In mijn bijbel staan vier boeken die het verhaal van
Jezus vertellen (evangeliën). Als ik die lees zoals
ik een boek lees (als geheel dus) verschiet het beeld van Jezus
behoorlijk van kleur per boek, en in de Jezus van Johannes heb ik
zelfs moeite om de Jezus van de andere drie te herkennen. Ook voel ik
- onderhuids - nogal uiteenlopende visies op wat de 'missie' van Jezus
eigenlijk was (en dus ook op wat zijn betekenis is).
Vroeger vond ik dat lastig (en probeerde ik die verschillen te
verzoenen), tegenwoordig vind ik het wel goed zo. Er is meervoud in
God (drie-eenheid) en ook Jezus kun je niet zomaar plaatsen.
Diversiteit leidt tot spanning, maar is dat niet een kenmerk van alle
leven? In dit opstel wil ik iets van de wetenschappelijke achtergrond
toelichten.
Het is een historisch opstel van hoe we van verzamelingen
van verhalen over Jezus tot de evangeliën
als heilige Schrift zijn gekomen. De Westerse 'canon'
(lijst van door god-geïnspireerde heilige boeken) werd afgekondigd in
AD 397 (staatsgodsdienst, tijd van de grote concilies). Mijn
uitgangspositie is simpel: Ze zijn door
hun auteurs niet als heilige Schrift geschreven, maar als
tekstboekjes (papyri, zie afbeedling hieronder) om uit voor te lezen
in de bijeenkomst van concrete gemeenschappen, — naast de Heilige
Schrift (= Bijbel van de Joden). Gaandeweg verandert hun status. Dat
merk je ook in de overleveringsgeschiedenis.
Diversiteit
is eerder dan uniformiteit
De
Alexandrijnse, Westerse, en Byzantijnse tekstamilies
Bekende
invoegingen (interpolaties)
Wat
verrassend ontbreekt in de Westerse tekst
Tussen het oorspronkelijke Jezus-gebeuren (ca. AD 30-33) en de eerste schriftelijke fixatie daarvan zoals wij die kennen (de 'evangeliën') ligt een periode van zo'n 30-60 jaar, waarin men mondeling het verhaal van Jezus levend heeft gehouden. Als geheugensteuntje schreven sommigen ook 'spreuken', 'gesprekken' op, maar gewoon los naast elkaar. Markus heeft - voorzover we weten - als eerste zijn bronnen bijeengebracht binnen een verhaalstructuur (binnen ruimte en tijd geplaatst: 'en toen', 'terstond', met locatie). Daarbij heeft hij veel aandacht geschonken aan het einde: de "Passie" (Pesach in Jeruzalem, proces en kruisiging, vrouwen op de Paasmorgen. Daar hield het oorspronkelijk op). Mattheüs en Lukas hebben het stramien van Markus overgenomen, naar behoefte/noodzaak herordend, aangevuld met verhalende stof en spreuken uit andere bronnen (deels dezelfde, deels eigen materiaal). Simpel voorbeeld: Mattheüs heeft verspreide spreuken samengebracht in de Bergrede. Beiden hebben het verhaal ook een (geheel eigen) inleiding gegeven (of Lukas dat meteen gedaan heeft, weten we niet. Er zijn ook versies overgeleverd zonder het bekende geboorteverhaal Lk. 1-2). Wie de teksten leest, merkt al snel dat elk van de drie genoemde auteurs een eigen boek heeft geschreven, een eigen stijl heeft, sfeer schept, accenten legt, kortom: een eigen beeld van Jezus presenteert. Vaak zijn bijbelgeleerden bezig 'de oudste formulering' of de 'echte setting' te vinden, of de verschillen tussen de drie te verklaren/harmoniseren. Ik stel voor om dat nu eens niet te doen. Elk boek (elk evangelie) laat de stem van Jezus horen, zoals ze op een welbepaalde plaats, door een groep mensen (geloofsgemeenschap) is gehoord. Oh ja, Johannes laat ik erbuiten, want dat is zo'n ander boek, met een onvergelijkelijk anders Jezusbeeld. De geloofsgemeenschap die dat evangelie las (en waar de bijbehorende brief (of brieven) gelezen zijn) moet ook wel bijzonder zijn geweest. Ik vraag me in gemoede af of de broeders/zusters in de kerk van Markus wel zouden kunnen volgen als de collega's van de Johanneskerk zouden beginnen te oreren....
We hebben de oer-Markus, -Mattheus, -Lukas niet meer. Zelfs hun namen kennen we enkel via de traditie. Hun papyrusrollen (of boekje (codex, zie afbeelding hierboven)) waren gebruiksmateriaal, om tijdens bijeenkomsten voor te lezen (getuigenis hiervan: midden 2de eeuw: Justinus Martyr. Hij gebruikt als koepelterm: ἀπομνημονεύματα τῶν ἀποστόλων, herinneringen van de apostelen). Ze worden vermenigvuldigd (= overgeschreven) en gedeeld. Zo raken ze verspreid in de antieke wereld, de een al wat eerder/sneller dan de ander. Dit gebeurt zonder supervisie, zonder controle, gewoon naar de behoefte van geloofsgemeenschappen. Gebruiksmateriaal voor de eredienst (en later: verdediging, onderricht). Wat we hebben zijn kopieën van kopieën van kopieën van..., en vaak fragmentarisch. Er zit ook bijna 100 jaar tussen de veronderstelde oer-versie en de eerste kopieën die we hebben. Elke versie/kopie hoort bij een concrete geloofsgemeenschap. De versies (d.w.z. kopieën, manuscripten) die in omloop waren aan het eind van de tweede eeuw, begin derde eeuw (dan beginnen we een redelijk overzicht te krijgen), verschillen nogal van elkaar. Origenes klaagde daar al over, toen hij een bezig was een toelichting te schrijven bij het evangelie van Mattheüs. [citaat, bron]. Je kunt dat trouwens ook eenvoudig zelf vaststellen door wat er nu nog over is, gewoon naast elkaar te leggen (collationeren) en met elkaar te vergelijken.
In 1707 heeft John Mill (Queens College, Oxford) dat voor het eerst geprobeerd. Hij had een kleine 100 handschriften ter beschikking, heeft die allemaal ontcijferd en overgeschreven, en vond ca. 30.000 variaties. Hij bracht die onder in voetnoten onder de standaard Griekse tekst (Textus Receptus), en publiceerde het resultaat. Daarbij had hij - om het overzichtelijk te houden - verschillen in woordvolgorde binnen een zin niet mee opgenomen. Een ontzette criticus schreef dat Mill "had destroyed the validity of the sacred text", een ander repliceerde "Mill was not responsible for the differences between the various manuscripts, he only pointed them out." Hier een voorbeeld (titelpagina, en Lukas 24).

Mills had een kleine 100 manuscripten ter beschikking om te 'collationeren', nu kennen we ca. 5.700 handschriften (van piepkleine fragmentjes, tot volledige samengebonden folianten). Wel is het zo dat de oudste het zeldzaamst zijn. Verder met het verhaal:
De oorspronkelijke kopiisten (in
het engels: scribes, niet te verwarren met die andere
'scribes', de Schriftgeleerden uit het NT) waren geen mechanische
kopieermachines. Al opschrijvend over overschrijvend corrigeerden ze
fouten (of wat ze als fouten zagen), vulden aan, lieten weg, verbeterden
(uit zichzelf, of op grond van andere teksten, of omdat iemand anders
het (anders) zei, of...), de een al meer dan de ander, etc. Pragmatisme
(gebruiksnut) was
wat teld, zeker in de begintijd (en die loopt tot ver in de tweede
eeuw): men moest gewoon een goed leesbare, begrijpelijke, zinvolle tekst
hebben voor 'de eigen mensen'. Daarbij was er geen centrale
controlerende instantie ('Rome' bestond wel, maar dat was
nog niet het Rome van vandaag; grote steden (zoals Antiochië,
Alexandrië, Byzantium, Damascus, Rome) en diverse grote kloosters
begonnen wel meer en meer te verzamelen, te centraliseren, en het
kopieerproces te superviseren. Maar dan zijn we al een eind in
de 3de eeuw.
[gedachten oefening: in het jaar 230
(of 233) was het 200 jaar geleden dat Jezus gekruisigd was. net
zolang geleden als voor ons... Napoleon].
Vanaf het begin van de 4de eeuw begint eenvormigheid
van overgeleverde manuscripten (in groepen) op te vallen. Ook wel
logisch: het christendom wordt een erkend en top-down georganiseerd
religieus instituut met staatssteun (312: Constantijn: Rome en Byzantium
domineren). Dan moet het allemaal een beetje deftig gebeuren natuurlijk.
Er worden degelijlke concilies georganiseerd (met keizerlijke
supervisie). Interne pluraliteit is taboe. Un Dieu, une loi, une
foi, of preciezer: Un Dieu, un César, un pape, une seule
Église, un seul dogme... en dus een heilige Schrift.
Kerkvader Athanasius stelt een normatieve lijst ('canon') voor van
'heilige boeken' (367) en na veel debat wordt die 30 jaar later
bekrachtigd, d.w.z. krijgt 'kracht van wet'.
Eerst is diversiteit in de 'christelijke gemeenschappen'. Uniformiteit komt later.
De Jezusvolgers waren van meet af aan een bont gezelschap, ook intern: (denk aan de gemeenschap in Korinthe uit de brief van Paulus). Dat gaat over opvattingen die circuleerden, teksten die ze gebruikten, en produceerden. Deze gemeenschappen waren cultureel divers, geografisch verspreid over het hele Midden-Oosten, Noord-Afrika, tot in Italië en Z-Frankrijk/Spanje toe. Een gemeente kan dus een groepje vrome Joden zijn geweest, die - in de marge van de synagoge - in Jezus de Messias zagen, maar geen God natuurlijk. Het kan ook een groepje mystiek geöriënteerde 'Hellenen' zijn die meenden dat Jezus een soort avatar van God was, die geheime waarheden onthulde (Gnostisch). Of een gezelschap dat ervan overtuigd was dat de mens Jezus door God was geadopteerd bij zijn doop ("Mijn zoon zijt gij..., "ik heb u heden verwekt" zo stond er in hun evangelieversie bij), en bij de kruisiging door God weer was verlaten ("Mijn God mijn god, waarom...") etc... Wij noemen dat nu 'ketterijen' maar die term komt pas in zwang als bepaalde groep het voor het zeggen krijgen en zich het alleenrecht op de interpretatie van de leer aangaande Jezus toeëigent (zichzelf "orthodox" noemt) en de andersdenkenen, andersgelovenden, andersvoelenden "verketterd". Dat laatste zien we gebeuren vanaf het midden van de tweede eeuw... (de eerste 'kerkvaders' die in hun geschriften de puntjes op de "i" zetten). Ik houd vast: Eerst is er verscheidenheid (met spanningen, soms conflicten, scheuringen, maar nog steeds divers), een breed palet... Dan ontbrandt er een machtsstrijd die niet meer te stuiten is. Van danaf geldt, en eindigt het met: 'The winner takes all'. Hij schrijft nadien ook (de) geschiedenis (op), en gebruikt daarbij natuurlijk de 'juiste, denigrerende, veroordelende termen' voor de verliezers: Hoe nobel of naïef ook: het zijn ketters. Hun geschriften worden vernietigd, want gevaarlijk (gnosis, docetisme, ebionieten en wat dies meer zij... ).
Terug naar het onderwerp:
Hoe zit het met de evangeliën, de geschriften: Wel:
Ook die weerspiegelen eerst de diversiteit en worden gaandeweg
uniformer. Men leest ook niet alle vier evangeliën. Waarom zou men? Ik
maak het wat concreter (hypothetisch, maar dit zou gekund hebben):
- In Rome las men Markus (zonder
het slot, dat is van later) over Jezus die machtig is de demonen uit
te werpen, en wonderdaden verricht (het is de tijd van de eerste
vervolgingen).
- Ergens in Syrië, in een overwegend Joodse groep die vergaderde
in de marge van de synagoge, had men eerst het 'Evangelie der
Hebreeën' gelezen, maar was men overgestapt op Mattheüs.
Die had ook veel tijd gespendeerd om de link tussen Jezus Messias en
het boek van het Oude verbond zichtbaar te maken. Je merkt dat aan
zinnen zoaals "opdat vervuld wordt hetgeen gesproken is door", maar
ook in de formulering of contextualisering van bepaalde gelijkenissen.
- Ergens in Antiochië is er een groep geciviliseerde Grieken, die horen op zondagmorgen Lukas (iets korter dan wij 'm vandaag kennen). Knap geschreven, goed Grieks, met van die symposia bij welgestelde mensen aan huis, heel vertrouwd. En dan ook de sequel (Handelingen) met die schitterende 'redevoeringen'. De sterke morele boodschap sprak ook aan, het appèl om verantwoordelijkheid te nemen. En andersom: de offergedachte rond Jezus' sterven speelt nauwelijks een rol (in de oudste versie van Lukas is er wel een avondmaalsviering, maar zonder de bekende duidingszinnen.).
- Maar men las ook het 'Evangelie van Petrus' of het 'evangelie der Ebionieten' (beide bekend uit opmerkingen van vroegchristelijke auteurs), en in de tweede eeuw (maar dan neemt de spanning toe), het 'Evangelie van Thomas' of 'het Evangelie der Waarheid' (heel geestelijk, mystiek, filosofisch bijna). En ook de 'Pastor van Hermas' en 'de Didache' (geschriften uit de generatie na de apostelen, begin 2de eeuw, zeer geliefd en verspreid). Trouwens dan is er ook nog die laatkomer onder de canonieke evangeliën: Johannes. Wellicht al wel vroeger geschreven (er is een oud fragmentje: P52), maar het krijgt pas clickbait in de tweede helft van de tweede eeuw, en wordt nog lange tijd wel genoemd, maar weinig geciteerd. Het later toegevoegde slothoofdstuk, waar 'de discipel dien Jezus liefhab' en Petrus zich 'verzoenen' zou wel eens op een laattijdige toenadering tussen twee belangrijkse christelijke strekkingen kunnen duiden.
Kortom: Christenen waren
gewone mensen, die leefden in een - ook toen al - hyperdiverse wereld,
ook levensbeschouwelijk. Hun opvattingen en beleving getriggerd door
de verhalen aangaande Jezus, was van meet af aan ook divers. Er waren
contacten, men wisselde uit, beïnvloedde elkaar, maakte ruzie, paste
aan, wees af, had voorkeuren etc. Daarbij —nogmaals— waren
de manuscripten van de diverse evangeliën voor locaal gebruik. Als ze
versleten waren, werden ze vervangen, overgeschreven (al dan niet
aangevuld, verbeterd op grond van... ) of vervangen door of er kwamen
andere naast (dat wordt de meest gegane weg). Heel menselijk allemaal.
Als we naar de overgebleven manuscripten kijken, dan zie we aan
het eind van de 3de eeuw 'families' van manuscripten ontstaan, tekstversies
die nauw aan elkaar verwant zijn qua redactie. Ook worden ze steeds
vaker samengebonden als boekje (codex) en ook met andere geschriften.
Ook exemplaren op perkament beginnen te verschijnen (duurder en
duurzamer). De 'status' stijgt. Het worden 'heilige
Geschriften'. Na de diversiteit komt de uniformiteit
(ook in teksten, en rituelen, liturgie, opvattingen, maar niet zonder
enkele 'harde beslissingen'). Op grond van wat we nu aan materiaal
hebben uit de eerste 4 eeuwen (oudste handschrift
stamt uit de 2de eeuw) onderscheidt men gewoonlijk drie grote families
(d.w.z. tradities in tekst-overlevering)
De namen van de tekstfamilies zijn in de 18de/19de eeuw toegekend op basis van de toen vermoede geografische herkomst van de manuscripten. Hoewel we daar nu veel meer over weten (de diversiteit was groter, en de spreiding veel meer netwerk-achtig, dan geografisch) blijven de namen toch gebruikt worden als labels. Vandaar.
Alexandrijnse Tekst: Genoemd naar de stad Alexandrië in Egypte, destijds het centrum van de wetenschap, teksteditie en theologie. Men gaat ervan uit dat professionele kopiisten in Egypte de tekst nauwkeurig overschreven, wat resulteerde in deze "strakke" al vroeg vrij uniforme tekstvorm. De droge woestijnachtige omgeving is mede de oorzaak dat uit deze regio veel papyrusmanuscripten zijn bewaard. Omdat Alexandrië ook een centrum was van theologie (d.w.z. doordenken op de leer aangaande God en Christus) is het interessant om te zien of dat ook in de tekstredactie sporen heeft nagelaten. Discussie rond Christus' echt mens zijn (van vlees en bloed) speelden op (z.b.) alsmede rond zijn 'god-zijn'. Later komt daar ook de triniteitsleer bij. Alexandrië is het centrum van de 'radicale' opvatting (die we nu de 'orthodoxe' noemen, omdat deze partij gewonnen heeft...).
Westerse Tekst: Deze naam is misleidend. Hij verwijst naar manuscripten die populair waren in het Latijnse westen (zoals in Italië, Zuid-Frankrijk, maar vooral Noord-Afrika, (Carthago, Tunesië) waar men het Grieks niet altijd machtig was. Dus hier komen Latijnse vertalingen van niet meer gekende Griekse manuscripten in beeld. Tegelijk vinden deze tekstvorm ook diep in het oosten, Syrië met name (De syrische vertaling gaat ook terug op zo'n oude tekstvorm). Hoewel de materiële bron (vertaling) niet perse heel oud is, zijn juist in deze traditie veel 'vrije, locaal gekleurde' versies bewaard. Of ze wel of niet dichter de originele' tekst staan (op die vraag zijn de meeste bijbelgeleerden gefixeerd), is eigenlijk niet zo relevant: Elke overgeleverde tekst is hier de stem van een reële locale christelijke gemeenschap, en had daar gezag. Men hoorde via die tekstversie, dat manuscript, die codex, de stem van Jezus Christus. Deze groep is dus erg interessant als je contact wilt maken met de diversiteit van geloven.
Byzantijnse Tekst: Genoemd naar het Byzantijnse Rijk (met Byzantium/Constantinopel als hoofdstad), waar Grieks de voertaal was en bleef. Dit is vanaf de late 4de eeuw de standaardtekst in de Grieks-orthodoxe kerk. De handschriften zijn vaak in grote codexen gebonden, die alle (of meerdere) bijbelboeken bevatten. Omdat manuscripten uit deze familie in de 16de eeuw de enige beschikbare bron waren in Europa is dit ook ongeveer de Griekse tekst die voor de vertalingen in de 16de eeuw gebruikt werd. Dit is een beetje kort door de bocht, maar interne kerkelijke spanningen hebben veel onderzoek hiernaar in de kiem gesmoord, dan wel naar studeerkamers verwezen. Erasmus stelde die Griekse tekst samen (1516) Johann Froben (Basel) publiceerde 'm: Novum Instrumentum 1516. De Lutherbijbel, Statenvertaling, King James Vertaling zijn allemaal op deze versie (en z'n opvolgers) gebaseerd: de textus receptus noemt men deze tekstversie sinds 1633. In de 18de/19de eeuw begon het historisch tekstonderzoek op gang te komen, en verloor de textus receptus zijn sacro-sancte status. Twintigste-eeuwse vertalingen (bijv. NBG 1951, RSV) weerspiegelen de nieuwe inzichten. Met veel commotie tot gevolg natuurlijk... (want er zaten dierbare teksten bij, die plots weg waren (Onze Vader in Lukas) of tussen [] terechtkwamen, inclusief theologische bewijsplaatsen).
Mocht u nog niet genoeg hebben, hieronder - ter oriëntatie - een (lang niet volledige) lijst met de tekstfamilies en wat voorbeelden van verschillen.
Dit overzicht koppelt de fysieke getuigen
(papyri, codexen) aan de tekstkritische hoofdstromen en hun
specifieke kenmerken.
P = Papyrus (vaak onderdeel van een verzameling, niet
altijd enkel bijbelmateriaal, vaak stukken van wat wij nu
bijbelboeken noemen). Tegenwoordig is er weer een hevige discussie
over de datering van enkele 'oude papyrusfragementen, m.n. P52, P66
en P75. De traditionele datering plaatste die vaak in de tweede
eeuw, maar doorgedreven archeologisch, papyrologisch,
handschriftkundig onderzoek heeft hier vragen bij gesteld. Niet dat
het niet kan, maar het kan vaak ook later zijn. Dit is in die zin
belangrijk, dat de veronderstelde 'ouderdom' van die fragmenten ze
tot 'stamvader' van een latere traditie maakte
(autoriteit verleende). Als ze niet zo oud zijn (of je bent niet
zeker), dan is er vaak geen 'stamvader' meer, enkel traditie. In de
tabel worden beide dateringen gegeven.
* Trad. = traditionele datering (wetenschappelijke
stand ca. midden 20ste eeuw)
* Krit. = alternatieve datering (recente
ontwikkelingen, gebaseerd op groundbreaking research van
Bent Nongbri, m.n. archeologisch, papyrologisch en grafologisch
onderzoek + openlaten van onzekerheden)
Belangrijkste Getuigen (Datering & Inhoud)
ken|
Tekstfamilie |
Beschrijving |
Kenmerken & Verschillen |
|---|---|---|
|
Alexandrijnse Tekst
|
P52 (snipper,
enkele verzen van Joh.) | Trad*: 125 / Krit*: 150-225 kan
ook... |
|
|
Westerse Tekst
|
Codex D (Bezae;
Evang/Hand) | 5e eeuw (bron wellicht terug tot de 2e eeuw) |
|
|
Byzantijnse Tekst |
Codex A (Alexandrinus)
| 5e eeuw (Byzantijns in Evangeliën, Alexandrijns in de
rest) |
|
Dit manuscript uit de 4e/5e eeuw is van de grote verzamelmanuscripten het meest recent (gevonden/gekocht in 1906). Het is een gemengde tekst. De kopiist van dienst heeft manuscripten (Vorlage) uit verschillende tradities (families) gebruikt om zijn Bijbel-codex te kunnen completeren. De naam Washington verwijst naar de huidige locatie (Smithsonian instituut). De codex zelf is gevonden in Egypte (nabij Gizeh). Het weerspiegelt waarschijnlijk de bibliotheek van een Egyptisch klooster waar manuscripten uit verschillende windstreken (Rome, Syrië, Alexandrië) aanwezig waren en gekopieerd werden.
Het manuscript (gedateerd eind 4e of begin 5e eeuw) is als een lappendeken van tekstfamilies:
de term "Freer Logion" (genoemd naar Charles Lang Freer, die het manuscript in 1906 kocht) is een uniek stukje tekst (Logion) ingevoegd aan het slot van Marcus (na vers 14). Dit komt in geen enkel ander manuscript voor. Het bevat een dialoog tussen de discipelen en Jezus over de macht van Satan en de zonde (Hieronymus kende de tekst ook, maar ze stond niet in de manuscripten die hij als basis gebruikte voor zijn vertaling van Marcus).
Onderstaande tabel toont de bekendste toevoegingen in de Westerse traditie
|
Passage |
Wel/niet aanwezig |
|---|---|
|
Marcus 16:9-20 |
Afwezig in
de Alexandrijnse manuscripten |
|
Johannes 7:53-8:11 |
Afwezig in
de Alexandrijnse manuscripten |
|
1 Johannes 5:7-8 |
Afwezig in
de Alexandrijnse manuscripten |
|
Doxologie Onze Vader |
Afwezig in
de Alexandrijnse manuscripten |
|
Passage |
Wat ontbreekt in de Westerse tekst (D)? |
Mogelijk motief voor toevoeging in Alexandrijnse tekst |
|---|---|---|
|
Luk. 22:19b-20 |
Avondmaal (geen offer) beker eerst. |
Liturgische harmonisatie met de teksten van Paulus (Avondmaal). |
|
Luk. 24:12 |
Het bezoek van Petrus aan het graf. |
Harmonisatie met Johannes? Lichamelijke opstanding (doeken)? |
|
Luk. 24:36 |
De groet "Vrede zij u". |
Vroomheids-element uit de vroege kerkelijke liturgie. |
|
Luk. 24:40 |
Het tonen van de handen en voeten. |
Versterken van (het geloof) in een fysieke (vlees en bloed) opstanding. |
|
Luk. 24:51 |
De woorden "opgenomen in de hemel". |
Expliciet maken van de Hemelvaart als historisch feit. |
Alexandrijns: Bevat de volledige instellingswoorden: "...het lichaam dat voor u gegeven wordt, de beker die voor u uitgegoten wordt, nieuwe verbond..."
Westers (D, it): Breekt abrupt af na "Neemt, eet dit is mijn lichaam". De hele passage over de tweede beker en het offer voor de zonden ontbreekt, terwijl de beker eerst komt (geeft hem door, ik zal hem niet meer drinken). In een van de oudste christelijke geschriften (de Didache , ca 110) komt een instructie voor het Avondmaal voor, die overeenstemt met deze korte versie. Dit toont aan dat er in de eerste christenheid op verschillende manieren met het gedachtenismaal werd omgegaan.
Verklaring : De kortere Westerse tekst werd later uitgebreid om overeenstemming te bereiken met de woorden van Paulus in 1 Korinthe 11, d.w.z. de gangbare liturgische formulering in kringen rond Paulus?
Alexandrijns (P75, B, ℵ): Bevat het vers waarin Petrus naar het graf rent en de doeken ziet liggen. Sommigen hebben een deel, anderen het gehele vers.
Westers (D, it): Dit vers ontbreekt volledig. Het paasmorgenverhaal eindigt met de discipelen die het verhaal van de vrouwen afwijzen als 'zotteklap' en niet geloofden. Daarna volgt meteen het verhaal van de Emmaüsgangers.
Verklaring : Harmonisatie met/vanuit Johannes 20? Rehabilitatie van Petrus? de 'doeken' als bewijs van fysieke opstanding? uitgebreide bespreking
Alexandrijns: Jezus komt in hun midden "en zei tegen hen: Vrede zij u."
Westers (D, it): De woorden "en zei tegen hen: Vrede zij u" ontbreken. De tekst gaat meteen verder "Ze waren verbijsterd..."
verklaring : Liturgische uitbreiding/harmonisatie? De groet werd zo standaard in de vroege kerk, dat ze in de tekst bijna vanzelf in de tekst is "ingevloeid".
Alexandrijns: "En toen Hij dit gezegd had, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn voeten."
Westers (D, it, sy-s): Dit vers ontbreekt volledig. (sy-s duidt op de oud-syrische vertaling van Lukas)
verklaring : De lichamelijkheid van de herrezen Jezus wordt onderstreept (anti-docetisme / grote groepen geloofden wel in een geestelijke verschijning van Jezus, maar niet in...).
Alexandrijns: Terwijl hij hun zegende ging hij van en heen "en Hij werd opgenomen in de hemel."
Westers (D, it): De woorden "en werd opgenomen in de hemel" ontbreken. Jezus ging dus 'weg' (zoals bij de andere verschijningen). Elke verschijning eindigt met een verdwijning. Punt.
verklaring: De Westerse tekst bewaart hier wellicht de versie van vóór de expliciete "leer van de hemelvaart" als afronding van een in de tijd beperkte serie 'verschijningen'. Lukas zoals wij die nu kennen is de enige die periodiseert (40 dagen na Pasen = Hemelvaart) 50 dagen = Pinksteren. Mattheüs rond af met de missieopdracht, Markus 16 (9vv) is later toegevoegd. Zowel Alexandrijns als Westers. Zie hierover ook de meditatie voor hemelvaart..
UIt de zee van literatuur (nogal 'strijdlustig' zowel aanvallend als verdedigend) twee goed leesbare boeken van wetenschappelijke 'all-rounders' die een overzicht geven van de geboorte van het Nieuw Testament en de bonte wereld van de ontluikende christenheid. Zonder geheimtaal.
Beide zouden gewoon in de handel moeten zijn, maar... wonderlijk genoeg zijn ze niet meer verkrijgbaar. Daarom niet getreurd: op boekwinkeltjes.nl vind je ze zeker !
2026 Dick Wursten
Bronvermelding:
1. Origines (vroegchristelijke bijbelgeleerde (Alexandrië, ca. 185–254), ook een van de eerste tekstuitgevers (versies naast elkaar: Hexapla). Het citaat komt uit zijn commentaar op Mattheüs (boek 15, paragraaf 14).
"νυνὶ δὲ δηλονότι πολλὴ γέγονεν ἡ τῶν ἀντιγράφων διαφορά, εἴτε ἀπὸ ῥᾳθυμίας τινῶν γραφέων, εἴτε ἀπὸ τόλμης τινῶν μοχθηρᾶς τῆς διορθώσεως τῶν γραφομένων, εἴτε καὶ ἀπὸ τῶν τὰ ἑαυτοῖς δοκοῦντα ἐν τῇ διορθώσει προστιθέντων ἢ ἀφαιρούντων."
Vertaling: "Het is nu eenmaal een feit dat de verschillen tussen de handschriften groot zijn geworden, hetzij door de onachtzaamheid van bepaalde overschrijvers, hetzij door de verkeerde voortvarendheid van sommigen bij het corrigeren van de tekst, of ook door toedoen van hen die bij het herzien naar eigen goeddunken stukken toevoegen of weglaten."