Psalmberijming


Nadat de synode (in de personen van dr. Schroten en dr. Miskotte, beide leden van de commissie voor de Nieuwe Psalmberijming) in 1951 contact had opgenomen met Martinus Nijhoff, kwam het psalmberijmingsproject eindelijk goed op gang: een vijftal jongere dichters raakte bij de arbeid betrokken, dichters die na de bevrijding naar voren waren gekomen met poezie, waarin een stuk bijbelse inspiratie onmiskenbaar was: Willem Barnard (Guillaume van der Graft), Ad den Besten, W. J. van der Molen, J. W. Schulte Nordholt en Jan Wit.
Samen met Muus Jacobse (dichtersnaam van: Prof. Dr. K. Heeroma, degene die volgens musici het minst begreep waarop je moest letten als je een zingbare tekst moest maken...) vormden een soort `dichtgenootschap' . Na Nijhoffs vroege dood in 1953 zetten zij diens werk voort.
De periode dat de dichters bij elkaar kwamen om de 150 psalmen Davids te berijmen (monnikenwerk) is voor allen 'epochaal' geweest, zowel persoonlijk als dichterlijk. Dit is eigenlijk veel bijzonderder dan men zich realiseert: Gerenommeerde dichters die zoiets 'nederig-ambachtelijks' doen als Oude Hebreeuwse liederen in het Nederlands overzetten, en dat nog wel binnen een strakke metrische vorm, ooit verzonnen in de 16e eeuw door Marot en De Bèze. De Nieuwe berijming was gereed in 1961 en werd later opgenomen in het Liedboek voor de Kerken (1973)

Op een aparte pagina heb ik de Psalmgedichten opgenomen die Martinus Nijhoff gemaakt heeft (7 stuks)

Over hoe de dichters zich voelden toen ze met dit werk bezig waren en vooral hoe ze er nadien op terugkeken is op te maken uit dit gedicht van J.W. Schulte Nordholt:

PSALMBERIJMING

Het is begonnen met David,
die zo mooi zingen kon.
David is dood, dichters
gaan onder en op als een zon.

Hij heeft zo van het leven gehouden,
gespeeld en gedanst en gekust,
hij heeft zo aan het leven geleden,
nu is hij in diepe rust.

Maar overal op de bergen
rondom Jeruzalem,
overal op de aarde
hoort men zijn heilige stem.

Overal op de orgels
legt hij zijn hand aan de harp,
met zijn hemel zo in zijn schik.
En overal heeft hij zijn volgers,
Vondel, Revius, Scharp,
Wim Barnard, Jan Wit, en ik.

Dat klinkt mooi, maar het was ook een 'heidens karwei'. Volgend relaas staat in de biografie van Schulte Nordholt (p. 67-68) 

"Het kostte veel tijd voor een berijming echt voltooid was. Neem Psalm 139. Het eerste concept kwam van Fedde Schurer. Het werd door de hervormde commissie bestudeerd en afgewezen. Toen kwam in 1952 het concept van ds. Burger ter tafel. Het werd aanvaard en kreeg in 1955 de goedkeuring van de hervormde synode. De interkerkelijke commissie schonk opnieuw aandacht aan de berijming van Burger en gaf een onvoldoende. Dr. Rijnsburg en Heeroma namen de revisering op zich en in 1955 werd het derde concept aanvaard. Schulte Nordholt kreeg in een later stadium dit concept onder ogen en meende het beter te kunnen. In 1958 kwam zíjn voorstel ter tafel. De kwaliteit hiervan bleek aanmerkelijk hoger dan van alle voorgaande concepten. Wèl telde het zestien strofen. De commissie was enthousiast, maar vond dat aantal te groot. Het huiswerk moest overgemaakt worden om op veertien strofen uit te komen. Deze berijming bleek nu de beste te zijn en ze werd in de bundel opgenomen."

This site was last updated
 July, 2022