ja, in de online versie staat er een voetnoot bij: “Deze woorden komen niet in alle Griekse manuscripten voor.” Wat een monsterlijke zin is dat. Niet in alle Griekse handschriften — dat impliceert: in de meeste Griekse handschriften wel. Dat is gewoon lariekoek. Ga maar tellen. Je zult enkel de Codex Montfortianus vinden, en enkele andere door de Vulgata beïnvloedde Griekse manuscripten... In alle overige Griekse tekstgetuigen – Alexandrijns, Westers en Byzantijns – zul je er vergeefs naar zoeken.

Dick Wursten, 2026

Tips for further reading.

P.S. — 1 Johannes 5:1-8, Waar gaat het eigenlijk over?

Bij alle commotie zijn we vergeten de tekst in zijn context te lezen.
De briefschrijver stelt, dat wie gelooft dat Jezus de Messias is, een kind van God is. God heeft zijn kinderen lief (daarover bestaat geen twijfel). En dus hebben zij elkaar lief. Even vanzelfsprekend. En ook helemaal niet moeilijk, als je tenminste de wereld hebt overwonnen. En dat heb je! Want je vertrouwt op Jezus. Dat nu wordt bevestigd  —en nu zijn we bij vers 5-7 — door de 'Geest der waarheid', middels 'water en bloed'. Ik hoor daar een verwijzing in naar de doop en de avondmaal? Maar oordeel zelf. Hier is de hele passage (v. 1-8):

Een ieder die gelooft dat Jezus de Christus is, is uit God geboren; en ieder die Hèm liefheeft die deed geboren worden, heeft ook degene lief die uit Hem geboren is. Hieraan onderkennen wij dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben en zijn geboden doen. Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar, 4 want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof. 5 Wie is het die de wereld overwint, dan wie gelooft dat Jezus de Zoon van God is? 6 Dit is Hij die gekomen is door water en bloed, Jezus Christus, niet slechts met water, maar met het water en met het bloed. En de Geest is het die getuigt, omdat de Geest de waarheid is. 7 Want drie zijn er die getuigen [in de hemel: de Vader, het Woord, en de heilige Geest; en deze drie zijn één. En drie zijn er die getuigen op de aarde]: de Geest en het water en het bloed, en de drie zijn tot één.