Franciscus' vogelpreek

   

Home
Up
Lechermeier - Bible
Spiegelneuronen
De Knijff
Cees Nooteboom
Roger Scruton
Ger Groot
Rik Torfs
Hans Achterhuis
Nahed Selim
Guy Stroumsa
Peter Sloterdijk
John Haught
P.R. Blum

Roger Scruton, Waarom cultuur belangrijk is (orig: Culture Counts), 2008

 

POPMUZIEK: VERSTROOIING VOOR HET OOR

 

Jonge mensen worden vanaf hun vroege jeugd omringd door muziek die weinig van hen eist Eerder muzikaal behang, dan om echt naar te luisteren.

 

Om jonge mensen deel te laten hebben aan de muzikale cultuur van de westerse beschaving - mogelijk een van de meest duurzame verworvenheden van die beschaving, waaraan de grootste schat aan gevoel is meegegeven - moet je stapje voor stapje te werk gaan. Ze moeten met name de beweging leren horen die in de muziek zelf ligt, en die niet kan worden gereduceerd tot een strakke maatslag op de achtergrond. […]

Hedendaagse popliedjes worden uiterst zorgvuldig samengesteld, vaak met kunstmatige middelen, om ze op onuitwisbare wijze te impregneren met het handelsmerk van de groep. Alles wordt gedaan om ze ononderscheidbaar te maken van de groep. De leadzanger geeft

uiting aan zichzelf en niet aan de melodie; hij benadrukt zijn eigen karakter in toon, sentiment en gebaar. De melodische armoede wordt daardoor deels verklaard. Door de melodie te vereenvoudigen. of te reduceren tot vaste frasen die in elke context kunnen worden hergebruikt, leidt de zanger de aandacht naar het enige onderscheidende kenmerk van het liedje, namelijk naar zichzelf. […] Precies op de plaats waar de muziek zich zou moeten bevinden, treffen we de zanger aan. […] De muziek wordt tegelijk vervluchtigd en ten eeuwigen dage gefixeerd. Ze vormt een onherhaalbaar moment in het leven van de grote machine, dat door middel van die machine tot in der eeuwigheid kan worden herhaald. En dus is het dikwijls onmogelijk om de melodie en de woorden van een popliedje voor jezelf te zingen. je kunt hooguit het idool spelen tijdens een karaoke-avond in de plaatselijke bar, waar je dan kunt profiteren van volledige instrumentele begeleiding, geluidsversterking en van het publiek, jezelf heel eventjes kunt neervlijen in de lege groef die de heilige tegenwoordigheid bevatte. Als deze intense en cathartische ervaring voorbij is, moet de fan het podium af en de last van de stilte weer op zich nemen. […]

De popmuziek, die de geïdealiseerde puber opvoert als het middelpunt van een collectieve ceremonie, is een poging om de muziek aan te passen aan deze nieuwe situatie- de situatie waarin de massa stagneert. Die staat voortdurend aan de grens van de volwassenheid, maar passeert die grens nooit. In deze situatie wordt de jeugd als het doel en de vervulling van het menselijk leven beschouwd.

(citaten uit hoofdstuk 5 ‘Cultuur onderwijzen’, p. 82-85)

 

 

REVIVAL (?) VAN HET TONALE STELSEL

 

Het tonale stelsel is in de vorige eeuw doodverklaard (uitgeput: Schönberg, voltooid: Thomas Mann) en gediscrediteerd als een lokaal etnisch fenomeen, typisch Westers (Adorno). Tsja…

 

Hoewel onze muziekcultuur een periode van acute crisis heeft doorgemaakt, heb ik niet de indruk dat deze crisis veroorzaakt werd door de dood van het tonale stelsel of de opkomst van de atonale experimenten die dat stelsel trachtten te vervangen. De crisis werd nu juist veroorzaakt door de argwaan jegens de tonaliteit - een argwaan die als onderdeel moet worden beschouwd van de vrijwel algemene vervreemding van westerse intellectuelen van ons culturele erfgoed. […]

Maar het is het tonale stelsel, met zijn unieke vermogen om de melodische en harmonische dimensies te synthetiseren, die het contrapunt en de individuele stemvoering begrijpelijk

maakt voor het gewone muzikale oor, en die het daarmee voor verder niet in muziektheorie geschoolde mensen mogelijk maakt om de lijn van een symfonie of een strijkkwartet te volgen, en om de boodschap te begrijpen die door middel van tonen aan hun gevoelens wordt gericht. Verwijder het tonale stelsel, en je verwijdert datgene wat polyfonie toegankelijk

maakt voor alle niet-deskundigen. […]

Als er behalve de popmuziek alleen nog nachtmerrieachtige 'klankeffecten' uit het modernistische laboratorium voor ons overblijven, dan is de traditie der muzikale 'kunst' inderdaad dood. Maar die was nog niet dood toen Adorno zijn schimpredes boekstaafde tegen de populaire Amerikaanse muziek van zijn tijd: de muziek van Hollywood en Broadway. Muziek had nog steeds een plaats in het leven van mensen. Mensen zongen en speelden de populaire liedjes, arrangeerden ze voor jazzcombo en fanfareorkest en gebruikten ze in hun vrije improvisaties thuis en in de kerk. Er werden nog gezangen gezongen, zodat het muzikale oor als vanzelfsprekend en feilloos werd ingewijd in de regels van de vierstemmige harmonie. Het tonale stelsel was een vertrouwde dagelijkse metgezel, en dat, meer dan welke injectie van geleerdheid dan ook, creëerde het muzikaal gevormde publiek dat in onze steden zo overvloedig aanwezig was. […]

Popmuziek mist het vermogen om toespelingen of verwijzingen te maken en het vermogen om zich te ontwikkelen, ze is niet in staat om zichzelf te bevrijden van de mechanische trucs die de voornaamste bron van haar muzikale aantrekkingskracht vormen. Ze zal altijd een steriele kracht blijven, waar niets dan een verstrooiende impuls van uitgaat. […]

In popmuziek geschoolde oren zoeken naar beat in plaats van naar ritme, naar 'begeleiding' in plaats van naar stemvoerende harmonie, en naar melodieën die zich verdelen in meeneuriebare frasen. Zulke oren zijn in eerste instantie doof voor het contrapunt, en voor de echte tonale ervaring, als de driedimensionale uitwerking van structurele relaties. Ze beluisteren in Steve Reich of Philip Glass een soort verheven en hypnotiserende versie van hun favoriete akkoorden, en omdat ze buiten hun gevoel voor herhaling geen gevoel voor structuur bezitten, beschouwen ze dat als het nee plus ultra van de serieuze muziek. In feite is de muziek van de minimalisten veel banaler en clichématiger dan al die half-serieuze muziek

die uit de mode is geraakt. Met haar onvermogen om de stap van de begeleidende figuren naar de polyfonie te maken geeft ze uitdrukking aan haar hulpeloze fixatie op het akkoord, in tegenstelling tot de stemmen die het akkoord vormen als ze zich tijdens hun melodieuze tochten om dat akkoord heen bewegen.

Het nieuwe publiek ziet bovendien de spiritualiteit van Górecki en Tavener als een toegankelijke ervaring van het 'hogere' muzikale leven. Want zij componeren serieuze muziek, die ons lijkt te zullen bevrijden van de vervreemde wereld van de populaire cultuur: Tegelijkertijd is die precies als popmuziek gecomponeerd, met eenstemmig gepsalmodieer op stemloze akkoorden. Het is net alsof de serieuze muziek opnieuw moet beginnen, vanaf de eerste aarzelende tonale stappen, om het postmoderne oor te kunnen bereiken.

Toch staat het buiten kijf dat de serieuze muziek, dankzij componisten als Górecki, Tavener, John Adams en Michael Torke, zich begint aan te passen aan het nieuwe muzikale gehoor

- het gehoor dat is opgevoed met beat, en dat veel gemakkelijker reageert op een meedogenloos ostinato dan op melodie of contrapunt.

 

(citaten uit hoofdstuk 7 ‘Glimpjes hoop’, p. 112-117)

 

 

 

Over de deugd en de kennis van het gevoel, kortom over religie

 

"Weten wat je zou moeten voelen"... In algemene zin dienen we, als we deugd willen onderwijzen, de emoties te vormen, en dat betekent dat we mensen moeten onderwijzen 'wat ze moeten voelen' in de uiteenlopende omstandigheden die aanleiding tot die emoties geven.

 

DEUGD ONDERWIJZEN
Hoe wordt deugd onderwezen? Het antwoord van Aristotelesis simpel: door nabootsing. Maar zijn antwoord is te simpel. Want we kunnen deugdzame handelingen alleen nabootsen als we ons in een positie bevinden waarin ze worden vereist. Elementaire rechtvaardigheid, elementaire moed, en de dagelijkse vormen van behoedzaamheid en gematigdheid worden natuurlijk bij voortduring vereist. Maar de cruciale ervaringen, de grote verleidingen, de complexe menselijke problemen die ons op een dag kunnen overvallen - daarmee worden we pas geconfronteerd als het te laat is om de deugden die ons erdoorheen helpen nog te verwerven. Als we in ons kleine uithoekje van de wereld de deugd beoefenen, zijn we misschien beter in staat om die ook op het grotere terrein van het menselijke conflict te beoefenen. En zelfs als dat niet het geval is, kunnen we dan toch leren weten wat we moeten voelen in die cruciale omstandigheden. We kunnen er niet zeker van zijn dat we zullen voelen wat we moeten voelen als de tijd daar is, maar in onze verbeelding kunnen we de kennis oefenen die we op een dag misschien nodig hebben.
We kunnen bijvoorbeeld verhalen lezen over de helden en hun avonturen; we kunnen vertellingen bestuderen over historische wapenfeiten, en naar afbeeldingen kijken van het leven dat we delen. We kunnen naar preken luisteren en de vreugden en het lijden van bewonderde en voorbeeldige mensen in rituele vorm repeteren. Op allerhande manieren komen de emoties en motieven van anderen 'ons voor de geest' in kunstwerken en cultuurproducten, en we voelen spontaan mee, door het leven dat ze weergeven in onze verbeelding te herscheppen. We imiteren de beschreven personages niet, maar 'gaan met hen mee'; we krijgen een beeld van hun motieven en gaan die motieven plaatsen in de context die de schrijver of kunstenaar aanlevert. Door onze verbeelding komen we tot emotionele kennis, en misschien is dat wel de beste manier om ons, alvorens de cruciale beproevingen daar zijn, voor te bereiden op de vreugden en rampen waar we op een dag mee te maken zullen krijgen.

 

Deze opvoeding vanuit de verbeelding vindt vaak plaats door middel van de religie. Rationalisten menen nogal eens dat het bij religieuze opvoeding gaat om het overdragen van leerstukken over God, mens en schepping - leerstukken die volgens hen niet bestand zijn tegen wetenschappelijk onderzoek, en die de mensen die ze aanvaarden eigenlijk ongeschikt maken voor het lidmaatschap van de moderne, sceptische gemeenschap. Maar in feite heeft de religieuze opvoeding zich door de eeuwen maar heel weinig met leerstukken beziggehouden. Haar voornaamste boodschap lag in rituelen, voorschriften en verhalen, en die richten zich alle drie op de morele opvoeding - op het leren wat je moet doen, en, belangrijker nog, wat je moet voelen, in de gewone situaties van het menselijk leven. Het doel van religieuze opvoeding is aan de ene kant de vorming van het hart, niet die van het hoofd, en de leerstukken geven betekenis aan die andere kennis, de kennis die we gemakkelijker door middel van het ritueel en door heilige woorden en voorbeelden verwerven dan door welke vorm van theorie dan ook. Aan de andere kant - en hierin ligt het grote verschil tussen religie en cultuur- kan de religie onze gevoelens alleen vormen wanneer de leerstukken worden geloofd. Daarom kan cultuur ook niet de plaats van religie innemen, ook al neemt religie in zekere zin de plaats van de cultuur in bij mensen wie het ontbreekt aan 'esthetische ontwikkeling'.

(citaten uit h. 3, Kennis en gevoel)

 

 [klik hier voor Scruton's beschouwing over de 'return of religion']

 


SYMPATHIE EN OORDEEL

over gedichten, het esthetische oordeel, en de sympathie


In de voorbeelden zien we dat twee critici aantonen hoe gedichten ons kunnen leren 'wat we moeten voelen' doordat we onze sympathie oefenen. Het gedicht 'wijst ons de weg naar' een gevoel en nodigt ons uit om daarmee te sympathiseren. Maar tegelijk maakt het de weg vrij voor ons oordeel. Wordt de situatie nauwkeurig omschreven? Proberen de taal, het ritme, de literaire techniek, ons kritiekloos te verlokken, of nodigen ze ons juist uit om de dingen te zien zoals ze zijn, en om onze sympathie alleen te geven als we weten dat dat met recht en reden gebeurt? Dergelijke vragen komen allemaal voort uit een onderliggende gedachte, namelijk dat sympathiserende reacties op kunstwerken ook repetities zijn voor sympathieën die in het echte leven kunnen worden geuit. En daarmee wordt weer iets belangrijks gesuggereerd over de verbinding tussen leven en literatuur. Volgens de aristotelische idee over morele opvoeding wordt deugd onderwezen door nabootsing: door nabootsing slijten gewoontes in, en gewoontes transformeren zichzelf tot motieven.

Als goede literatuur morele waarde heeft, dan komt dat vast en zeker doordat ze bijdraagt aan dat proces, door ons te leren wat we met betrekking tot de handelingen, karakters en lotgevallen van onze medemensen moeten voelen. En als slechte literatuur dient te worden gemeden, dan komt dat op vergelijkbare wijze omdat ze ons er ten onrechte toe verleidt om sympathie te voelen waar sympathie misplaatst is.

(citaat uit h. 4, het nut van kritiek)

 

 

This site was last updated
 November, 2018

 

 

This site was last updated Thursday, 15 November 2018