Lukas 24:12 origineel of later ingevoegd?

algemene info over overlevering van de evangelieteksten: klik hier

In enkele oude handschriften en de codex Bezae (4de eeuw) stopt het verhaal van de Paasmorgen in Lukas 24 met de afwijzende reactie van de apostelen op het verhaal van de vrouwen: ze vonden het maar kletspraat (larie, lèros in het Grieks) en geloofden hen niet. (vers 11). Daarna begint het verhaal van de Emmaüsgangers (vers 13vv). Vers 12 ontbreekt daar: Petrus echter stond op, liep naar het graf, bukte zich om te kijken, maar zag alleen de linnen windsels liggen. Daarop keerde hij terug verwonderd over wat gebeurd was. Voor wie is groot geworden met de NBG 1951 weet nog dat dit vers toen tussen [vierkante haken] stond. Dat was een 'alert' voor de lezer: dit vers ontbreekt in de oudste handschriften.

lk24 vers 12 - NBG 1951

Wonderlijk genoeg staat in de moderne bijbelvertalingen zoals NBV 2004/2021 deze tekst tegenwoordig gewoon in de lopende tekst, en er is ook geen voetnoot. Hoe komt dat? Of anders gezegd: Wat is er tussen 1951 (NBG) en 2004 (NBV) gebeurd? Het zal te maken hebben met de manier waarop men de verschillen tussen diverse bronnen (papyri/handschriften) weegt. Ik zie drie fases.

fase 1 (sinds Westcott en Hort - eerste wetenschappelijke teksteditie van het Griekse Nieuwe Testament, 1881). De redenering om te kiezen tussen varianten was - naast bewezen ouderdom (van de tekstgetuige, lastig) toch vooral 'simpele logica': Een lectio difficilior is te verkiezen boven een lectio facilior, tenzij er een echte (over)schrijffout kan aangetoond worden. Copiïsten hebben een natuurlijke neiging om teksten die slecht, moeilijk, verwarrend, of theologisch problematisch (ja dat ook en hoe later hoe meer) vinden te verbeteren of te verduidelijken. Daarom is de kans groter dat een rare, vreemde, foute tekst (difficilior) oorspronkelijker is dan een soepel vloeiende, sluitende tekst (facilior).

Toegepast op Lukas 24:12
Zonder vers 12 eindigt het verhaal van de Paasmorgen met algeheel ongeloof bij alle mannelijke apostelen (zotteklap is wat de vrouwen zeggen, en zij geloofden niet). Dat is wat pijnlijk, maar okay. Komt echter bij dat het strijdig is met Johannes 20: 3-10, waar staat dat Petrus naar het graf is teruggekeerd en begon te geloven. Harmonisatiedrang kan toevoeging of kleine wijziging verklaren. Goed: omgekeerd: Het is niet goed te verklaren waarom deze zin (als ze oorspronkelijk zou zijn) later zou zijn weggelaten. Ergo: dit vers is later ingevoegd, geëxtraheerd uit Johannes 20. Daarna steeds opnieuw gekopieerd en de dominante teksttraditie geworden. Het hoort volgens deze opvatting dus niet in de lopende tekst en staat daar dus ook niet (vanaf de eerste kritische editie (Westcott/Hort, 1881) tot en met 1967. Hier een foto van het Novum Testamentum Graece, ed. Eberhard Nestle, bewerkt door Erwin Nestle en Kurt Aland - 25ste editie. United Bible Societies: London 1963/1967, kortweg: NA25. U ziet vers 12 staat niet in de tekst, maar is opgenomen in het kritisch apparaat staan (geel gehighilighted).

luk 24:12 - omitted

fase 2
Vanaf de 26ste editie (1979) is de tekst uit de voetnoot gehaald en in de hoofdtekst opgenomen. Dit is gebeurd na een pittige discussie in de wetenschappelijke redactieraad van de United Bible Societies. Er was namelijk een nieuw element dat moest worden meegewogen worden. In 1960 was namelijk een nieuw handschrift van Lukas gevonden: papyrus 75, eerst in het bezit van Martin Bodmer (een handelaar/verzamelaar die het in Caïro op de markt kreeg aangeboden, samen met een hele reeks andere manuscripten, geestelijke en wereldlijke teksten. Bodmer XIV-XV bevat Lukas en Johannes; Het bevindt zich nu in de Bibliotheek van het Vaticaan en heet: Hanna Papyrus 1, Mater Verbi). Deze papyrus werd na onderzoek (m.n. handschriftkundig, palaeografisch, samen met de aanduiding van de 'verkopers' over de vindplaats) door als zeer oud getaxeerd (tussen 175-225). Men suggereerde een kleine huisgemeente als oorsprong, nabij Dishna. In deze papyrus staat vers 12 wel. Dus: vers 12 heeft nu ondersteuning van een vroege tekstgetuige, de stamvader van een hele familie. De overige tekstgetuigen (familie) met dit vers zijn namelijk 4de eeuws (voor de liefhebbers een overzicht).

De Hoofdtekst (Vers 12 aanwezig)
txt: P75 ℵ A B K L W Δ Θ Ψ f1.13 33. 565. 579. 700. 892. 1241. 1424. 2542 𝔐 lat syp.h bo

Betekenis: De grote meerderheid van de handschriften, waaronder de dus Bodmer Papyrus XIV-XV (P75) en de grote 4e-eeuwse codices (Sinaiticus en Vaticanus). Het aantal zegt niet alles omdat er onderlinge afhankelijkheid is. Anders gezegd: dit is eigenlijk 1 familie, waarvan nu Papyrus 75 de stamvader, de bron zou zijn.

De Weglating (Vers 12 ontbreekt)
om. (omittunt): D it sys

Betekenis: D (Codex Bezae), it (Oud-Latijnse vertalingen, d.w.z. voor Hieronymus) en sys (Sinaitisch-Syrische vertaling). Heel opvallend: D (5e eeuw, maar gaat terug tot ms uit 3de eeuw) veel latere toevoegingen heeft, maar hier niet.  De andere bronnen zijn vertalingen, máár let op: die gaan terug op verloren gegane oude Griekse handschriften (3de eeuw) Verder: deze drie tradities zijn onderling niet verbonden/verwant. Dus het zijn 3 onafhankelijke getuigen.

De geleerde heren geraakten er  niet uit, vooral omdat de vraag waarom dit vers dan zou zijn verdwenen in andere oude handschriften niet bevredigend kon worden beantwoord, en de 'harmonisatie' met Johannes 20 toch wel in het oog blijft springen. De procedure schreef voor dat er in zo'n geval moet worden gestemd : Met meerderheid van stemmen is toen vers 12 'echt verklaard'. Zo'n kwantitatieve methode is wetenschappelijk niet erg overtuigend, maar je moet verder. De door de commissie gemaakte keuzes (met argumenten en tegenargumenten) zijn verzameld en uitgegeven door Bruce M. Metzger, A Textual Commentary on the Greek New Testament (UBS: London 1971) - Als service, kunt u zelf uw mening vormen gekopieerd en hieronder opgenomen onderaan als appendix. (Engels).

Echter we zijn er nog niet. In de 21ste eeuw rijzen er plots grote twijfels bij de bruikbaarheid van de palaegrafische dateringsmethode van papyri (d.w.z. gebaseerd op vergelijkend handschrift onderzoek). Bent Nongbri, een historicus (vroeg christelijke geschiedenis) met een specialisatie in antieke manuscripten (papyrologie) en archeologie van het vroege christendom schreef in 2005 een spraakmakend artikel over de datering van het oudste papyrus (Papyrus 52). Zijn vragen bleken pertinent en zorgden voor veel commotie, een aardverschuiving zelfs. Vandaar:

fase 3
Herdatering van P75: Bent Nongbri toonde in het algemeen aan dat palaeografische redeneringen geen betrouwbare uitkomsten opleveren voor de datering van een papyrus. Een handschrift (schrijfstijl) kan eigenlijk nooit precies gedateerd worden (een tijdvenster van 50 jaar moet je zeker nemen). Bij de datering van papyrus 75 is er spake geweest van een 'cirkelredenering', omdat de handschriften waarmee werd vergeleken zelf ook gedateerd waren op vergelijkend handschriftenonderzoek. Ook had hij vragen bij de 'provenance' (het verhaal van de 'verkopers'). Na eigen detectivewerk komt hij tot de conclusie dat Papyrus 75 (Bodmer XIV-XV, maar eigenlijk ook bijn alle andere) eerder ca. 300 of later, dan ca. 200 moet worden gedateerd worden. Hiermee is het niet meer de 'stamvader' van een hele familie, maar gewoon een broertje. Het is dus geen smoking gun, geen "onafhankelijk vroeg bewijs," maar onderdeel van een teksttraditie waarin die interpolatie al is genormaliseerd. De discussie is weer open. Van de drie handschriften waarin het ontbreekt, gaan er zeker twee (de oud-latijnse en syrische vertaling) terug op twee Griekse manuscripten die vers 12 niet hadden. En is de latere codex (Bezae) de odd one out onder de latere manuscripten. De vragen van Nongbri beginnen langzaam maar zeker 'in te dalen' in de academische wereld. In de Leuvense database van Bijbelse Manuscripten wordt in middels voor dit manuscript aangegeven: AD 275-325, (dus inderdaad een eeuw later dan de eerste datering): https://www.trismegistos.org/text/61743

conclusie
Je zou verwachten dat eigentijdse kritische uitgaven en recente vertalingen dit honoreren, maar zulks is (nog) niet het geval. Vanaf de 26ste editie staat vers 12 in de hoofdtekst, en dit is ook nog het geval in de meest recente editie (28ste) uit 2012. Rond die tijd begon het onderzoek van Nongbri door te dringen in de academische wereld. Het wordt dus wachten tot NA29. ... Ondertussen is overigens de commissie vervangen door een computerprogramma. Benieuwd wat dat gaat geven.

meer achtergrond: evangelien: hoe zit dat met de tekstgetuigen?

 

Appendix

1. Bruce M. Metzger, A Textual Commentary on the Greek New Testament (UBS: London 1971)

 

[beslissing van de commissie]
Luke
24.12 include verse {B}
Although ver. 12 is sometimes thought to be an interpolation (see the Note following 24.53) derived from Jn 20.3, 5, 6, 10, a majority of the Committee regarded the passage as a natural antecedent to ver. 24, and was inclined to explain the similarity with the verses in John as due to the likelihood that both evangelists had drawn upon a common tradition.

Note following 24.53 : NOTE ON WESTERN NON-INTERPOLATIONS
One of the features of the Western text is the occasional omission of words and passages that are present in other types of text, including the Alexandrian. How should one evaluate such omissions from a form of text which is generally much fuller than other text-types? According to one theory, popularized at the close of the last century (I.e.: 19th century, DW) by Westcott and Hort, such readings, despite their being supported by the generally inferior Western witnesses, ought to be preferred rather than the longer readings, though the latter are attested by the generally superior manuscripts, B and a. Nine such readings were designated by Westcott and Hort as “Western noninterpolations,” on the assumption that all extant witnesses except the Western (or, in some cases, some of the Western witnesses) have in these passages suffered interpolation. In recent decades this theory has been coming under more and more criticism. With the acquisition of the Bodmer Papyri, testimony for the Alexandrian type of text has been carried back from the fourth to the second century, and one can now observe how faithfully that text was copied and recopied between the stage represented by papyrus 75 and the stage represented by codex Vaticanus. Furthermore, scholars have been critical of the apparently arbitrary way in which Westcott and Hort isolated nine passages for special treatment (enclosing them within double square brackets), whereas they did not give similar treatment to other readings that also are absent from Western witnesses. With the rise of what is called Redaktionsgeschichte (the analysis of the theological and literary presuppositions and tendencies that controlled the formation and transmission of Gospel materials), scholars have begun to give renewed attention to the possibility that special theological interests on the part of scribes may account for the deletion of certain passages in Western witnesses. In any case, the Bible Societies’ Committee did not consider it wise to make, as it were, a mechanical or doctrinaire judgment concerning the group of nine Western noninterpolations, but sought to evaluate each one separately on its own merits and in the light of fuller attestation and newer methodologies.
During the discussions a sharp difference of opinion emerged. According to the view of a minority of the Committee, apart from other arguments there is discernible in these passages a Christological-theological motivation that accounts for their having been added, while there is no clear reason that accounts for their having been omitted. Accordingly, if the passages are retained in the text at all, it was held that they should be enclosed within square brackets. On the other hand, the majority of the Committee, having evaluated the weight of the evidence differently, regarded the longer readings as part of the original text. For an account of the reasons that the majority felt to be cogent in explaining the origin of the shorter text, see the comments on the several passages.

 

 

De herkomst van P75 (Papyrus Bodmer XIV–XV)

Eigenlijk weet men niet waar de papyrus vandaan komt. P75 (beter: Bodmer codex XIV-XV) werd niet gevonden tijdens een wetenschappelijke opgraving, maar dook in de jaren 1950 samen met een groot aantal andere papyri op op de antiquarische markt van Caïro. Het waren de hoogdagen van de 'vondsten van oude papyri'. Het werd gekocht door de Zwitserse verzamelaar Martin Bodmer (Genève-Cologny) via tussenpersonen. De handelaren beweerden dat de papyri gevonden waren bij Dishna (vlakbij de plek waar de Nag Hammadi-geschriften werden gevonden) of bij Phbow (een centrum van de Pachomiaanse monniken). Nongbri wijst erop dat handelaren vaak vindplaatsen verzonnen of varieerden om de waarde te verhogen of om de politie te ontwijken. Er is m.a.w. geen enkel onafhankelijk bewijs dat P75 daadwerkelijk in Dishna uit de grond is gekomen. De traditionele visie was dat P75 rond het jaar 200 door een kleine, geïsoleerde christelijke geloofsgemeenschap werd gebruikt. Nongbri analyseerde het papier, formaat, samenstelling, handschrift. Het meest waarschijnlijk is volgens hem dat P75 uit een 4e-eeuwse Bibliotheek stamt, en onderdeel is van een veel grotere collectie, die toen gespreid op de markt is gekomen en m.n. door Bodmer is gekocht (de "Bodmer Papyri")  die zowel christelijke als klassieke teksten (zoals Homerus) bevatte. Nongbri betwijfelt daarom of dit wel kloosters kunnen zijn, zoals men vaak suggereert. Tenslotte: De fysieke staat van het manuscript (codicologie) toont sporen van intensief gebruik, en latere reparaties (herbinding). De verhouding tussen hoogte en breedte van de pagina's van P75 komt volgens Nongbri sterk overeen met die van de Nag Hammadi-codices (4e eeuw), en wijkt af van de meeste bekende 2e-eeuwse formaten. Hem zou het niet verbazen als er zelfs een link zou zijn met die andere (iets eerdere) grote vondst aan papyri, die verworven werd door Chester Beatty.

TENSLOTTE een plaatje: hier de bewustpapyrus met het slot van Lukas en het begin van Johannes. Dat beide op één en het zelfde blad staan is op zich al bijzonder genoeg om de afbeelding te rechtvaardigen.