Van mondelinge overlevering naar heilige Schrift — en waarom de handschriften onderling verschillen
In mijn bijbel staan vier boeken die het verhaal van Jezus vertellen. Als ik die lees zoals ik een boek lees – als geheel dus – verschiet het beeld van Jezus behoorlijk van kleur per boek, en in de Jezus van Johannes heb ik zelfs moeite om de Jezus van de andere drie te herkennen. Ook voel ik, onderhuids, nogal uiteenlopende visies op wat de 'missie' van Jezus eigenlijk was, en dus ook op wat zijn betekenis is.
Vroeger vond ik dat lastig, en probeerde ik die verschillen te verzoenen. Tegenwoordig vind ik het wel goed zo. Er is meervoud in God – drie-eenheid – en ook Jezus kun je niet zomaar plaatsen. Diversiteit leidt tot spanning, maar is dat niet een kenmerk van alle leven?
In dit opstel wil ik iets van de wetenschappelijke achtergrond toelichten. Het is een historisch opstel van hoe we van verzamelingen verhalen over Jezus tot de evangeliën als heilige Schrift zijn gekomen. De westerse 'canon' – de lijst van door God geïnspireerde heilige boeken – werd afgekondigd in 397, in de tijd van de staatsgodsdienst en de grote concilies.
Mijn uitgangspositie is simpel: ze zijn door hun auteurs niet als heilige Schrift geschreven, maar als tekstboekjes om uit voor te lezen in de bijeenkomst van concrete gemeenschappen — naast de Heilige Schrift, de Bijbel van de Joden. Gaandeweg verandert hun status. Dat merk je ook in de overleveringsgeschiedenis.
Tussen het oorspronkelijke Jezus-gebeuren (ca. 30-33) en de eerste schriftelijke fixatie daarvan zoals wij die kennen – de 'evangeliën' – ligt een periode van zo'n dertig tot zestig jaar, waarin men mondeling het verhaal van Jezus levend heeft gehouden. Als geheugensteuntje schreven sommigen ook spreuken en gesprekken op, maar gewoon los naast elkaar.
Markus heeft, voor zover we weten, als eerste zijn bronnen bijeengebracht binnen een verhaalstructuur: binnen ruimte en tijd geplaatst, met 'en toen', 'terstond', met locatie. Daarbij heeft hij veel aandacht geschonken aan het einde, de Passie — Pesach in Jeruzalem, proces en kruisiging, de vrouwen op de Paasmorgen. Daar hield het oorspronkelijk op.
Mattheüs en Lukas hebben het stramien van Markus overgenomen, naar behoefte of noodzaak herordend, en aangevuld met verhalende stof en spreuken uit andere bronnen – deels dezelfde, deels eigen materiaal. Simpel voorbeeld: Mattheüs heeft verspreide spreuken samengebracht in de Bergrede. Beiden hebben het verhaal ook een geheel eigen inleiding gegeven. Of Lukas dat meteen gedaan heeft weten we niet; er zijn ook versies overgeleverd zonder het bekende geboorteverhaal van Lukas 1-2.
Wie de teksten leest merkt al snel dat elk van de drie genoemde auteurs een eigen boek heeft geschreven, een eigen stijl heeft, sfeer schept, accenten legt — kortom: een eigen beeld van Jezus presenteert.
Vaak zijn bijbelgeleerden bezig 'de oudste formulering' of de 'echte setting' te vinden, of de verschillen tussen de drie te verklaren en te harmoniseren. Ik stel voor om dat nu eens niet te doen. Elk evangelie laat de stem van Jezus horen zoals ze op een welbepaalde plaats, door een groep mensen, is gehoord.
O ja, Johannes laat ik erbuiten, want dat is zo'n ander boek, met een onvergelijkelijk ander Jezusbeeld. De geloofsgemeenschap die dat evangelie las – en waar de bijbehorende brief of brieven gelezen zijn – moet ook wel bijzonder zijn geweest. Ik vraag me in gemoede af of de broeders en zusters in de kerk van Markus wel zouden kunnen volgen als de collega's van de Johanneskerk zouden beginnen te oreren…
We hebben de oer-Markus, oer-Mattheüs en oer-Lukas niet meer. Zelfs hun namen kennen we enkel via de traditie. Hun papyrusrollen – of boekjes, codices – waren gebruiksmateriaal, om tijdens bijeenkomsten voor te lezen. Getuigenis hiervan is Justinus Martyr, midden tweede eeuw; hij gebruikt als koepelterm ἀπομνημονεύματα τῶν ἀποστόλων, herinneringen van de apostelen.
Ze worden vermenigvuldigd – dat wil zeggen overgeschreven – en gedeeld. Zo raken ze verspreid in de antieke wereld, de een al wat eerder of sneller dan de ander. Dit gebeurt zonder supervisie, zonder controle, gewoon naar de behoefte van geloofsgemeenschappen.
Wat we hebben zijn kopieën van kopieën van kopieën van…, en vaak fragmentarisch. Er zit ook bijna honderd jaar tussen de veronderstelde oerversie en de eerste kopieën die we hebben. Elke versie hoort bij een concrete geloofsgemeenschap.
De versies die in omloop waren aan het eind van de tweede eeuw en het begin van de derde – dan beginnen we een redelijk overzicht te krijgen – verschillen nogal van elkaar. Origenes klaagde daar al over toen hij bezig was een toelichting te schrijven bij het evangelie van Mattheüs.[1] Je kunt dat trouwens ook eenvoudig zelf vaststellen door wat er nu nog over is gewoon naast elkaar te leggen – collationeren – en met elkaar te vergelijken.
In 1707 heeft John Mill (Queen's College, Oxford) dat voor het eerst geprobeerd. Hij had een kleine honderd handschriften ter beschikking, heeft die allemaal ontcijferd en overgeschreven, en vond ongeveer 30.000 variaties. Hij bracht die onder in voetnoten onder de standaard Griekse tekst, de textus receptus, en publiceerde het resultaat. Daarbij had hij, om het overzichtelijk te houden, verschillen in woordvolgorde binnen een zin niet meegenomen.
Een ontzette criticus schreef dat Mill “had destroyed the validity of the sacred text”; een ander repliceerde: “Mill was not responsible for the differences between the various manuscripts, he only pointed them out.”
Mill had een kleine honderd manuscripten ter beschikking om te collationeren; nu kennen we er ongeveer 5.700, van piepkleine fragmentjes tot volledige samengebonden folianten. Wel is het zo dat de oudste het zeldzaamst zijn.
De oorspronkelijke kopiisten – in het Engels scribes, niet te verwarren met die andere scribes, de Schriftgeleerden uit het Nieuwe Testament – waren geen mechanische kopieermachines. Al overschrijvend corrigeerden ze fouten, of wat ze als fouten zagen, vulden aan, lieten weg, verbeterden: uit zichzelf, of op grond van andere teksten, of omdat iemand anders het anders zei. De een al meer dan de ander.
Pragmatisme, gebruiksnut, was wat telde — zeker in de begintijd, en die loopt tot ver in de tweede eeuw. Men moest gewoon een goed leesbare, begrijpelijke, zinvolle tekst hebben voor de eigen mensen. Daarbij was er geen centrale controlerende instantie. 'Rome' bestond wel, maar dat was nog niet het Rome van vandaag. Grote steden – Antiochië, Alexandrië, Byzantium, Damascus, Rome – en diverse kloosters begonnen wel meer en meer te verzamelen, te centraliseren en het kopieerproces te superviseren. Maar dan zijn we al een eind in de derde eeuw.
Gedachte-oefening: in het jaar 230 was het tweehonderd jaar geleden dat Jezus gekruisigd was. Net zo lang geleden als voor ons… Napoleon.
Vanaf het begin van de vierde eeuw begint eenvormigheid van overgeleverde manuscripten – in groepen – op te vallen. Ook wel logisch: het christendom wordt een erkend en van bovenaf georganiseerd religieus instituut met staatssteun. In 312 domineren Constantijn, Rome en Byzantium. Dan moet het allemaal een beetje deftig gebeuren natuurlijk. Er worden degelijke concilies georganiseerd, met keizerlijke supervisie. Interne pluraliteit is taboe.
Un Dieu, une loi, une foi — of preciezer: un Dieu, un César, un pape, une seule Église, un seul dogme… en dus één heilige Schrift. Kerkvader Athanasius stelt in 367 een normatieve lijst – canon – van heilige boeken voor, en na veel debat wordt die dertig jaar later bekrachtigd: krijgt kracht van wet.
Eerst is er diversiteit in de christelijke gemeenschappen. Uniformiteit komt later.
De Jezusvolgers waren van meet af aan een bont gezelschap, ook intern — denk aan de gemeenschap in Korinthe uit de brief van Paulus. Dat gaat over opvattingen die circuleerden, teksten die ze gebruikten en produceerden. Deze gemeenschappen waren cultureel divers, geografisch verspreid over het hele Midden-Oosten, Noord-Afrika, tot in Italië en Zuid-Frankrijk en Spanje toe.
Een gemeente kan dus een groepje vrome Joden zijn geweest die – in de marge van de synagoge – in Jezus de Messias zagen, maar geen God natuurlijk. Het kan ook een groepje mystiek georiënteerde Hellenen zijn die meenden dat Jezus een soort avatar van God was, die geheime waarheden onthulde: gnostisch. Of een gezelschap dat ervan overtuigd was dat de mens Jezus door God was geadopteerd bij zijn doop — “Mijn zoon zijt gij, ik heb u heden verwekt”, zo stond er in hun evangelieversie bij — en bij de kruisiging door God weer was verlaten: “Mijn God, mijn God, waarom…”
Wij noemen dat nu 'ketterijen', maar die term komt pas in zwang als een bepaalde groep het voor het zeggen krijgt, zich het alleenrecht op de interpretatie van de leer aangaande Jezus toeëigent, zichzelf 'orthodox' noemt, en de andersdenkenden, andersgelovenden, andersvoelenden verketterd. Dat laatste zien we gebeuren vanaf het midden van de tweede eeuw, bij de eerste kerkvaders die in hun geschriften de puntjes op de i zetten.
Ik houd vast: eerst is er verscheidenheid – met spanningen, soms conflicten, scheuringen, maar nog steeds divers, een breed palet. Dan ontbrandt er een machtsstrijd die niet meer te stuiten is. Vandaf dan geldt, en eindigt het met: the winner takes all. Hij schrijft nadien ook de geschiedenis op, en gebruikt daarbij natuurlijk de juiste, denigrerende, veroordelende termen voor de verliezers. Hoe nobel of naïef ook: het zijn ketters. Hun geschriften worden vernietigd, want gevaarlijk — gnosis, docetisme, ebionieten en wat dies meer zij.
Terug naar het onderwerp. Hoe zit het met de evangeliën, de geschriften? Wel: ook die weerspiegelen eerst de diversiteit en worden gaandeweg uniformer. Men leest ook niet alle vier evangeliën. Waarom zou men? Ik maak het wat concreter – hypothetisch, maar dit zou gekund hebben:
In Rome las men Markus, zonder het slot – dat is van later – over Jezus die machtig is de demonen uit te werpen en wonderdaden verricht. Het is de tijd van de eerste vervolgingen.
Ergens in Syrië, in een overwegend Joodse groep die vergaderde in de marge van de synagoge, had men eerst het 'Evangelie der Hebreeën' gelezen, maar was men overgestapt op Mattheüs. Die had ook veel tijd gespendeerd om de link tussen Jezus Messias en het boek van het Oude verbond zichtbaar te maken. Je merkt dat aan zinnen zoals “opdat vervuld wordt hetgeen gesproken is door…”, maar ook in de formulering of contextualisering van bepaalde gelijkenissen.
Ergens in Antiochië is er een groep geciviliseerde Grieken, die horen op zondagmorgen Lukas – iets korter dan wij hem vandaag kennen. Knap geschreven, goed Grieks, met van die symposia bij welgestelde mensen aan huis, heel vertrouwd. En dan ook de sequel, Handelingen, met die schitterende redevoeringen. De sterke morele boodschap sprak ook aan, het appel om verantwoordelijkheid te nemen. En andersom: de offergedachte rond Jezus' sterven speelt nauwelijks een rol — in de oudste versie van Lukas is er wel een avondmaalsviering, maar zonder de bekende duidingszinnen.
Maar men las ook het 'Evangelie van Petrus' of het 'Evangelie der Ebionieten', beide bekend uit opmerkingen van vroegchristelijke auteurs, en in de tweede eeuw – maar dan neemt de spanning toe – het 'Evangelie van Thomas' of het 'Evangelie der Waarheid', heel geestelijk, mystiek, filosofisch bijna. En ook de 'Pastor van Hermas' en 'de Didache', geschriften uit de generatie na de apostelen, begin tweede eeuw, zeer geliefd en verspreid.
Trouwens, dan is er ook nog die laatkomer onder de canonieke evangeliën: Johannes. Wellicht al wel vroeger geschreven – er is een oud fragmentje, P52 – maar het krijgt pas clickbait in de tweede helft van de tweede eeuw, en wordt nog lange tijd wel genoemd maar weinig geciteerd. Het later toegevoegde slothoofdstuk, waar 'de discipel dien Jezus liefhad' en Petrus zich verzoenen, zou wel eens op een laattijdige toenadering tussen twee belangrijke christelijke strekkingen kunnen duiden.
Kortom: christenen waren gewone mensen, die leefden in een – ook toen al – hyperdiverse wereld, ook levensbeschouwelijk. Hun opvattingen en beleving, getriggerd door de verhalen aangaande Jezus, waren van meet af aan ook divers. Er waren contacten, men wisselde uit, beïnvloedde elkaar, maakte ruzie, paste aan, wees af, had voorkeuren.
Daarbij waren — nogmaals — de manuscripten van de diverse evangeliën voor lokaal gebruik. Als ze versleten waren werden ze vervangen, overgeschreven, al dan niet aangevuld en verbeterd op grond van iets anders. Of er kwamen andere naast; dat wordt de meest gegane weg. Heel menselijk allemaal.
Als we naar de overgebleven manuscripten kijken, dan zien we aan het eind van de derde eeuw 'families' van manuscripten ontstaan: tekstversies die nauw aan elkaar verwant zijn qua redactie. Ook worden ze steeds vaker samengebonden als boekje – codex – en ook met andere geschriften. Ook exemplaren op perkament beginnen te verschijnen, duurder en duurzamer. De status stijgt. Het worden 'heilige Geschriften'.
Na de diversiteit komt de uniformiteit — ook in teksten, en rituelen, liturgie, opvattingen, maar niet zonder enkele harde beslissingen. Op grond van wat we nu aan materiaal hebben uit de eerste vier eeuwen – het oudste handschrift stamt uit de tweede eeuw – onderscheidt men gewoonlijk drie grote families, dat wil zeggen tradities in tekstoverlevering.
De namen van de tekstfamilies zijn in de achttiende en negentiende eeuw toegekend op basis van de toen vermoede geografische herkomst van de manuscripten. Hoewel we daar nu veel meer over weten – de diversiteit was groter, en de spreiding veel meer netwerkachtig dan geografisch – blijven de namen toch gebruikt worden als labels. Vandaar.
Genoemd naar de stad Alexandrië in Egypte, destijds het centrum van de wetenschap, teksteditie en theologie. Men gaat ervan uit dat professionele kopiisten in Egypte de tekst nauwkeurig overschreven, wat resulteerde in deze 'strakke', al vroeg vrij uniforme tekstvorm. De droge woestijnachtige omgeving is mede de oorzaak dat uit deze regio veel papyrusmanuscripten zijn bewaard.
Omdat Alexandrië ook een centrum was van theologie – het doordenken op de leer aangaande God en Christus – is het interessant om te zien of dat ook in de tekstredactie sporen heeft nagelaten. Discussies rond Christus' echt mens zijn, van vlees en bloed, speelden op, alsmede rond zijn god-zijn. Later komt daar ook de triniteitsleer bij. Alexandrië is het centrum van de radicale opvatting – die we nu de 'orthodoxe' noemen, omdat deze partij gewonnen heeft.
Deze naam is misleidend. Hij verwijst naar manuscripten die populair waren in het Latijnse westen – Italië, Zuid-Frankrijk, maar vooral Noord-Afrika, Carthago in Tunesië – waar men het Grieks niet altijd machtig was. Dus hier komen Latijnse vertalingen van niet meer gekende Griekse manuscripten in beeld. Tegelijk vinden we deze tekstvorm ook diep in het oosten, Syrië met name; de Syrische vertaling gaat ook terug op zo'n oude tekstvorm.
Hoewel de materiële bron – de vertaling – niet per se heel oud is, zijn juist in deze traditie veel vrije, lokaal gekleurde versies bewaard. Of ze wel of niet dichter bij de originele tekst staan — op die vraag zijn de meeste bijbelgeleerden gefixeerd — is eigenlijk niet zo relevant. Elke overgeleverde tekst is hier de stem van een reële lokale christelijke gemeenschap, en had daar gezag. Men hoorde via die tekstversie, dat manuscript, die codex, de stem van Jezus Christus. Deze groep is dus erg interessant als je contact wilt maken met de diversiteit van geloven.
Genoemd naar het Byzantijnse Rijk, met Byzantium of Constantinopel als hoofdstad, waar Grieks de voertaal was en bleef. Dit is vanaf de late vierde eeuw de standaardtekst in de Grieks-orthodoxe kerk. De handschriften zijn vaak in grote codices gebonden, die alle of meerdere bijbelboeken bevatten.
Omdat manuscripten uit deze familie in de zestiende eeuw de enige beschikbare bron waren in Europa, is dit ook ongeveer de Griekse tekst die voor de vertalingen in die eeuw gebruikt werd. Dit is een beetje kort door de bocht, maar interne kerkelijke spanningen hebben veel onderzoek hiernaar in de kiem gesmoord, dan wel naar studeerkamers verwezen.
Erasmus stelde die Griekse tekst samen in 1516; Johann Froben in Basel publiceerde hem als Novum Instrumentum. De Lutherbijbel, de Statenvertaling en de King James Version zijn allemaal op deze versie en zijn opvolgers gebaseerd. Sinds 1633 noemt men deze tekstversie de textus receptus.
In de achttiende en negentiende eeuw begon het historisch tekstonderzoek op gang te komen, en verloor de textus receptus zijn sacrosancte status. Twintigste-eeuwse vertalingen – bijvoorbeeld het NBG 1951 en de RSV – weerspiegelen de nieuwe inzichten. Met veel commotie tot gevolg natuurlijk, want er zaten dierbare teksten bij die plots weg waren – het Onze Vader in Lukas – of tussen vierkante haken terechtkwamen, inclusief theologische bewijsplaatsen.
Dit overzicht koppelt de fysieke getuigen – papyri, codices – aan de tekstkritische hoofdstromen en hun specifieke kenmerken.
P staat voor papyrus, vaak onderdeel van een verzameling, niet altijd enkel bijbelmateriaal, vaak stukken van wat wij nu bijbelboeken noemen. Tegenwoordig is er weer een hevige discussie over de datering van enkele oude papyrusfragmenten, met name P52, P66 en P75. De traditionele datering plaatste die vaak in de tweede eeuw, maar doorgedreven archeologisch, papyrologisch en handschriftkundig onderzoek heeft hier vragen bij gesteld. Niet dat het niet kan, maar het kan vaak ook later zijn.
Dit is in die zin belangrijk, dat de veronderstelde ouderdom van die fragmenten ze tot 'stamvader' van een latere traditie maakte, en zo autoriteit verleende. Als ze niet zo oud zijn, of je bent niet zeker, dan is er vaak geen stamvader meer – enkel traditie. In de tabel worden beide dateringen gegeven.
Trad. — traditionele datering, de wetenschappelijke stand omstreeks het midden van de twintigste eeuw.
Krit. — alternatieve datering, recente ontwikkelingen, gebaseerd op het groundbreaking research van Brent Nongbri: archeologisch, papyrologisch en grafologisch onderzoek, en het openlaten van onzekerheden.
| Tekstfamilie | Belangrijkste getuigen | Kenmerken en verschillen |
|---|---|---|
| Alexandrijnse tekst |
P52 (snipper, enkele verzen van Johannes) — trad. 125 /
krit. 150-225 P66 (Johannes bijna volledig) — trad. 200 / krit. 3e-4e eeuw P75 (Lukas, Johannes) — trad. 175-225 / krit. vroeg 4e eeuw Codex B (Vaticanus) — ca. 325-350 Codex ℵ (Sinaiticus) — ca. 330-360 |
Karakter: sober en kort. Wordt door de NA28, de
meest recente kritische uitgave, als de meest betrouwbare bron
gezien. Verschillen: mist vaak latere toevoegingen zoals het slot van Marcus (16:9-20) of de overspelige vrouw (Joh. 7:53-8:11). Opmerking: polijsting, tekstueel en theologisch, is niet onmogelijk. Vergelijking met de Westerse tekst is zinvol. |
| Westerse tekst |
Codex D (Bezae; evangeliën en Handelingen) — 5e eeuw, bron
wellicht terug tot de 2e Cyprianus (citaten in het Latijn) — ca. 250 it (Vetus Latina) — vanaf de 2e eeuw, en zeer veel andere Latijnse vertalingen die circuleerden; de Vulgaat is er nog niet sys (Sinaïtisch-Syrische vertaling) — 4e/5e eeuw, bron ca. 150 |
Karakter: vrij en parafraserend. Soms langer, maar
soms ook korter — de Westerse niet-interpolaties. Verschillen: bevat unieke verhalen of alternatieve bewoordingen die wat ruwer aanvoelen. Opmerking: deze familie bewaart vaak een lastigere versie, tekstueel en ook theologisch. Vergelijking met de Alexandrijnse tekst is zinvol. |
| Byzantijnse tekst |
Codex A (Alexandrinus) — 5e eeuw; Byzantijns in de
evangeliën, Alexandrijns in de rest 𝔪 (meerderheidstekst) — 9e tot 15e eeuw, opgeschoonde zuivere tekst voor kerkelijk gebruik. Manuscripten uit deze traditie lagen aan de basis van de textus receptus in West-Europa. |
Karakter: gepolijst en harmoniserend. De basis
voor de textus receptus van Erasmus, die zes à zeven incomplete
manuscripten had. Verschillen: combineert vaak lezingen om tegenstrijdigheden weg te nemen. Bevat alle bekende interpolaties. Opmerking: moeilijke passages worden vloeiend gemaakt, geschikt voor liturgisch gebruik. |
Dit manuscript uit de vierde of vijfde eeuw is van de grote verzamelmanuscripten het meest recent gevonden: in 1906. Het is een gemengde tekst. De kopiist van dienst heeft manuscripten – Vorlagen – uit verschillende tradities gebruikt om zijn bijbelcodex te kunnen completeren.
De naam Washington verwijst naar de huidige locatie, het Smithsonian Institution. De codex zelf is gevonden in Egypte, nabij Gizeh. Het weerspiegelt waarschijnlijk de bibliotheek van een Egyptisch klooster waar manuscripten uit verschillende windstreken – Rome, Syrië, Alexandrië – aanwezig waren en gekopieerd werden.
Het manuscript is als een lappendeken van tekstfamilies:
De term Freer Logion – genoemd naar Charles Lang Freer, die het manuscript in 1906 kocht – is een uniek stukje tekst (logion) ingevoegd aan het slot van Marcus, na vers 14. Dit komt in geen enkel ander manuscript voor. Het bevat een dialoog tussen de discipelen en Jezus over de macht van Satan en de zonde. Hiëronymus kende de tekst ook, maar ze stond niet in de manuscripten die hij als basis gebruikte voor zijn vertaling van Marcus.
Onderstaande tabel toont de bekendste toevoegingen.
| Passage | Wel of niet aanwezig |
|---|---|
| Marcus 16:9-20 het lange slot |
Afwezig in de Alexandrijnse
manuscripten Aanwezig in de Westerse tekst |
| Johannes 7:53-8:11 de overspelige vrouw |
Afwezig in de Alexandrijnse
manuscripten Aanwezig in de Westerse tekst |
| 1 Johannes 5:7-8 het comma Johanneum |
Afwezig in de Alexandrijnse
manuscripten Afwezig in de Westerse tekst Afwezig in de Vulgaat Latere Latijnse toevoeging uit de 7e/8e eeuw, die in Griekse teksten opdook. |
| Doxologie van het Onze Vader | Afwezig in de Alexandrijnse
manuscripten Afwezig in de Westerse tekst Afwezig in de Vulgaat, en dus in de rooms-katholieke liturgie Aanwezig in de Byzantijnse tekst, toegevoegd vanuit liturgisch gebruik |
Enkele voorbeelden uit Lukas.
| Passage | Wat ontbreekt in de Westerse tekst (D)? | Mogelijk motief voor toevoeging in de Alexandrijnse tekst |
|---|---|---|
| Luk. 22:19b-20 | Avondmaal zonder offer; de beker komt eerst. | Liturgische harmonisatie met de teksten van Paulus. |
| Luk. 24:12 | Het bezoek van Petrus aan het graf. | Harmonisatie met Johannes? Lichamelijke opstanding, de doeken? |
| Luk. 24:36 | De groet “Vrede zij u”. | Vroomheidselement uit de vroege kerkelijke liturgie. |
| Luk. 24:40 | Het tonen van de handen en voeten. | Versterken van het geloof in een fysieke opstanding, van vlees en bloed. |
| Luk. 24:51 | De woorden “opgenomen in de hemel”. | Expliciet maken van de Hemelvaart als historisch feit. |
Uit de zee van literatuur – nogal strijdlustig, zowel aanvallend als verdedigend – twee goed leesbare boeken van wetenschappelijke all-rounders die een overzicht geven van de geboorte van het Nieuwe Testament en de bonte wereld van de ontluikende christenheid. Zonder geheimtaal.
Beide zouden gewoon in de handel moeten zijn, maar wonderlijk genoeg zijn ze niet meer verkrijgbaar. Daarom niet getreurd: op boekwinkeltjes.nl vind je ze zeker.
Dick Wursten, 2026
[1] Origenes, vroegchristelijk bijbelgeleerde (Alexandrië, ca. 185–254), ook een van de eerste tekstuitgevers — versies naast elkaar in de Hexapla. Het citaat komt uit zijn commentaar op Mattheüs, boek 15, paragraaf 14.
νυνὶ δὲ δηλονότι πολλὴ γέγονεν ἡ τῶν ἀντιγράφων διαφορά,
εἴτε ἀπὸ ῥᾳθυμίας τινῶν γραφέων, εἴτε ἀπὸ τόλμης τινῶν μοχθηρᾶς τῆς
διορθώσεως τῶν γραφομένων, εἴτε καὶ ἀπὸ τῶν τὰ ἑαυτοῖς δοκοῦντα ἐν
τῇ διορθώσει προστιθέντων ἢ ἀφαιρούντων.
“Het is nu eenmaal een feit dat de
verschillen tussen de afschriften – antigrafa, van
ἀντιγραφή: kopie, afschrift – groot zijn geworden, hetzij door
de onachtzaamheid van bepaalde overschrijvers, hetzij door de
verkeerde voortvarendheid van sommigen bij het corrigeren van de
tekst, of ook door toedoen van hen die bij het herzien naar eigen
goeddunken stukken toevoegen of weglaten.”