De stem van Jezus in de evangeliën

In mijn bijbel staan vier boeken die het verhaal van Jezus vertellen (evangeliën). Als ik die lees zoals ik een boek lees (als geheel dus) verschiet het beeld van Jezus behoorlijk van kleur per boek, en in de Jezus van Johannes heb ik zelfs moeite om de Jezus van de andere drie te herkennen. Ook voel ik - onderhuids - nogal uiteenlopende visies op wat de 'missie' van Jezus eigenlijk was (en dus ook op wat zijn betekenis is). Vroeger vond ik dat lastig (en probeerde ik die verschillen te verzoenen), tegenwoordig vind ik het wel goed zo. Er is meervoud in God (drie-eenheid) en ook Jezus kun je niet zomaar plaatsen. Diversiteit leidt tot spanning, maar is dat niet een kenmerk van alle leven? In dit opstel wil ik iets van de wetenschappelijke achtergrond toelichten.
Het is een historisch opstel van hoe we van
verzamelingen van verhalen over Jezus tot de evangeliën als heilige Schrift zijn gekomen. De Westerse 'canon' (lijst van door god-geïnspireerde heilige boeken) werd afgekondigd in AD 397 (staatsgodsdienst, tijd van de grote concilies). Mijn uitgangspositie is simpel: Ze zijn door hun auteurs niet als heilige Schrift geschreven, maar als tekstboekjes (papyri, zie afbeedling hieronder) om uit voor te lezen in de bijeenkomst van concrete gemeenschappen, — naast de Heilige Schrift (= Bijbel van de Joden). Gaandeweg verandert hun status. Dat merk je ook in de overleveringsgeschiedenis.

 
  1. short history: van mondeling overlevering naar manuscripten

  2. Diversiteit is eerder dan uniformiteit
    De Alexandrijnse, Westerse, en Byzantijnse tekstamilies

  3. Tekstfamilies van de Evangeliën

  4. Bekende invoegingen (interpolaties)
    Wat verrassend ontbreekt in de Westerse tekst

  5. for further reading... (Nederlands)

bodmer_p66_gospeljohn1
Johannes 1 (in den beginne was het woord...) van Papyrus 66 (Bodmer nr. 2) afbeelding van: https://bodmerlab.unige.ch/fr/constellations/papyri/barcode/1072205287  3-dimensionale viewer op https://www.artmyn.com/explore/viewer/119 

short history: van mondelinge overlevering naar evangeliën

van verhaal tot tekst

Tussen het oorspronkelijke Jezus-gebeuren (ca. AD 30-33) en de eerste schriftelijke fixatie daarvan zoals wij die kennen (de 'evangeliën') ligt een periode van zo'n 30-60 jaar, waarin men mondeling het verhaal van Jezus levend heeft gehouden. Als geheugensteuntje schreven sommigen ook 'spreuken', 'gesprekken' op, maar gewoon los naast elkaar. Markus heeft - voorzover we weten - als eerste zijn bronnen bijeengebracht binnen een verhaalstructuur (binnen ruimte en tijd geplaatst: 'en toen', 'terstond', met locatie). Daarbij heeft hij veel aandacht geschonken aan het einde: de "Passie" (Pesach in Jeruzalem, proces en kruisiging, vrouwen op de Paasmorgen. Daar hield het oorspronkelijk op). Mattheüs en Lukas hebben het stramien van Markus overgenomen, naar behoefte/noodzaak herordend, aangevuld met verhalende stof en spreuken uit andere bronnen (deels dezelfde, deels eigen materiaal). Simpel voorbeeld: Mattheüs heeft verspreide spreuken samengebracht in de Bergrede. Beiden hebben het verhaal ook een (geheel eigen) inleiding gegeven (of Lukas dat meteen gedaan heeft, weten we niet. Er zijn ook versies overgeleverd zonder het bekende geboorteverhaal Lk. 1-2). Wie de teksten leest, merkt al snel dat elk van de drie genoemde auteurs een eigen boek heeft geschreven, een eigen stijl heeft, sfeer schept, accenten legt, kortom: een eigen beeld van Jezus presenteert. Vaak zijn bijbelgeleerden bezig 'de oudste formulering' of de 'echte setting' te vinden, of de verschillen tussen de drie te verklaren/harmoniseren. Ik stel voor om dat nu eens niet te doen. Elk boek (elk evangelie) laat de stem van Jezus horen, zoals ze op een welbepaalde plaats, door een groep mensen (geloofsgemeenschap) is gehoord. Oh ja, Johannes laat ik erbuiten, want dat is zo'n ander boek, met een onvergelijkelijk anders Jezusbeeld. De geloofsgemeenschap die dat evangelie las (en waar de bijbehorende brief (of brieven) gelezen zijn) moet ook wel bijzonder zijn geweest. Ik vraag me in gemoede af of de broeders/zusters in de kerk van Markus wel zouden kunnen volgen als de collega's van de Johanneskerk zouden beginnen te oreren....

de tekstoverlevering

We hebben de oer-Markus, -Mattheus, -Lukas niet meer. Zelfs hun namen kennen we enkel via de traditie. Hun papyrusrollen (of boekje (codex, zie afbeelding hierboven)) waren gebruiksmateriaal, om tijdens bijeenkomsten voor te lezen (getuigenis hiervan: midden 2de eeuw: Justinus Martyr. Hij gebruikt als koepelterm: ἀπομνημονεύματα τῶν ἀποστόλων, herinneringen van de apostelen). Ze worden vermenigvuldigd (= overgeschreven) en gedeeld. Zo raken ze verspreid in de antieke wereld, de een al wat eerder/sneller dan de ander. Dit gebeurt zonder supervisie, zonder controle, gewoon naar de behoefte van geloofsgemeenschappen. Gebruiksmateriaal voor de eredienst (en later: verdediging, onderricht). Wat we hebben zijn kopieën van kopieën van kopieën van..., en vaak fragmentarisch. Er zit ook bijna 100 jaar tussen de veronderstelde oer-versie en de eerste kopieën die we hebben. Elke versie/kopie hoort bij een concrete geloofsgemeenschap. De versies (d.w.z. kopieën, manuscripten) die in omloop waren aan het eind van de tweede eeuw, begin derde eeuw (dan beginnen we een redelijk overzicht te krijgen), verschillen nogal van elkaar. Origenes klaagde daar al over, toen hij een bezig was een toelichting te schrijven bij het evangelie van Mattheüs. [citaat, bron]. Je kunt dat trouwens ook eenvoudig zelf vaststellen door wat er nu nog over is, gewoon naast elkaar te leggen (collationeren) en met elkaar te vergelijken.

In 1707 heeft John Mill (Queens College, Oxford) dat voor het eerst geprobeerd. Hij had een kleine 100 handschriften ter beschikking, heeft die allemaal ontcijferd en overgeschreven, en vond ca. 30.000 variaties. Hij bracht die onder in voetnoten onder de standaard Griekse tekst (Textus Receptus), en publiceerde het resultaat. Daarbij had hij - om het overzichtelijk te houden - verschillen in woordvolgorde binnen een zin niet mee opgenomen. Een ontzette criticus schreef dat Mill "had destroyed the validity of the sacred text", een ander repliceerde "Mill was not responsible for the differences between the various manuscripts, he only pointed them out." Hier een voorbeeld (titelpagina, en Lukas 24).

nt-graec John Mill 1723 Lk14
bladzijde met Lukas 24 uit de tweede druk van Mill's boek. Het voorbeeld wordt uigelegd op de afbeelding. Het schrikaanjagende woordje was 'deest' (de-est = is afwezig). In dit geval: Lukas 24, vers 12 ontbreekt in een aantal belangrijke handschriften.

Mills had een kleine 100 manuscripten ter beschikking om te 'collationeren', nu kennen we ca. 5.700 handschriften (van piepkleine fragmentjes, tot volledige samengebonden folianten). Wel is het zo dat de oudste het zeldzaamst zijn. Verder met het verhaal:

De oorspronkelijke kopiisten (in het engels: scribes, niet te verwarren met die andere 'scribes', de Schriftgeleerden uit het NT) waren geen mechanische kopieermachines. Al opschrijvend over overschrijvend corrigeerden ze fouten (of wat ze als fouten zagen), vulden aan, lieten weg, verbeterden (uit zichzelf, of op grond van andere teksten, of omdat iemand anders het (anders) zei, of...), de een al meer dan de ander, etc. Pragmatisme (gebruiksnut) was wat teld, zeker in de begintijd (en die loopt tot ver in de tweede eeuw): men moest gewoon een goed leesbare, begrijpelijke, zinvolle tekst hebben voor 'de eigen mensen'. Daarbij was er geen centrale controlerende instantie ('Rome' bestond wel, maar dat was nog niet het Rome van vandaag; grote steden (zoals Antiochië, Alexandrië, Byzantium, Damascus, Rome) en diverse grote kloosters begonnen wel meer en meer te verzamelen, te centraliseren, en het kopieerproces te superviseren. Maar dan zijn we al een eind in de 3de eeuw.
    
[gedachten oefening: in het jaar 230 (of 233)  was het 200 jaar geleden dat Jezus gekruisigd was. net zolang geleden als voor ons... Napoleon].
Vanaf het begin van de 4de eeuw begint eenvormigheid van overgeleverde manuscripten (in groepen) op te vallen. Ook wel logisch: het christendom wordt een erkend en top-down georganiseerd religieus instituut met staatssteun (312: Constantijn: Rome en Byzantium domineren). Dan moet het allemaal een beetje deftig gebeuren natuurlijk. Er worden degelijlke concilies georganiseerd (met keizerlijke supervisie). Interne pluraliteit is taboe. Un Dieu, une loi, une foi, of preciezer: Un Dieu, un César, un pape, une seule Église, un seul dogme... en dus een heilige Schrift. Kerkvader Athanasius stelt een normatieve lijst ('canon') voor van 'heilige boeken' (367) en na veel debat wordt die 30 jaar later bekrachtigd, d.w.z. krijgt 'kracht van wet'.


Diversiteit en uniformiteit

Eerst is diversiteit in de 'christelijke gemeenschappen'. Uniformiteit komt later.


De Jezusvolgers waren van meet af aan een bont gezelschap, ook intern: (denk aan de gemeenschap in Korinthe uit de brief van Paulus). Dat gaat over opvattingen die circuleerden, teksten die ze gebruikten, en produceerden. Deze gemeenschappen waren cultureel divers, geografisch verspreid over het hele Midden-Oosten, Noord-Afrika, tot in Italië en Z-Frankrijk/Spanje toe. Een gemeente kan dus een groepje vrome Joden zijn geweest, die - in de marge van de synagoge - in Jezus de Messias zagen, maar geen God natuurlijk. Het kan ook een groepje mystiek geöriënteerde 'Hellenen' zijn die meenden dat Jezus een soort avatar van God was, die geheime waarheden onthulde (Gnostisch). Of een gezelschap dat ervan overtuigd was dat de mens Jezus door God was geadopteerd bij zijn doop ("Mijn zoon zijt gij..., "ik heb u heden verwekt" zo stond er in hun evangelieversie bij), en bij de kruisiging door God weer was verlaten ("Mijn God mijn god, waarom...")  etc... Wij noemen dat nu 'ketterijen' maar die term komt pas in zwang als bepaalde groep het voor het zeggen krijgen en zich het alleenrecht op de interpretatie van de leer aangaande Jezus toeëigent (zichzelf "orthodox" noemt) en de andersdenkenen, andersgelovenden, andersvoelenden "verketterd". Dat laatste zien we gebeuren vanaf het midden van de tweede eeuw... (de eerste 'kerkvaders' die in hun geschriften de puntjes op de "i" zetten). Ik houd vast: Eerst is er verscheidenheid (met spanningen, soms conflicten, scheuringen, maar nog steeds divers), een breed palet... Dan ontbrandt er een machtsstrijd die niet meer te stuiten is. Van danaf geldt, en eindigt het met: 'The winner takes all'.  Hij schrijft nadien ook (de) geschiedenis (op), en gebruikt daarbij natuurlijk de 'juiste, denigrerende, veroordelende termen' voor de verliezers: Hoe nobel of naïef ook: het zijn ketters. Hun geschriften worden vernietigd, want gevaarlijk (gnosis, docetisme, ebionieten en wat dies meer zij... ).


Terug naar het onderwerp: Hoe zit het met de evangeliën, de geschriften: Wel: Ook die weerspiegelen eerst de diversiteit en worden gaandeweg uniformer. Men leest ook niet alle vier evangeliën. Waarom zou men? Ik maak het wat concreter (hypothetisch, maar dit zou gekund hebben):
- In Rome las men Markus (zonder het slot, dat is van later) over Jezus die machtig is de demonen uit te werpen, en wonderdaden verricht (het is de tijd van de eerste vervolgingen).
- Ergens in Syrië, in een overwegend Joodse groep die vergaderde in de marge van de synagoge, had men eerst het 'Evangelie der Hebreeën' gelezen, maar was men overgestapt op Mattheüs. Die had ook veel tijd gespendeerd om de link tussen Jezus Messias en het boek van het Oude verbond zichtbaar te maken. Je merkt dat aan zinnen zoaals "opdat vervuld wordt hetgeen gesproken is door", maar ook in de formulering of contextualisering van bepaalde gelijkenissen.

- Ergens in Antiochië is er een groep geciviliseerde Grieken, die horen op zondagmorgen Lukas (iets korter dan wij 'm vandaag kennen). Knap geschreven, goed Grieks, met van die symposia bij welgestelde mensen aan huis, heel vertrouwd. En dan ook de sequel (Handelingen) met die schitterende 'redevoeringen'. De sterke morele boodschap sprak ook aan, het appèl om verantwoordelijkheid te nemen. En andersom: de offergedachte rond Jezus' sterven speelt nauwelijks een rol (in de oudste versie van Lukas is er wel een avondmaalsviering, maar zonder de bekende duidingszinnen.).

- Maar men las ook het 'Evangelie van Petrus' of het 'evangelie der Ebionieten' (beide bekend uit opmerkingen van vroegchristelijke auteurs), en in de tweede eeuw (maar dan neemt de spanning toe), het 'Evangelie van Thomas' of 'het Evangelie der Waarheid' (heel geestelijk, mystiek, filosofisch bijna). En ook de 'Pastor van Hermas' en 'de Didache' (geschriften uit de generatie na de apostelen, begin 2de eeuw, zeer geliefd en verspreid). Trouwens dan is er ook nog die laatkomer onder de canonieke evangeliën: Johannes. Wellicht al wel vroeger geschreven (er is een oud fragmentje: P52), maar het krijgt pas clickbait in de tweede helft van de tweede eeuw, en wordt nog lange tijd wel genoemd, maar weinig geciteerd. Het later toegevoegde slothoofdstuk, waar 'de discipel dien Jezus liefhab' en Petrus zich 'verzoenen' zou wel eens op een laattijdige toenadering tussen twee belangrijkse christelijke strekkingen kunnen duiden.


Kortom: Christenen waren gewone mensen, die leefden in een - ook toen al - hyperdiverse wereld, ook levensbeschouwelijk. Hun opvattingen en beleving getriggerd door de verhalen aangaande Jezus, was van meet af aan ook divers. Er waren contacten, men wisselde uit, beïnvloedde elkaar, maakte ruzie, paste aan, wees af, had voorkeuren etc. Daarbij —nogmaals—  waren de manuscripten van de diverse evangeliën voor locaal gebruik. Als ze versleten waren, werden ze vervangen, overgeschreven (al dan niet aangevuld, verbeterd op grond van... ) of vervangen door of er kwamen andere naast (dat wordt de meest gegane weg). Heel menselijk allemaal. Als we naar de overgebleven manuscripten kijken, dan zie we aan het eind van de 3de eeuw 'families' van manuscripten ontstaan, tekstversies die nauw aan elkaar verwant zijn qua redactie. Ook worden ze steeds vaker samengebonden als boekje (codex) en ook met andere geschriften. Ook exemplaren op perkament beginnen te verschijnen (duurder en duurzamer). De 'status' stijgt. Het worden 'heilige Geschriften'. Na de diversiteit komt de uniformiteit (ook in teksten, en rituelen, liturgie, opvattingen, maar niet zonder enkele 'harde beslissingen'). Op grond van wat we nu aan materiaal hebben uit de eerste 4 eeuwen (oudste handschrift stamt uit de 2de eeuw) onderscheidt men gewoonlijk drie grote families (d.w.z. tradities in tekst-overlevering)

De Alexandrijnse, Westerse, en Byzantijnse tekstamilies

De namen van de tekstfamilies zijn in de 18de/19de eeuw toegekend op basis van de toen vermoede geografische herkomst van de manuscripten. Hoewel we daar nu veel meer over weten (de diversiteit was groter, en de spreiding veel meer netwerk-achtig, dan geografisch) blijven de namen toch gebruikt worden als labels. Vandaar.

Tekstfamilies van de Evangeliën

Dit overzicht koppelt de fysieke getuigen (papyri, codexen) aan de tekstkritische hoofdstromen en hun specifieke kenmerken.
P = Papyrus (vaak onderdeel van een verzameling, niet altijd enkel bijbelmateriaal, vaak stukken van wat wij nu bijbelboeken noemen). Tegenwoordig is er weer een hevige discussie over de datering van enkele 'oude papyrusfragementen, m.n. P52, P66 en P75. De traditionele datering plaatste die vaak in de tweede eeuw, maar doorgedreven archeologisch, papyrologisch, handschriftkundig onderzoek heeft hier vragen bij gesteld. Niet dat het niet kan, maar het kan vaak ook later zijn. Dit is in die zin belangrijk, dat de veronderstelde 'ouderdom' van die fragmenten ze tot 'stamvader' van een latere traditie maakte (autoriteit verleende). Als ze niet zo oud zijn (of je bent niet zeker), dan is er vaak geen 'stamvader' meer, enkel traditie. In de tabel worden beide dateringen gegeven.


* Trad. = traditionele datering (wetenschappelijke stand ca. midden 20ste eeuw)
* Krit. = alternatieve datering (recente ontwikkelingen, gebaseerd op groundbreaking research van Bent Nongbri, m.n. archeologisch, papyrologisch en grafologisch onderzoek + openlaten van onzekerheden)

Belangrijkste Getuigen (Datering & Inhoud)

ken

Tekstfamilie

Beschrijving

Kenmerken & Verschillen

Alexandrijnse Tekst



P52 (snipper, enkele verzen van Joh.) | Trad*: 125 / Krit*: 150-225 kan ook...
P66 (Joh. bijna volledig) | Trad: 200 / Krit: 3e-4e eeuw
P75 (Luk/Joh) | Trad: 175-225 / Krit: vroeg 4e eeuw
Codex B (Vaticanus) | ca. 325-350 (4e eeuw)
Codex ℵ (Sinaiticus) | ca. 330-360 (4e eeuw)

  • Karakter: "Sober en kort." Wordt door de NA28 (meest recente kritische uitgave) als de meest betrouwbare bron gezien.

  • Verschillen: Mist vaak latere toevoegingen zoals het slot van Marcus (16:9-20) of de overspelige vrouw (Joh. 7:53-8:11).

  • Opmerking: polijsting tekstueel en theologisch niet onmogelijk. Vergelijking met Westerse tekst zinvol.

Westerse Tekst



Codex D (Bezae; Evang/Hand) | 5e eeuw (bron wellicht terug tot de 2e eeuw)
Cyprianus (Citaten Latijn) | ca. 250 (vroege datering)
it (Vetus Latina) | v.a. 2e eeuw (zeer vroege tekst). En zeer veel andere Latijnse vertaling die circuleerden. De Vulgaat is er nog niet.
sys (Sinaitisch Syrische vertaling) | 4e/5e eeuw (bron ca. 150)

  • Karakter: "Vrij en parafraserend." Soms langer, maar soms ook korter (Westerse niet-interpolaties).

  • Verschillen: Bevat unieke verhalen of alternatieve bewoordingen die wat ruwer aanvoelen.

  • Opmerking: Deze familie bewaart vaak een "lastigere" versie, tekstueel en ook theologisch. Vergelijking met Alexandrijnse tekst zinvol.

Byzantijnse Tekst


Codex A (Alexandrinus) | 5e eeuw (Byzantijns in Evangeliën, Alexandrijns in de rest)
𝔐 (Meerderheidstekst) | 9e – 15e eeuw (opgeschoonde zuivere tekst voor kerkelijk gebruik) (manuscripten uit dee traditie lagen aan de basis van de Textus receptus in West-Europa (Erasmus etc.)

  • Karakter: "Gepolijst en harmoniserend." De basis voor de Textus Receptus van Erasmus (die 6 à 7 incomplete manuscripten had).

  • Verschillen: Combineert vaak lezingen om tegenstrijdigheden weg te nemen. Bevat alle bekende interpolaties.

  • Opmerking: Moeilijke passages worden vloeiend gemaakt, geschikt voor liturgische gebruik.

 

Speciaal Geval: Codex Washingtonianus (W)

Dit manuscript uit de 4e/5e eeuw is van de grote verzamelmanuscripten het meest recent (gevonden/gekocht in 1906). Het is een gemengde tekst. De kopiist van dienst heeft manuscripten (Vorlage) uit verschillende tradities (families) gebruikt om zijn Bijbel-codex te kunnen completeren. De naam Washington verwijst naar de huidige locatie (Smithsonian instituut). De codex zelf is gevonden in Egypte (nabij Gizeh). Het weerspiegelt waarschijnlijk de bibliotheek van een Egyptisch klooster waar manuscripten uit verschillende windstreken (Rome, Syrië, Alexandrië) aanwezig waren en gekopieerd werden.

De "Blokken" van Codex W

Het manuscript (gedateerd eind 4e of begin 5e eeuw) is als een lappendeken van tekstfamilies:

  • Mattheüs: Grotendeels Byzantijns.
  • Marcus 1:1 – 5:30: Westers (verwant aan de Oud-Latijnse vertalingen).
  • Marcus 5:31 – 16:20: Caesareaans (een familielid, dat verwant is aan zowel de Westerse als de Alexandrijnse tak) .
  • Lukas 1:1 – 8:12: Alexandrijns.
  • Lukas 8:13 – 24:53: Byzantijns.
  • Johannes: Alexandrijns (met name verwant aan P66 en P75).

Het "Freer Logion"

de term "Freer Logion" (genoemd naar Charles Lang Freer, die het manuscript in 1906 kocht) is een uniek stukje tekst (Logion) ingevoegd aan het slot van Marcus (na vers 14). Dit komt in geen enkel ander manuscript voor. Het bevat een dialoog tussen de discipelen en Jezus over de macht van Satan en de zonde (Hieronymus kende de tekst ook, maar ze stond niet in de manuscripten die hij als basis gebruikte voor zijn vertaling van Marcus).


Bekende invoegingen (interpolaties)

Onderstaande tabel toont de bekendste toevoegingen in de Westerse traditie


Passage

Wel/niet aanwezig

Marcus 16:9-20
(Lange Slot)

Afwezig in de Alexandrijnse manuscripten
Aanwezig in de Westerse tekst

Johannes 7:53-8:11
(Overspelige Vrouw)

Afwezig  in de Alexandrijnse manuscripten
Aanwezig in de Westerse tekst

1 Johannes 5:7-8
(Comma Johanneum)

Afwezig in de Alexandrijnse manuscripten
Afwezig in de Westerse tekst
Afwezig in de Vulgaat (Hieronymus' vertaling)
latere Latijnse toevoeging (7de/8ste eeuw) die in Griekse teksten opdook.

Doxologie Onze Vader

Afwezig in de Alexandrijnse manuscripten
Afwezig in de Westerse tekst
Afwezig in de Vulgaat (Hieronymus' vertaling) en dus in rooms-katholieke liturgie
Aanwezig in Byzantijns, toegevoegd vanuit liturgisch gebruik.


 

Wat ontbreekt in de Westerse tekst? (enkele voorbeelden uit Lukas)

Passage

Wat ontbreekt in de Westerse tekst (D)?

Mogelijk motief voor toevoeging in Alexandrijnse tekst

Luk. 22:19b-20

Avondmaal (geen offer) beker eerst.

Liturgische harmonisatie met de teksten van Paulus (Avondmaal).

Luk. 24:12

Het bezoek van Petrus aan het graf.

Harmonisatie met Johannes? Lichamelijke opstanding (doeken)?

Luk. 24:36

De groet "Vrede zij u".

Vroomheids-element uit de vroege kerkelijke liturgie.

Luk. 24:40

Het tonen van de handen en voeten.

Versterken van (het geloof) in een fysieke (vlees en bloed) opstanding.

Luk. 24:51

De woorden "opgenomen in de hemel".

Expliciet maken van de Hemelvaart als historisch feit.

Meer in detail

 Lukas 22:19b-20 – Het Avondmaal (lange versie)

  • Alexandrijns: Bevat de volledige instellingswoorden: "...het lichaam dat voor u gegeven wordt, de beker die voor u uitgegoten wordt, nieuwe verbond..."

  • Westers (D, it): Breekt abrupt af na "Neemt, eet dit is mijn lichaam". De hele passage over de tweede beker en het offer voor de zonden ontbreekt, terwijl de beker eerst komt (geeft hem door, ik zal hem niet meer drinken). In een van de oudste christelijke  geschriften (de Didache , ca 110) komt een instructie voor het Avondmaal voor, die overeenstemt met deze korte versie. Dit toont aan dat er in de eerste christenheid op verschillende manieren met het gedachtenismaal werd omgegaan.

  • Verklaring : De kortere Westerse tekst werd later uitgebreid om overeenstemming te bereiken met de woorden van Paulus in 1 Korinthe 11, d.w.z. de gangbare liturgische formulering in kringen rond Paulus?

Lukas 24:12 – De Petrus-passage

  • Alexandrijns (P75, B, ℵ): Bevat het vers waarin Petrus naar het graf rent en de doeken ziet liggen. Sommigen hebben een deel, anderen het gehele vers.

  • Westers (D, it): Dit vers ontbreekt volledig. Het paasmorgenverhaal eindigt met de discipelen die het verhaal van de vrouwen afwijzen als 'zotteklap' en niet geloofden. Daarna volgt meteen het verhaal van de Emmaüsgangers.

  • Verklaring : Harmonisatie met/vanuit Johannes 20? Rehabilitatie van Petrus? de 'doeken' als bewijs van fysieke opstanding? uitgebreide bespreking

Lukas 24:36 – De vredegroet

  • Alexandrijns: Jezus komt in hun midden "en zei tegen hen: Vrede zij u."

  • Westers (D, it): De woorden "en zei tegen hen: Vrede zij u" ontbreken. De tekst gaat meteen verder "Ze waren verbijsterd..."

  • verklaring : Liturgische uitbreiding/harmonisatie? De groet werd zo standaard in de vroege kerk, dat ze in de tekst bijna vanzelf in de tekst is "ingevloeid".

Lukas 24:40 – Het tonen van handen en voeten

  • Alexandrijns: "En toen Hij dit gezegd had, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn voeten."

  • Westers (D, it, sy-s): Dit vers ontbreekt volledig. (sy-s duidt op de oud-syrische vertaling van Lukas)

  • verklaring : De lichamelijkheid van de herrezen Jezus wordt onderstreept (anti-docetisme / grote groepen geloofden wel in een geestelijke verschijning van Jezus, maar niet in...).

Lukas 24:51 – De Hemelvaart

  • Alexandrijns: Terwijl hij hun zegende ging hij van en heen "en Hij werd opgenomen in de hemel."

  • Westers (D, it): De woorden "en werd opgenomen in de hemel" ontbreken. Jezus ging dus 'weg' (zoals bij de andere verschijningen). Elke verschijning eindigt met een verdwijning. Punt.

  • verklaring: De Westerse tekst bewaart hier wellicht de versie van vóór de expliciete "leer van de hemelvaart" als afronding van een in de tijd beperkte serie 'verschijningen'. Lukas zoals wij die nu kennen is de enige die periodiseert (40 dagen na Pasen = Hemelvaart) 50 dagen = Pinksteren. Mattheüs rond af met de missieopdracht, Markus 16 (9vv) is later toegevoegd. Zowel Alexandrijns als Westers. Zie hierover ook de meditatie voor hemelvaart..

For further reading

UIt de zee van literatuur (nogal 'strijdlustig' zowel aanvallend als verdedigend) twee goed leesbare boeken van wetenschappelijke 'all-rounders' die een overzicht geven van de geboorte van het Nieuw Testament en de bonte wereld van de ontluikende christenheid. Zonder geheimtaal.

  • Daniel De Waele, De ontdekking van het Nieuwe Testament, Berne media/Averbode, 2020, 229 p. (bespreking)
  • G.P. Luttikhuizen, De veelvormigheid van het vroege christendom, Eburon, 2003/Damon 2005, 176 p. (de eerste hoofdstukjes geven prachtig overzicht. Daarna vooral focus op de gnostiek.)

Beide zouden gewoon in de handel moeten zijn, maar... wonderlijk genoeg zijn ze niet meer verkrijgbaar. Daarom niet getreurd: op boekwinkeltjes.nl vind je ze zeker !

2026 Dick Wursten  

 

Bronvermelding:

1. Origines (vroegchristelijke bijbelgeleerde (Alexandrië, ca. 185–254), ook een van de eerste tekstuitgevers (versies naast elkaar: Hexapla). Het citaat komt uit zijn commentaar op Mattheüs (boek 15, paragraaf 14).

"νυνὶ δὲ δηλονότι πολλὴ γέγονεν ἡ τῶν ἀντιγράφων διαφορά, εἴτε ἀπὸ ῥᾳθυμίας τινῶν γραφέων, εἴτε ἀπὸ τόλμης τινῶν μοχθηρᾶς τῆς διορθώσεως τῶν γραφομένων, εἴτε καὶ ἀπὸ τῶν τὰ ἑαυτοῖς δοκοῦντα ἐν τῇ διορθώσει προστιθέντων ἢ ἀφαιρούντων."

Vertaling: "Het is nu eenmaal een feit dat de verschillen tussen de handschriften groot zijn geworden, hetzij door de onachtzaamheid van bepaalde overschrijvers, hetzij door de verkeerde voortvarendheid van sommigen bij het corrigeren van de tekst, of ook door toedoen van hen die bij het herzien naar eigen goeddunken stukken toevoegen of weglaten."